Website van Cees Hagenbeek
Philips III / IV van Wassenaer
Philips III / IV van Wassenaer1,1,2,3, geb. Voorschoten in 1307, burggraaf van Leiden en ambachtsheer van Oegstgeest, ovl. voor 5 jan 1348,
, volgde zijn vader op in diens Wassenaarse goederen 1319, nam deel aan de Slag bij Kassel 1328, kocht het burggraafschap van Leiden van graaf Willem IV 1340, als zodanig ambachtsheer van Valckenburg en Catwijck, nam intrek in kasteel 't Zand tussen Katwijk en Oegstgeest 1340, kreeg te maken met tegenstand van de Leidse Kabeljauwse factie, maakte testament sept. 1343, moest toezien dat Leiden bij privilege van gravin Margaretha mocht uitbreiden tot het Hogheland 1 sept. 1346. Hij  wordt met voornaam vermeld in een oorkonde van graaf Willem III d.d. 5 oktober 1307 waarin Dirk III van Wassenaer aan burggraaf Hendrik belooft dat hij zijn zoon Philips verwekt bij diens dochter niet ontgoeden zal aan een aantal met name genoemde goederen. Jonkvrouwe Alveraed, de moeder van Philips IV van Wassenaer,wordt vervolgens op 27 mei 1310 vermeld als ze wordt getocht aan een leengoed van de heer van Voorne.

tr. (1) in 1319
met

Goede(line) (Guda, Goda) van Benthem2.

tr. (2) tussen 1321 en 1326
met

Elisabeth van der Dussen1, dr. van Jan II Heer van der Dussen en Beatrix van der Sluys.

Uit dit huwelijk 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirk III*1333 Voorschoten †1391  57
Badeloge     

tr. (3) na 16 okt 1333
met

Catharina Gijzendr Dudinck5 (Duyck).

relatie (4)

Bronnen:
1.Afgeschermd, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883
2.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 86)
3.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 204)
4.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 189)
5.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 205)


Elisabeth van der Dussen
in
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk
Kwartierstaat van Lourens de Groot

Elisabeth van der Dussen1.

  • Vader:
    Jan II Heer van der Dussen3, zn. van Jan I ridder van der Dussen (Heer van Dussen) en Elisabeth van Polanen, geb. Heusden circa 1270, ovl. na 14 nov 1325,
    , Ridder heer van Dussen en Aartswaarde,rentmeester van Zuid-Holland
    Hij trouwde (1) met Jacoba van Drongelen. Zij was een dochter van Willem van Drongelen en Hadewich van der Merwede, laatstgenoemde was een stiefdochter van Willem van Brederode 1380-1451 die getrouwd was met Margaretha van der Merwede-Stein, de weduwe van Daniel V van der Merwede. Hij trouwde (2) met Beatrix van der Sluijs (ca. 1280-). Zij was een dochter van Arnold van der Sluijs (ca. 1250-1296) en Agnes van Boukhorst van der Leck (1260-1323). Haar zusters waren: Judith (Jutta) van der Sluijs, getrouwd met Walter van Keppel heer van Keppel en Catherijne Agnes van der Sluijs, getrouwd met Witte van Haamstede (1280-1321).
    Ridder, Heer van Dussen en Heeraartswaarde vermeld 1298-1326, en werd in 1305 onder den adel van Holland gesteld, blijkens een gezegeld handvest van Graaf Willem III. leenman van de heren van Putten en Strijen, van de hofstad Putten hield hij na de dood van zijn vader in leen het schoutambacht van Drimmelen met de hoge en lage ban, van de hofstad van Strijen werd het ambacht van Standhazen, gelegen ten N. en W. van Drimmelen, in leen gehouden. Kanselier van de Heer van Altena
    Bemiddelaar van de heer van Altena en van Willem III van Avesnes, graaf van Holland en Hainaut. Leeft aan de grens van Holland en Brabant. Hij speelt een rol in de verzoening tussen graaf Willem III en hertog Jan III van Brabant in 1321. 1314: Jan II van der Dussen krijgt een halve hoeve land in leen, en verwerft later het recht land in te dijken. 1317: Jan II van der Dussen wordt beleend met een hoeve, huis en hofstad en het gerecht van Muilkerk
    Nevens andere ridders stond hij ten jare 1325 als scheidsman over een geschil tusschen Dordrecht en eenige andere steden van Holland, over het stapelregt in eerstgenoemde plaats, tr. (2) met Agnes Florens van den Bouckhorst3, dr. van Floris van den Bouckhorst (rentmeester en baljuw van Delfland en Schieland), geb. circa 1300,
    , Van der Boekhorst/Van den Bouchorst, een oud Hollands adellijk geslacht, dat uitstierf in de zeventiende eeuw. Agnes is in 1322 getocht aan tienden te Nieuwerkerk. Het geslacht kwam voort uit het oude geslacht Van Noordwijk, waarvan de stamvader, ridder Everard, heer van Noordwijk, in het laatste kwart van de twaalfde eeuw met graaf Floris III van Holland tegen de West-Friezen streed.[1][2] Boudewijn van Noordwijk werd in 1273 door graaf Floris V van Holland beleend met de versterkte edelmanswoning “Boekhorst” en de omliggende landen, welke even ten noorden van Noordwijkerhout waren gelegen. Stamvader van nieuwe lijn Van den Bouckhorst was ridder Floris, zoon van voornoemde Boudewijn van Noordwijk en Aleida van Holland, een buitenechtelijke dochter van Otto van Holland. Deze Otto was de broer van graaf Floris V van Holland, die het huwelijk van zijn halfnicht had bewerkstelligd. Uit dit huwelijk een zoon, tr. (3) in 1322 met Jkv Jacoba van Drongelen3, dr. van Jan III van Heusden van Drongelen (ridder, heer van Dussen), geb. Heusden in 1270, ovl. in 1323. Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder, tr. (1).
 

tr. tussen 1321 en 1326
met

Philips III / IV van Wassenaer1,1,2,4, zn. van Dirck II van Wassenaar en Alveradis van Cuijck van Leyden (erfdochter van Leiden), geb. Voorschoten in 1307, burggraaf van Leiden en ambachtsheer van Oegstgeest, ovl. voor 5 jan 1348,
, volgde zijn vader op in diens Wassenaarse goederen 1319, nam deel aan de Slag bij Kassel 1328, kocht het burggraafschap van Leiden van graaf Willem IV 1340, als zodanig ambachtsheer van Valckenburg en Catwijck, nam intrek in kasteel 't Zand tussen Katwijk en Oegstgeest 1340, kreeg te maken met tegenstand van de Leidse Kabeljauwse factie, maakte testament sept. 1343, moest toezien dat Leiden bij privilege van gravin Margaretha mocht uitbreiden tot het Hogheland 1 sept. 1346. Hij  wordt met voornaam vermeld in een oorkonde van graaf Willem III d.d. 5 oktober 1307 waarin Dirk III van Wassenaer aan burggraaf Hendrik belooft dat hij zijn zoon Philips verwekt bij diens dochter niet ontgoeden zal aan een aantal met name genoemde goederen. Jonkvrouwe Alveraed, de moeder van Philips IV van Wassenaer,wordt vervolgens op 27 mei 1310 vermeld als ze wordt getocht aan een leengoed van de heer van Voorne, tr. (1) met Goede(line) van Benthem. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (3) met Catharina Gijzendr Dudinck. Uit dit huwelijk geen kinderen, relatie (3). Hij krijgt geen kinderen.

Uit dit huwelijk 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirk III*1333 Voorschoten †1391  57
Badeloge     



Bronnen:
1.Afgeschermd, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883
2.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 86)
3.Heraldieke Bibliotheek. (HB), J.B. Rietstap, ’s-Gravenhage
4.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 204)
5.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 205)


Goede(line) van Benthem
Goede(line) (Guda, Goda) van Benthem1.

tr. in 1319
met

Philips III / IV van Wassenaer1,2,2,3, zn. van Dirck II van Wassenaar en Alveradis van Cuijck van Leyden (erfdochter van Leiden), geb. Voorschoten in 1307, burggraaf van Leiden en ambachtsheer van Oegstgeest, ovl. voor 5 jan 1348,
, volgde zijn vader op in diens Wassenaarse goederen 1319, nam deel aan de Slag bij Kassel 1328, kocht het burggraafschap van Leiden van graaf Willem IV 1340, als zodanig ambachtsheer van Valckenburg en Catwijck, nam intrek in kasteel 't Zand tussen Katwijk en Oegstgeest 1340, kreeg te maken met tegenstand van de Leidse Kabeljauwse factie, maakte testament sept. 1343, moest toezien dat Leiden bij privilege van gravin Margaretha mocht uitbreiden tot het Hogheland 1 sept. 1346. Hij  wordt met voornaam vermeld in een oorkonde van graaf Willem III d.d. 5 oktober 1307 waarin Dirk III van Wassenaer aan burggraaf Hendrik belooft dat hij zijn zoon Philips verwekt bij diens dochter niet ontgoeden zal aan een aantal met name genoemde goederen. Jonkvrouwe Alveraed, de moeder van Philips IV van Wassenaer,wordt vervolgens op 27 mei 1310 vermeld als ze wordt getocht aan een leengoed van de heer van Voorne, tr. (2) met Elisabeth van der Dussen, dr. van Jan II Heer van der Dussen en Beatrix van der Sluys. Uit dit huwelijk 2 kinderen, tr. (3) na 16 okt 1333 met Catharina Gijzendr Dudinck. Uit dit huwelijk geen kinderen, relatie (3). Hij krijgt geen kinderen.

Bronnen:
1.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 86)
2.Afgeschermd, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883
3.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 204)
4.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 205)


Catharina Gijzendr Dudinck
in
Kwartierstaat van Fred Spaans

Catharina Gijzendr Dudinck1 (Duyck).

tr. na 16 okt 1333
met

Philips III / IV van Wassenaer2,2,3,4, zn. van Dirck II van Wassenaar en Alveradis van Cuijck van Leyden (erfdochter van Leiden), geb. Voorschoten in 1307, burggraaf van Leiden en ambachtsheer van Oegstgeest, ovl. voor 5 jan 1348,
, volgde zijn vader op in diens Wassenaarse goederen 1319, nam deel aan de Slag bij Kassel 1328, kocht het burggraafschap van Leiden van graaf Willem IV 1340, als zodanig ambachtsheer van Valckenburg en Catwijck, nam intrek in kasteel 't Zand tussen Katwijk en Oegstgeest 1340, kreeg te maken met tegenstand van de Leidse Kabeljauwse factie, maakte testament sept. 1343, moest toezien dat Leiden bij privilege van gravin Margaretha mocht uitbreiden tot het Hogheland 1 sept. 1346. Hij  wordt met voornaam vermeld in een oorkonde van graaf Willem III d.d. 5 oktober 1307 waarin Dirk III van Wassenaer aan burggraaf Hendrik belooft dat hij zijn zoon Philips verwekt bij diens dochter niet ontgoeden zal aan een aantal met name genoemde goederen. Jonkvrouwe Alveraed, de moeder van Philips IV van Wassenaer,wordt vervolgens op 27 mei 1310 vermeld als ze wordt getocht aan een leengoed van de heer van Voorne, tr. (1) met Goede(line) van Benthem. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (2) tussen 1321 en 1326 met Elisabeth van der Dussen. Uit dit huwelijk 2 kinderen, relatie (3). Hij krijgt geen kinderen.

Bronnen:
1.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 205)
2.Afgeschermd, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883
3.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 86)
4.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 204)


Herman van Bokel
in
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Lourens de Groot

Herman van Bokel.


Halewin van Leijden van Cuijck van Pendrecht
in
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Magda en Paul Breedveld
Kwartierstaat van Marinus Pannevis

Halewin van Leijden van Cuijck van Pendrecht, ovl. in 1198,
, deze afstamming is niet zeker.

tr.
met

Kerstant Doedensz (Vader) van Wassenaer alias van Raephorst2 (Leiden, van), zn. van Doede van Voorhout alias Foranholte, geb. Voorhout circa 1145, drost van Holland, ovl. circa 1189,
, Drossaart (Dapifer) (Drost) van Holland; vermeld 1167-1189. De drost moet een van de belangrijkste functionarissen geweest zijn aan het hof van de graaf van Holland gedurende de twaalfde en de eerste helft van de dertiende eeuw. De latijnse titel luidt dapifer, hetgeen spijsdrager betekent. De drost stond aan het hoofd van de hofhouding en was daarbij betrokken bij het beheer van het domein. In de naburige graafschappen zien we dat hij tevens zorg draagt voor de bewaking van de vorstelijke residentie, soms treedt hij op als rechter en vervangt zelfs de graaf in de curia bij de rechtspraak. Drost, Baljuw of gerechtelijk ambtenaar op het platteland. Oorspronkelijk de hoogste gerechtsambtenaar die de vorst vervangt. Verricht daarnaast allerlei administratieve werkzaamheden. De titel wordt later een erfelijke eretitel. Naam en functie gaan dan over op een ambtenaar, aangewezen door de vorst. Deze drost moet toezicht houden op gewestelijke en locale gerechtsdienaars. Daarnaast blijft hij de vorst vertegenwoordigen in de hogere jurisdictie. Ook: drossaart. Kerstant van Wassenaer een soort goeverneur van Holland - is alzo genoemd in de registers van 1167 tot 1189. Hij staat ook genoemd in de registers : "Dapifer (latijn), hetgeen wil zeggen : hij die de delicate spijzen jomt aandragen. Kerstant stond aan de leiding van de Veiligheid aan het Hof en was intens betrokken bij veiligheid van de Prinselijke Residentie. Hij heeft af en toe gefunctionneerd als Rechter (hierbij verving hij dus de Graaf van Hoilland gedurende de "curia" van het Recht. Hij was een zeer belangrijke functionaris. Zijn zoon : Philips 1 van Wassenaar en Dirk van Wassenaar. De Fam. van Wassenaar "hernoemde" zich vanaf begin 1200 "Duivenvoorde". Dit heeft dan geduurd tot aan begin 1600, toen ze zich weer van Wassenaar gingen noemen. Drossaart (Dapifer)(Drost) van Holland; vermeld 1167-1189. De drost moet een van de belangrijkste functionarissen geweest zijn aan het hof van de graaf van Holland gedurende de twaalfde en de eerste helft van de dertiende eeuw. De latijnse titel luidt dapifer, hetgeen spijsdrager betekent. De drost stond aan het hoofd van de hofhouding en was daarbij betrokken bij het beheer van het domein. In de naburige graafschappen zien we dat hij tevens zorg draagt voor de bewaking van de vorstelijke residentie, soms treedt hij op als rechter en vervangt zelfs de graaf in de curia bij de rechtspraak, Hij krijgt geen kinderen.

Uit dit huwelijk 2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirk*1175 Wassenaar †1272 Heiloo 97
Philips I*1175 Voorschoten †1225  50



Bronnen:
1.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 76)
2.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 241)


Dirc Anthonisz Cranenburgh
in
Kwartierstaat van Fred Spaans

Dirc Anthonisz Cranenburgh, geb. in 1560,
, vermeld in 1580, 1581 en 1585 als Welgeborene van Rijnland.

Hij krijgt een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Huybert*1595 Hazerswoude †1670 Nieuwkoop 75


Halewine Willemsdr van Egmond
 
in
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Hans Willem Johan van der Wind
Kwartierstaat van Magda en Paul Breedveld
Kwartierstaat van Marinus Pannevis

Halewine Willemsdr (Hadwina, Heilwijf) van Egmond1,1,2,3, geb. circa 1252,
, vermeld 1266-1276.

  • Vader:
    Willem II van Egmond1, zn. van Gerard II van Egmond en Beatrix Woutersdr van Haarlem, geb. circa 1221, ovl. Egmond op 30 mrt 1304,
    , toen in 1242 zijn vader Gerard I van Egmond op nog jonge leeftijd kwam te overlijden was zijn zoon Willem II nog te jong om hem als leenman op te volgen. In de periode 1242-1248 zien we dan ook een Wouter van Egmond als voogd optreden. De leenrechterlijke leeftijd is 18 jaar. Deze Wouter van Egmond die we ook kennen onder de bijnaam Stoutkind wordt door Beelaerts van Blokland en Dek genoemd als derde en jongere broer van abt Lubbert van Egmond. Samen met Arnold, Nicolaas en Menzo zijn deze broers de zonen van Wouter van Egmond en kleinzonen van Gerard, een jongere broer van Willem I van Egmond.
    In de Regestenlijst van de abdij van Egmond wordt vermeld:
    37, 1248 October 8 (in crastino dedicationis ecclesie nostre)
    Lubbertus, abt van Egmonda, verklaart met toestemming van zijn kapittel de tiende in Wijnnem, welke Wilhelmus van Egmonde, heer Gerardusz, in pand had, in leen gegeven te hebben op dezelfde voorwaarde, als deze andere goederen van de abdij in leen had
    Willem was een zoon (broer) van Gerard van Egmont.
    Over zijn moeder bestaat onzekerheid: bronnen spreken over Beatrix van Haarlem én over Mabilia.
    Hij volgde in 1242 zijn vader (broer) op als heer van Egmond.
    Omdat hij op dat moment nog niet meerderjarig was, stond hij tot 1248 onder gezag van een regent, zijn achterneef Wouter "Stoutkind" van Egmont.
    Willem was gehuwd met Ada van Brederode (1222-1297).
    Het echtpaar had twee kinderen:
    Gerard (II) (1260?-1300), gehuwd met Elisabeth van Strijen
    Halewina, gehuwd met Hendrik van Cuyck, burggraaf van Leiden
    In 1258 stond hij de ambachten Oterleek, Ouddorp, Oudkarspel, Spanbroek en Wadeweij af aan graaf Floris V van Holland, in ruil waarvoor hij het ambacht Warmenhuizen in leen kreeg.
    Hij breidde zijn gebied ook uit door aankopen, onder meer van Huisduinen.
    Hij nam in 1282 deel aan een veldtocht van Floris V naar Friesland.
    Na de moord op Floris V in 1296 begeleidde hij de nieuwe graaf Jan I van Holland op een tocht naar Engeland, waar Jan ging trouwen met een dochter van de Engelse koning.
    Zijn vrouw Ada overleed in 1297 en zijn zoon Gerard in 1300.
    Bijgevolg werd hij na zijn overlijden in 1304 als heer van Egmont opgevolgd door zijn kleinzoon, Willem III, tr. (2) met Mabilia de Wael. Uit dit huwelijk een zoon, tr. (1) circa 1252.
 
 

tr. in 1266
met

Hendrik (Heilwijf) van Cuijck van burggaaf van Leiden1,1,2,3, zn. van Dirk van Cuijck (burggraaf van Leiden (1243)) en Christina Jacobsdr van Oestgeest burggravin van Leiden (vrouwe van Leiderdorp en Oegstgeest), geb. circa 1245, burggraaf van Leiden, ovl. op 12 jan 1319,
, Hendrick van Cuijck, geb. Leiden omstr. 1245, burggraaf van Leiden 1266-1319, heer van Leiderdorp en mogelijk van Oegstgeest, gaf heer Jacob van der Woude vroonland in Eslikerwoude in erfpacht 25 nov. 1284, ridder onder graaf Floris V (1285), vergezelde de Hollandse delegatie naar Engeland overzee 7 jan. 1298, overl. 12 jan. 1319, tr. omstr. 1275/80 Halewine van Egmond, geb. Egmond omstr. 1255 (dochter van Willem heer van Egmond 1248-1304) en Ada N.N.), vermeld 1266-1276, vermeld filia heer Willem van Egmond bij akte 15 mei 1276
In 1284 oorkondde hij dat burggraaf Jacob van Leiden zijn grootvader was geweest, dus als Dirck's zoon Hendrik uit [Christina] Jacobsdr. was geboren, dan moet het geweest zijn na 1251. Uit oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299 deel A : 20 juli 1251 nr. 894 Hendrik (=oudste broer van Dirk) heer van Kuyc staat aan Christina burggravin van Leyden toe dat de goederen die zij van hem in leen houdt, bij ontstentenis van een zoon op haar dochter vererven. "…si contigerit eam mori sine filio legitimo, filia sua legitima…….".

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Alveradis*1285     
Dirck II     
Willem II  †1321   



Bronnen:
1.Afgeschermd, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883
2.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 82)
3.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 189)


Grietge Anthonisdr Cranenburgh
Grietge Anthonisdr Cranenburgh, geb. in 1565.


Lijsbet Bruun Jacobs
in
Kwartierstaat van Lourens de Groot

Lijsbet Bruun Jacobs.

tr. in 1399
met

Claas Willemsz Cranenburgh (Niekolaas Willemsz, Claes Willemsz, Clais Willemsz), zn. van Willem ridder van Cranenburgh (Heer van Cranenburg Bleiswijk) en Yda Jans van Egmond, geb. in 1355, poorter van leiden, ovl. Lisse in 1445,
, Woont in Zoetermeer. Hij volgt daar mogelijk een opleiding aan het Klooster der Reguliere Kanunikken van de Orde van Sint Augustinus aan de westzijde van de Reguliersdam. Claas huwt NN en heeft mogelijk drie kinderen: Kerstijn Claas Willemszdr, Kerstant Willemsz en Claas Claas Willemsz. Claas Willemsz verhuist in 1381 naar Leiden, waar hij poorter wordt. Mogelijk is zijn vrouw in 1380 overleden. In 1399 huwt hij namelijk met Lijsbet Bruun Jacobs.
Er zijn redenen om aan te nemen dat Claas een zoon is van Willem van Cranenburg (geb. 1305) en NN van Egmond en dat hij is geboren op hofstede Cranenburg te Eikenduinen. Een heel belangrijke is wel, dat ene Jan Claesz in 1498 en 1499 voogd is van Elisabeth van Cranenburg, die aan het eind van haar leven is. De positie van voogd wordt in die tijd normaliter ingenomen door de oudste vertegenwoordiger van het geslacht waaruit de bevoogde voortkomt. Een Van Cranenburg dus. In die tijd komt Jan Claesz gezien zijn leeftijd zeker in aanmerking voor de rol van voogd. In 1498 treedt hij als zodanig op bij de overdracht van 16 morgen land te Borgersdijk aan Wouter Jansz. Deze moet haast wel een zoon zijn van Jan Claesz. Overdracht van leengoed geschiedt namelijk bij voorrang binnen familiaire kring. Wouter Jansz is naar het lijkt dezelfde als de Wouter Jansz die in Leiden woont en een zoon is van Jan Claes Willemsz uit Warmond. Deze Jan Claes Willemsz koopt in 1450 een hofstede in Warmond van zijn vader Claes Willemsz. Zeer waarschijnlijk is dit dezelfde als Claas Willemsz (van Cranenburg), die immers in Leiden heeft gewoond. In Warmond en Leiden wonen sinds de 15e eeuw vele Kranenburgs, die vrij zeker nazaten van hem zijn. Al met al mogen we daarom aannemen dat we hier te maken hebben met Claas Willemsz, Jan Claesz en Wouter Jansz van Cranenburg. De enige Willem van Cranenburg die zover bekend in de 14e eeuw heeft geleefd, is Willem van Cranenburg uit Bleiswijk. Hij bouwt in 1330 hofstede Cranenburg te Eikenduinen. In 1484 komt deze hofstede in bezit van genoemde Elisabeth van Cranenburg. In 1499 gaat de hofstede over aan Hubrecht van der Meer, echtgenote van Elisabeth. Jan Claesz is dan weer voogd voor Elisabeth. Als kleinzoon van Willem van Cranenburg en als oude clanlid is hij natuurlijk een aangewezen persoon in deze overdracht. Door zijn rol als voogd in dezen wordt duidelijk gemaakt dat de familie accoord gaat met de overdracht van het familiegoed aan een persoon van buiten de familiaire kring. In deze hele optiek moet Willem van Cranenburg dus wel de vader zijn van Claas Willemsz van Cranenburg. Na de dood van zijn vader in 1362 is Claas mogelijk verhuisd naar Willem van Egmond in Zoetermeer, die mogelijk een broer van zijn moeder is. Een andere optie is dat hij op hofstede Cranenburg te Eikenduinen bij Jan Engelbrechtsz van Cranenburg (gb 1310*) is blijven wonen en met hem in 1367 is meeverhuist naar Zoetermeer. Deze Jan is een broer van zijn vader, die in 1362-1367 is beleend met het hofstede Cranenburg. Claas is in 1362 net 7 jaar en dus nog te jong om de leen te krijgen. Als zijn oom Jan in 1367 verhuist naar Zoetermeer, is Claas waarschijnlijk meeverhuist. In dat jaar is Claas immers 12 jaar en nog steeds te jong om echt op eigen benen te staan. Om op Cranenburg Eikenduinen te blijven bij zijn neef Engelbert, de nieuwe leenman, zal voor de jonge Claas waarschijnlijk minder goed zijn geweest, dan met zijn oom Jan mee te verhuizen. Voor een goede zorg biedt een oude oom immers meer ervaring en en mogelijkheden, dan een jonge en minder ervaren neef. Jan Engelbrechtsz, oom van Claas, komt voor op een lijst met namen van inwoners van de regio Zoetermeer/Zegwaard, die zich vrijkopen van de plicht tot betaling van smartegeld, als een familielid doodslag pleegt. Het feit dat Jan op de lijst staat, betekent dat hij familieleden in de regio heeft en er als pater familias optreedt. Anders heeft de vrijkoping immers geen zin. Ook betekent het normaliter dat deze Jan Engelbrechtsz al op gevorderde leeftijd is, wil hij immers een pater familias zijn. Het feit dat Claas niet op de lijst Zoetermeer/Zegwaard staat, hoewel hij toch mogelijk al gehuwd is en zeker vermogend moet zijn, versterkt het vermoeden dat hij en zijn gezin inderdaad als familieleden van Jan Engelbrechtsz van Cranenburg worden beschouwd en derhalve onder de vrijkoping van Jan vallen. We mogen dus veronderstellen dat we hier inderdaad met een Claas Willemsz van Cranenburg te maken hebben. In 1381 wordt Claas poorter van Leiden. Dirk Poes Jansz van Leyden staat borg voor hem. Het geslacht Van Leyden hoort tot het patriciaat van de stad Leiden. In 1392 en 1393 staat Claas borg voor Jacob Oudelant, poorter van Leiden. Jacob hoort eveneens tot het patriciaat van Leiden en wordt door de burggraaf van Leiden (Filips V van Wassenaar) neef genoemd. In 1395 koopt Claas een huis aan de Burgsteeg*. Van 1395 tot 1415 exploiteert Claas mogelijk een kalkbranderij.
Op 13 mei 1397 erkent ene Claes Willemsz voor schepenen van Den Haag dat hij schuldig is aan Dirck Zijmonsz 'een eeuwigdurende jaarlijkse rente van 52 schellingen 6 penningen gaande uit zijn huis en erf aan de westzijde van het Spui, dat belent aan de noordzijde Claes Kobel en aan de zuidzijde Jonge cuyper, en dat hij van Dirck voornoemd in erfpacht verworven heeft'. Als het hier Claas Willemsz van Cranenburg betreft, dan moet hij dus nog een pand hebben aan het Spui in Den Haag. In die tijd een buurt voor notabelen. Het lijkt dus niet onmogelijk. Temeer nog daar hij uit het aangrenzend Eikenduinen en Zoetermeer komt. Het zou betekenen dat hij nog regelmatig in die contreien vertoeft.
Huwt in 1399* met Lijsbet Bruun Jacobs, dochter van Hendrik die Bruun Jacobsz. Deze Hendrik hoort tot het patriciaat van Leiden. Hij is schepen en landeigenaar en exploiteert een kalkoven. Hendrik is gehuwd met Hildegond, dochter van Pieter Josephsz. In de Pieterskerk Rekeningen, dit betreft rekeningen uit de 15e eeuw van de St Pieters Kerk te Leiden wordt gemeld dat in 1412 item Claes Willems s. ghelter toe XV s. Claas moet dus 15 schelling contributie bijbetalen aan de Pieters Kerk te Leiden. In 1413 is Claas Willemsz enige maanden kerkmeester van de Pieters Kerk te Leiden. Van 1413 tot 1416 is hij burgemeester van Leiden. Deze Pieterskerk Rekeningen schrijfven in 1413: Dit is dat Jan van Leyden, Florijs Heerman, Claes Willems soen ontvangen hebben van Sinte Pieters .. Doe woirden Florijs Heerman ende Claes Willems soen poirtmeesters ghecoren ende voir hem beyden worden kerckmeesters Reyner Kerstants soen ende Jan die Wit Jan Heermans soen, die voirt virwaerden mitten anderen twien tot tSinte Pieters daghe toe in den lenten int jair XIIIc ende viertien ..
Een poortmeester is een burgemeester. Pas vanaf 1452 spreekt men van burgemeesters. Tot 1452 spreekt men echter van poortmeesters. Uit de geciteerde tekst blijkt dat er twee poortmeesters zijn benoemd. Namelijk Florijs Heerman en Claas Willemsz. Voor hen beiden worden Reyner Kerstants en Jan de Wit Jan Heermansz dan tot kerkmeester benoemd. M.a.w.: Florijs Heerman en Claas Willemsz waren zelf eerst kerkmeesters, voordat ze zijn benoemd tot poortmeesters.
Het feit dat Claas in 1381 poorter van Leiden wordt en nu burgemeester is, wijst erop dat hij uit een aanzienlijk milieu komt en tot het patriciaat van Leiden hoort. Niet iedereen wordt in die tijd immers poorter (burger) van een stad, zeker niet wie buiten de stad geboren is. Het feit dat Claas ook nog burgemeester wordt, hoewel hij kennelijk niet in Leiden is geboren, wijst er verder op dat hij belangrijke realties heeft en dat hij over goede kwaliteiten beschikt. In een oorkonde in het Archief Familie Van Brienen van de Groote Lindt 1400-1927 uit 1430 (bnr 171, regest 3) wordt een Claes Willemsz genoemd als een belender van een akker land in ambacht Wassenaar. In een oorkonde in het Archief van de Tafel van de Heilige Geest 1339-1995 van datzelfde jaar (bnr 6, regest 211) wordt een Claes Willemsz als 'kerkmeester van Wassenaar' genoemd. En in een oorkonde uit hetzelfde archief van 1432 (bnr 6, regest 227) wordt een Claes Willemsz genoemd als een 'buur' (inwoner) van ambacht Zuydick (Zuidwijk), dat langs de Noordzee tussen Wassenaar en Haagambacht ligt. Zuidwijk en Wassenaar zijn zeer nauw met elkaar verbonden. Het Huis te Zuidwijk ligt in de ambacht Wassenaar en het dorp Wassenaar ligt in de ambacht Zuidwijk. Bovendien is Zuidwijk een bezit van de Van Wassenaars. Het kan nauwelijks anders dan dat we met een en dezelfde Claes Willemsz te maken hebben. En aangezien deze Claes Willemsz kerkmeester is van Wassenaar, mogen we aannemen dat we te maken hebben met Claas Willemsz uit Leiden. Ook hij was kerkmeester en wel van de Pieters Kerk te Leiden. Het feit dat hij in 1430 dezelfde functie heeft, maar dan in Wassenaar, geeft aan dat hij over goede relaties met de Van Wassenaars beschikt. Het zijn immers de Heren van Wassenaar die de kerkfunctionarissen benoemen en zij zullen dat natuurlijk alleen doen als zij iemand goed kennen en vertrouwen. Hun burcht schijnt trouwens vlakbij de kerk van Wassenaar te staan, zodat we mogen aannemen dat Claes Willemsz door de Van Wassenaars gekend is. Opmerkelijk is dat ene Mouwerijn Willemsz Van Leyden op 20 december 1430 te Leiden de St Mauritiusvicarie sticht en op dezelfde dag 11 hont land in Zuidwijk overdraagt aan zijn vicarie. Bedienaar wordt zijn zoon Mr Simon Mouwrijnsz. De collatie is bedoeld voor het wettig nageslacht van zijn vader burggraaf Willem van Leyden. Mouwerijn Willemsz overlijdt te Leiden in 1451. Het heeft er alle schijn van dat Mouwerijn Willemsz en Claas Willemsz met elkaar te maken hebben. Vreemd is alleen dat Mouwerijn Willemsz nadrukkelijk Van Leyden wordt genoemd en Claas Willemsz niet. Bovendien komt Claas uit Zoetermeer. Er kan dus een andere realiteit mogelijk zijn. Bijvoorbeeld via de burggraven van Leiden waaruit het geslacht Van Wassenaar cq Van Cranenburg voortkomt. In ieder geval is er een relatie tussen Claas Willemsz en het geslacht Van Leyden. Het is immers Dirk Poes Jansz van Leyden die borg staat voor Claas als hij poorter van Leiden wordt. Na enige jaren in ambacht Zuidwijk te hebben gewoond, moet Claas Willemsz kennelijk weer zijn teruggekeerd in Leiden. In 1444 wordt namelijk ene Claes Willemsz door de schepenen van Leiden veroordeeld wegens beledigen van de H. Sacrament. Zijn rechterhand wordt afgehakt en hij wordt verbannen op straffe van dood. Mogelijk vlucht hij naar Lisse, waar rond die tijd een Claas Willemsz woont. Deze Claas is mogelijk de vader van Matheus Claesz Cranenburgh. Matheus wordt voor het eerst vermeld op 10.9.1444 als leenman van Huys Dever te Lisse. Nazaten van hem voeren de naam (van) Cranenburgh. Er mag dus verondersteld worden dat Claas met nog andere (i.b. thuiswonende) gezinsleden is uitgeweken naar Lisse, waar ze een nieuw bestaan zijn gaan opbouwen. De mogelijkheid dat Claas Willemsz naar Lisse vlucht, is zeer reëel. Zijn naam wordt immers verder in Lisse nergens meer genoemd. Gezien zijn status zou hij er toch een publieke rol hebben moeten vervullen en ergens genoemd moeten zijn, als hij er vóór 1444 zou hebben gewoond. Het feit dat hij er in en na 1444 niet wordt genoemd, zal natuurlijk te maken hebben met zijn leeftijd en zijn straf in Leiden, die hem mede ernstig verminkt heeft. Dit zullen ook de redenen zijn waarom hij er niet lang meer zal hebben geleefd. Zoon Matheus Claesz wordt pas in 1444 genoemd bij een koop in Lisse 'na opdracht uit eigen' van 2 hont land genaamd Vrancken Hofstede. In het jaar dus dat Claas Willemsz uit Leiden is verbannen. Vóór dat jaar is van deze Matheus geen informatie te vinden in Lisse. Hij is al ruim 50 jaar en dan zou hij toch wel eerder genoemd kunnen zijn in een acte. Twaalf jaar later, in 1456, doet hij de hofstede over aan zijn zoon Vranck. Ook bij Matheus lijkt het dat hij pas laat in Lisse wordt genoemd en kennelijk vóór 1444 ergens anders woont. Vrancken Hofstede beslaat slechts 2 hont land. Verder worden geen kopen of lenen genoemd omtrent 1444 in Lisse op naam van Claas of Matheus. Twee hont land is natuurlijk erg weinig om echt te boeren. Al met al ziet het er naar uit dat Claas Willemsz met zoon Matheus Claesz, kleinzoon Vranck Matheusz en mogelijk nog andere gezinsleden in 1444 naar Lisse vlucht, waar zoon Matheus op 10 september de hofstede koopt met het primaire doel om er te wonen. Korte tijd later moet Claas daar zijn gestorven, gezien zijn leeftijd en ernstige verminking. Waarom Claas naar Lisse uitwijkt, is vooralsnog niet bekend. Tussen Leiden en Lisse bestaan echter van oudsher nauwe banden. Lisse is erg gericht op Leiden en verkoopt veel tuinbouwproducten aan Leiden, zoals groenten, aardappels, kruiden, bloemen en zaden. Maar ook kaas en boter. Verder houdt de Leydsche Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde somtijds er de jaarlijkse vergadering en houden de Leidse studenten regelmatig hun feesten in Lisse. Misschien is Lisse daarom bekend terrein voor Claas en dezijnen. Samen met de economische kansen in Lisse en niet ver van familie en vrienden, kan dat de reden zijn waarom zij zich aldaar zijn gaan vestigen. Een andere belangrijke factor die kan hebben meegespeeld bij het besluit van Claas Willemsz om te vluchten naar Lisse, is Dirc van Oosterwyck. Deze Dirc heeft familie op Huys Dever te Lisse, van wie Matheus Claesz de Vrancken Hofstede te Lisse koopt. Dirc Oosterwyck is een Leids patricier en het kan dus niet anders dan dat Claas Willemsz hem kent. Mogelijk heeft deze Dirc Oosterwyck Claas Willemsz getipt over de mogelijkheden van Lisse en ook bemiddeld bij de koop van Vrancken Hofstede door Matheus Claesz. Dirc Oosterwyck zelf woont sinds 1445* mogelijk zelf op Huys Dever, omdat zijn nicht Clara (leenvrouwe van Dever) en haar man elders wonen. In 1461 wordt Dirc in ieder geval pastoor van Lisse.
Of Claas Willemsz de auteur is van het dichtbundel 'Der Minne Loep' is niet absoluut zeker, maar het feit dat hij in Zoetermeer heeft gewoond, doet dat wel vermoeden. In Zoetermeer is namelijk een Kamer van Rethorica gevestigd met het wapen 'De Witte-Meerbloem' en de spreuk 'Met zoetheid meer'. Het is juist de tijd van de opkomst van kamers van rethorica, met name in Holland. Deze kamers van de Rederijkers houden zich bezig met de dichtkunst, literatuur en geloof. Ze staan erg open voor de nieuwe, protestante denkbeelden, waardoor ze voor de gevestigde orde nogal suspect worden. Verscheidene Rederijkers belanden op de brandstapel. De kritiek van Claas op het H. Sacrament past goed bij een Rederijker en versterkt daarmee het vermoeden dat hij Rederijker is en lid is (geweest) van de Kamer van Rethorica in Zoetermeer. Meer echter passen zijn opvattingen in dezen bij het religieus spiritualisme en de Broeders van de Vrije Geest. Gezien de straf die hij krijgt, moet hij wel sterk onder invloed hebben gestaan van deze stroming. Misschien is hij er zelfs een actief lid van geweest. Het dichtbundel 'Der Minne Loep' wordt 1486 (postuum) gepubliceert. Het handelt over de diverse graden van liefde (minne). De liefdes die erin beschreven worden, zijn merendeels ontleend aan oude fabels, maar ook werkelijke gevallen uit latere tijd. De auteur onderzoekt in welke graad van liefde de minnaars tot elkaar staan. Zo onderzoekt hij de liefde tussen Floris IV, graaf van Holland, en de gravin van Clermont. Floris wordt in 1234 tijdens een steekspel te Corbie vermoord. Claas Willemsz classificeert zijn liefde voor de gravin als 'minne van de eerste graad', wat betekent dat het liefde op afstand is, zonder werkelijk persoonlijk contact. Het werk van Claas Willemsz is alleen bekend door de vele citaten door latere schrijvers en dichters, oals Huydecooper, De Vries, Willems en Bilderdijk. De auteurrechten van 'Der Minne Loep' belanden uiteindelijk bij de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde te Leyden. Al met al lijkt Claas Willemsz uit een zeer goed milieu te komen, dat tot de aanzienlijken van die tijd gerekend moet worden. Claas is goed opgeleid en staat open voor nieuwe opvattingen. Dat hij niet op de brandstapel belandt, maar dat 'slechts' zijn rechter hand wordt afgehakt en dat hij wordt verbannen uit Leiden, moet in die woelige tijd betekenen dat hij over machtige relaties beschikt, die hem willen sparen. Voor de meeste critici van het oude, katholieke geloof is in die tijd de brandstapel weggelegd. Door voor Leiden te kiezen en daar als poorter geaccepteerd te worden en later zelf burgemeester te zijn, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat hij (mede door zijn afkomst) voor de burggraaf van Leiden een bekende is. De burggraven die daarvoor in aanmerking komen, zijn Filips V van Wassenaar (ovl. 1427) en Jan I van Wassenaar (ovl. 1445). De benoeming van Claas tot kerkmeester van Wassenaar in 1430 bevestigt de veronderstelling dat hij een goede relatie heeft met de Van Wassenaars. Het feit dat Jan I van Wassenaar en Jan Engebrechtsz van Cranenburg (tijdgenoten) mogelijk het zelfde familiewapen voeren (zwart veld met drie zilveren wassenaars) geeft aan dat er een goede relatie tussen Claas Willemsz en de Van Wassenaars moet kunnen hebben bestaan binnen een familiair kader. Jan Engelbrechtsz van Cranenburg is immers mogelijk een oom van Claas Willemsz, die Claas na zijn vaders dood onder zijn hoede heeft genomen.
Familiaire relaties vormen een belangrijke voorwaarde voor maatschappelijk succes, zeker in de tijd van Claas Willemsz. De Van Wassenaars plaatsen vele clanleden op belangrijke posities om hun eigen macht te versterken en hun toekomst te verzekeren. In deze optiek is het goed denkbaar dat Claas Willemsz tot die clan behoort. Hij wordt poorter, burgemeester en kerkmeester. Dat kan alleen met goede assets. Horend tot de clan van de burggraaf is in dit geval wel een zeer belangrijke asset. Als Claas Willemsz inderdaad tot de clan van de burggraaf hoort, i.c. tot de clan van de Wassenaars, dan is het interessant te weten wie z'n vader is. Op grond van de huidige gegevens lijkt Willem van Cranenburg (geb. 1300) uit Eikenduinen de grootste kanshebber. Willem is een nazaat van de Van Wassenaars en een neef van Filips IV, burggraaf van Leiden. Hij kan qua leefperiode en regio heel goed de vader van Claas zijn. Het is dan alleen de vraag wat Claas Willemsz in Zoetermeer doet. Hij moet rond de 26 jaar zijn als hij in Leiden komt en poorter wordt. Voor iemand van zijn leeftijd en nivo lijkt het daarom mogelijk dat hij in Zoetermeer in het klooster van de Orde der Reguliere Kanunikken heeft vertoeft en wel zeer waarschijnlijk voor een gedegen opleiding. Het klooster stond aan de westzijde de Reguliersdam, de bijbehorende kerk stond daarentegen aan de oostzijde.
De Augustijne Orde is wereldlijk en filosofisch ingesteld, dankzij hun grondlegger de H. Augustinus. Mogelijk heeft deze orde de basis gelegd voor de kritische instelling van Claas Willemsz. Daarnaast kan Claas in Zoetermeer lid zijn geweest van de Kamer van Rethorica 'De Witte Meer-bloem', die zijn kennis en bekwaamheden verder hebben ontwikkeld.
Er zijn drie wapens die in aanmerking komen om door Claas Willemsz te zijn gevoerd.
1. Conform het boek De Friese Wassenaars, voert Claes mogelijk het wapen van het geslacht Van Wassenaar: drie wassenaars 2-1 geplaatst. De kleuren zijn vooralsnog onbekend, maar waarschijnlijk zijn ze de variant van het geslacht Van Cranenburg: op een zwart veld drie zilveren wassenaars (2-1).
2. Mogelijk is Claas Willemsz ook de bedenker van het wapen van Cranenburg Egmond: op een veld van goud vier rode kepers met in het rechter vrijkwartier: op een veld van azuur een zilveren kraanvogel met een steen in een opgeheven poot.
3. Een derde optie is het wapen zoals afgebeeld op de grafsteen van Wijbrandus Kranenborg in de NH Kerk van Wedde (Gro): een huis met drie puntgevels en ramen en op het dak een gans.
Het kan zijn dat Claas Willemsz elk wapen in een bepaalde levensfase heeft gevoerd. Oorspronkelijk wapen 1, dan wapen 2 en tot slot wapen 3. Wapen 2 kan erop duiden dat de moeder van Claas Willemsz uit het geslacht Van Egmond voortkomt. Wapen 3 heeft mogelijk te maken met de sympathien van Claas Willems voor de Hussieten sinds het begin van de 15e eeuw.
Kinderen*: Jan Claes Willemsz, Matheus Claesz, Willem Claesz, Claas Claas Willemsz, Jacob Claasz, Reynout Claasz en Kerstijn Claas Willemszdr, relatie. Hij krijgt een zoon


Jacoba van Wassenaer
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Lourens de Groot

Jacoba van Wassenaer.



Bronnen:
1.Ons Voorgeslacht (OV 006), OV 006 (blz. 75)
2.Oorkondenboek van Holland en Zeeland van 1222 tot 1256, deel 2 (B 045), Oorkondenboek van Holland en Zeeland II, Dr. J.G. Kruisheer, van Gorcum, Assen, 1986 (blz. 90)


Badeloge van Wassenaer
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Lourens de Groot

Badeloge van Wassenaer1.

tr.
met

Gerrit van Oestgeest1, zn. van Heer Dirck van Oegstgeest ridder en Yde Willemsdr Teylinghen,
, vermeld 1284.

Bronnen:
1.Het Leidse geslacht van Oestgeest (B 037), Arnold Zuiderent, Nederlandse Leeuw 2022, 2022 (blz. 20)
2.Ons Voorgeslacht (OV 006), OV 006 (blz. 75)
3.Oorkondenboek van Holland en Zeeland van 1222 tot 1256, deel 2 (B 045), Oorkondenboek van Holland en Zeeland II, Dr. J.G. Kruisheer, van Gorcum, Assen, 1986 (blz. 90)


Willem van Wachtendonck
Willem van Wachtendonck,
, vermeld in 1481 te Barneveld.



Bronnen:
1.Europäische Stammtafeln.-(). Neue Folge (ES-NF 12), Detlev Schwennicke, Stargardt, Marburg [Duitsland], 1986


Lambertus Keereweer
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Fred Spaans

Lambertus Keereweer, geb. Leiden op 21 feb 1799, ged. Leiden (Hooglandse Kerk) op 21 feb 1799, bloemist, boomsnoeier, ovl. Leiden op 5 jun 1869.

tr. Leiden op 12 aug 1824
met

Catharina Brijnen, geb. Leiden op 16 jan 1805.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Hermanus*1841 Leiden †1922 Leiden 80


Johanna Jacoba Linschoten
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Fred Spaans

Johanna Jacoba Linschoten, ged. Leiden (Pieterskerk) op 24 jan 1810 (getuige: Johanna Jacoba Kokkedee), ovl. Leiden op 17 mei 1813.



Bronnen:
1.Schepenhuwelijken Leiden (T 219), RA Leiden, DTB Leiden 1004, inv. nr. 197, 211 A, Leiden, van 1795 tot 1811 (11 mei 1798 blz. 247)


Abraham Mahie
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek

Abraham Mahie (Mahieuw, Majenne, Maej, Majue, Maij, Miju), ged. Leiden (Marekerk) op 8 jan 1679 (getuigen: Jan le Mahieu en Marijtje Mahieu), vlaker, woonde Nieuwe Voldersgraft Leiden in 1701.

otr. Leiden op 3 dec 1701 (getuigen: zijn broer en haar zwager Johannes le Mahieuw en zijn broer en haar zwager Johannes le Mahieuw)4, tr.
met

Janneke (Jannitje) la Mair (le Mair, la Maar, Lamar, Lamear, Lamaer, Lamair, Lemair, Liemaer, Liemer, le Main, Lemain, le Man, Lemaar, Lemaer, le Mer, Leman), dr. van Jacob la Mair (lakenwerker) en Aeghje Jacobsdr Pagot (Bage), ged. Leiden in het gasthuis gedoopt op 6 jul 1681 (getuigen: Hendrik Smit en Maria Gerrits van den Ham), Vestestraat te Leiden, woonde Oude Vest Leiden in 1701.

Uit dit huwelijk 8 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Aagje*1704 Leiden (Marekerk) †1776  7210 
Lijsbeth~1705 Leiden (Hooglandse Kerk)    
Jannetje~1707 Leiden (Pieterskerk) †1709  1
Jannetje~1709 Leiden (Pieterskerk)    
Joannes~1709 Leiden (Pieterskerk) †1710  1
Joannes~1710 Leiden (Hooglandse Kerk)    
Jacob~1712 Leiden (Hooglandse Kerk)    
Maria~1715 Leiden (Marekerk)    



Bronnen:
1.K.O. register Y Leiden (T 080), RA Leiden, DTB Leiden, Y 23, NH, Leiden, van 1682 tot 1686 (6 feb 1682 blz. 8)
2.K.O. register AA Leiden (T 130), RA Leiden, DTB Leiden, AA 25, NH, Leiden, 1692 (20 sep 1692 blz. 172)
3.K.O. register V Leiden (T 139), RA Leiden, DTB Leiden, V 20, NH, Leiden, 1670 (21 apr 1671 blz. 83)
4.K.O. register CC Leiden (T 046), RA Leiden, DTB Leiden, CC 27, Ned. Herv., Leiden, van 1698 tot 1702 (3 dec 1701 blz. 244)


Janneke la Mair
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Fred Spaans

Janneke (Jannitje) la Mair (le Mair, la Maar, Lamar, Lamear, Lamaer, Lamair, Lemair, Liemaer, Liemer, le Main, Lemain, le Man, Lemaar, Lemaer, le Mer, Leman), ged. Leiden in het gasthuis gedoopt op 6 jul 1681 (getuigen: Hendrik Smit en Maria Gerrits van den Ham), Vestestraat te Leiden, woonde Oude Vest Leiden in 1701.

otr. Leiden op 3 dec 1701 (getuigen: zijn broer en haar zwager Johannes le Mahieuw en zijn broer en haar zwager Johannes le Mahieuw)1, tr.
met

Abraham Mahie (Mahieuw, Majenne, Maej, Majue, Maij, Miju), zn. van Jan le Mahieu (greinwerker) en Elisabeth del Voy, ged. Leiden (Marekerk) op 8 jan 1679 (getuigen: Jan le Mahieu en Marijtje Mahieu), vlaker, woonde Nieuwe Voldersgraft Leiden in 1701.

Uit dit huwelijk 8 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Aagje*1704 Leiden (Marekerk) †1776  7210 
Lijsbeth~1705 Leiden (Hooglandse Kerk)    
Jannetje~1707 Leiden (Pieterskerk) †1709  1
Jannetje~1709 Leiden (Pieterskerk)    
Joannes~1709 Leiden (Pieterskerk) †1710  1
Joannes~1710 Leiden (Hooglandse Kerk)    
Jacob~1712 Leiden (Hooglandse Kerk)    
Maria~1715 Leiden (Marekerk)    



Bronnen:
1.K.O. register CC Leiden (T 046), RA Leiden, DTB Leiden, CC 27, Ned. Herv., Leiden, van 1698 tot 1702 (3 dec 1701 blz. 244)


Jacob Mahie
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Fred Spaans

Jacob Mahie, ged. Leiden (Hooglandse Kerk) op 10 mei 1712 (getuigen: Jacob Lamaar en Jakomijntje Lamaar), doopgetuige van zijn neef Jacob Duk Leiden (Hooglandse Kerk) op 5 jan 1749.

tr.
met

Trijntje van der Steen, doopgetuige van haar neef Jacob Duk Leiden (Hooglandse Kerk) op 5 jan 1749.

Bronnen:
1.K.O. register CC Leiden (T 046), RA Leiden, DTB Leiden, CC 27, Ned. Herv., Leiden, van 1698 tot 1702 (3 dec 1701 blz. 244)


Trijntje van der Steen
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Fred Spaans

Trijntje van der Steen, doopgetuige van haar neef Jacob Duk Leiden (Hooglandse Kerk) op 5 jan 1749.

tr.
met

Jacob Mahie, zn. van Abraham Mahie (vlaker) en Janneke la Mair, ged. Leiden (Hooglandse Kerk) op 10 mei 1712 (getuigen: Jacob Lamaar en Jakomijntje Lamaar), doopgetuige van zijn neef Jacob Duk Leiden (Hooglandse Kerk) op 5 jan 1749


Lijsbeth Mahie
in
Kwartierstaat van Cees Hagenbeek
Kwartierstaat van Fred Spaans

Lijsbeth Mahie (Majenne), ged. Leiden (Hooglandse Kerk) op 19 nov 1705 (getuigen: Lodewijk Herreberg en Catelijn Maartens).



Bronnen:
1.K.O. register CC Leiden (T 046), RA Leiden, DTB Leiden, CC 27, Ned. Herv., Leiden, van 1698 tot 1702 (3 dec 1701 blz. 244)