Genealogische website van Cees Hagenbeek
Albert van Cuyck
Albert van Cuyck, geb. circa 1140, bisschop van Luik (1195-1200), ovl. circa 1200.

  • Vader:
    Herman van Cuyck van Malsen, zn. van Hendrick I graaf van Cuyck van Malsen (vermeld 1096-1108, burggraaf van Utrecht, heer van Cuijk) en Alveradis gravin van Hochstaden (vermeld 1108-1131), geb. circa 1100, ovl. circa 1168,
    , vermeld 1121-1167, leenman van Holland 1137, (stads)graaf van Utrecht, voogd van St. Servaas te Maastricht 1146, Heer van Cuijk en Grave, stadsgraaf van Utrecht. Citaat in  "De heren van Kuijc 1096-1400, door dr J.A. Coldeweij, blz. 30: "Een huwelijk van Herman is in geen enkele bron terug te vinden. Om de identiteit van zijn vrouw vast te stellen, moet men, bij gebrek aan bronnen, andere wegen bewandelen. In verband met het feit dat Herman van Kuijc aan een jongere (tweede?) zoon de naam Albert gaf, heeft Hardenberg gedacht aan een huwelijk met een dochter van Albert van Chiny. Tot dusver ondernomen onderzoek laat zien dat er bloedverwantschap bestaat met leden van het geslacht van de graven van Henegouwen, die met het huis Namen verwant waren. Daar komt nog bij dat de naam Albert zowel bij de graven van Namen als bij met hen verwante geslachten zoals Laroche, Durbuy en Chiny, manifest zijn.", tr. circa 1130.
 


Rutger/Rogier van Cuyck
Rutger/Rogier van Cuyck, geb. circa 1200, heer van Herpen, vermeld 1226-1264, ovl. voor 1268.

  • Vader:
    Albert (Albrecht) ridder van Kuyc (Albert van Kuyc, van Cuijck, van Cuyk)1, zn. van Hendrik II graaf van Cuyck (burggraaf van Utrecht) en Sophia van Rhenen (van Herpen) (erfdochter van Herpen, vermeld 1191-1203), geb. Cuijk circa 1177, ridder, vermeld 1191-1233, Heer van Cuyk en Grave 1204-1233, van Herpen, Merum en half Asten 1220, ovl. Asten in 1233,
    , Getuige bij een schenking van het allodium Herpen aan de Brabantse hertog 1191, heer van Cuyc en Grave 1204-1233, heer van Herpen, Merum en half Asten 1220-1233, stadsgraaf van Utrecht tot 12-3-1220, verkocht zijn rechten voor 200 pond Utrechts, leenman van de bisschop van Utrecht voor het hoge en lage gerecht van Gasperde en Everdingen, tr. circa 1195.
 

tr. (1) circa 1230
met

Maria? van Diest, dr. van Arnold III van Diest en Aleidis van Hengebach,
, zij is een zuster van bisschop Jan van Diest.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
A(leid)*1230 Cuijck †1270  40
Hendrik  †1268   
Albert  †1279   

tr. (2)
met

Elisabeth van Boxtel, dr. van Willem van Boxtel, erfdochter van Boxtel,
, de Boxtelse geschiedschrijving begint in de 11e eeuw, als de 1e vermeldingen van de Boxtelse Heren in de archieven opduiken. Boxtel is dan een Rijksleen, waar de Heer, later Baanderheer of Baron genoemd, rechtstreeks onder de Duitse Keizer staat. Tot 1439 handhaaft Boxtel deze status van Rijksonmiddellijke Baronie: een ‘staatje in de staat’, onafhankelijk van het Hertogdom Brabant. Vanaf 1439 is Boxtel een Brabants leen, tot de Franse tijd met de titel Baronie. De 1e Heren van Boxtel woonden niet op het kasteel, maar vermoedelijk op de plek waar nu de Petruskerk staat. Later werd Stapelen de nieuwe residentie van de Heren van Boxtel als voogden van het keizerlijk domein.  Met het huwelijk van Willems erfdochter Elisabeth met Rutger van Cuyk gaat de Heerlijkheid Boxtel over naar de Heren Van Cuyk. Hun jongste zoon Willem II huwt met Maria van Diest. Voor zijn heldhaftig optreden bij de slag van Woeringen in 1288 wordt hij tot ridder geslagen en krijgt hij het beheer over Stapelen. Daarmee raakt zijn wapen met Boxtel verbonden.

Bronnen:
1.Floris V, een politieke moord in 1296 (B 207), Prof. dr. E.H.P. Cordfunke, Walburg Pers, Zutphen, 2011 (blz. 69)


Willem van Cuyck
Willem van Cuyck, heer van Escharen en half Asten, ovl. voor 1240,
, posthuum vermeld in 1282.

  • Vader:
    Albert (Albrecht) ridder van Kuyc (Albert van Kuyc, van Cuijck, van Cuyk)1, zn. van Hendrik II graaf van Cuyck (burggraaf van Utrecht) en Sophia van Rhenen (van Herpen) (erfdochter van Herpen, vermeld 1191-1203), geb. Cuijk circa 1177, ridder, vermeld 1191-1233, Heer van Cuyk en Grave 1204-1233, van Herpen, Merum en half Asten 1220, ovl. Asten in 1233,
    , Getuige bij een schenking van het allodium Herpen aan de Brabantse hertog 1191, heer van Cuyc en Grave 1204-1233, heer van Herpen, Merum en half Asten 1220-1233, stadsgraaf van Utrecht tot 12-3-1220, verkocht zijn rechten voor 200 pond Utrechts, leenman van de bisschop van Utrecht voor het hoge en lage gerecht van Gasperde en Everdingen, tr. circa 1195.
 

tr. circa 1235
met

Beatrix van Diest, dr. van Arnold III van Diest en Aleidis van Hengebach, geb. circa 1210, Vrouwe van Asten en Esseren, ovl. in nov 1282, tr. (2) circa 1240 met Willem de Rovere van Stakenborgh, zn. van Gerlach de Roovere, heer van Lieborg, Stakenborgh in Someren, heer van Lierop, ovl. na 12 feb 1292,
, Hij schonk in 1266 enige hoeven en de molen en het gemaal te Someren aan Postel. Uit dit huwelijk een zoon.

Uit dit huwelijk 4 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Arnold I  †1282   
Aleidis     
Wilhelm  †1308   
Beatrix?     



Bronnen:
1.Floris V, een politieke moord in 1296 (B 207), Prof. dr. E.H.P. Cordfunke, Walburg Pers, Zutphen, 2011 (blz. 69)


Petronella (Alix) van Poitou
Petronella (Alix) van Poitou, geb. circa 1125, ovl. na 24 okt 1153.

tr.
met

Raoul I graaf van Vermandois, zn. van Hugo "de Grote" van Vermandois en Adela van Vermandois, geb. circa 1085, 1120 graaf van Vermandois, ovl. op 14 okt 1152.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Raoul II*1145  †1167  22
Elizabeth*1143  †1182  39
Eleonora*1152  †1221  69


Aleidis/Margaretha ? van Cuyck
Aleidis/Margaretha ? van Cuyck1, ovl. circa 1240,
, De naam van de echtgenote van Gijsbrecht III vam Amstel wordt nergens expliciet vermeld.  Van Spaen, in zijn “Historie der Heeren van Amstel, van IJsselstein en Mijnden”, vermeldt op blz. 30: “Alleen uit eene verklaring, door Floris van Oegstgeest in 1364 gegeven, verneemt men, dat de Heer van Amstel en zijn broeder Willem, Proost van S. Jan, moeije kinders waren van zijnen vader Heer Willem van Oegsgeest, Ridder; derhalve is waarschijnlijk de vrouw van Gijsbrecht den III, uit het geslacht van Oegstgeest gesproten”. Als bron vermeldt Van Spaen: Mieris III, 172. Zie voorts J.A.Coldeweij, “De heren van Kuijc 1096-1400”, blz. 88-90. Uit de verklaring van 1364 blijkt voorts dat burggraaf Hendrik van Leiden (Kuyc) een oom was van Floris van Oegstgeest. Uit het feit dat in de verklaring slechts sprake is van Gijsbrecht IV en Willem van Amstel, concludeert Coldeweij dat deze Arnoud uit een ander huwelijk stamt, waarbij Coldeweij, gezien de naam Arnold (van IJsselstein),  denkt aan een huwelijk met een dochter van  Arnold II van Heusden. Echter zou in dat geval, zoals G.J.J. van Wimersma Greidanus in zijn “Kwartieren Greidanus-Jaeger in stamreeksen” op blz. 690 vermeldt, huwelijksdispensatie nodig zijn geweest voor het huwelijk tussen Gijsbrechts’ kleinzoon Gijsbrecht (zoon van Arnold van IJsselstein) met Bertha van Heukelom. Greidanus blijft echter  het huwelijk van Gijsbrecht IV van Amstel met een dochter uit het huis Van Heusden vermelden, waarbij zoon Arnold dan als moeder de dochter van de heer van Kuyc zou hebben. Ik denk echter dat, gezien de terechte opmerking van Greidanus over de  noodzakelijke huwelijksdispensatie voor diens kleinzoon, er helemaal geen huwelijk is geweest tussen Gijsbrecht III van Amstel met een Van Heusden. Coldeweij heeft dat slechts gesuggereerd omdat Floris van Oegstgeest in 1364, dus bijna 100 jaar na dato (!), alleen gewag maakt van Gijsbrecht en Willem van Amstel en niet van hun broer Arnold. Behalve het feit dat Floris zijn uitspraak bijna 100 jaar na dato deed, en dus zeker niet volledig in zijn uitspraak hoeft te zijn, verzuimde hij ook de zuster Elisabeth van Amstel te vermelden; weliswaar een zuster, maar dan wel één die met de bekende Herman VI van Woerden was gehuwd. Dit is een duidelijk voorbeeld hoe e.e.a. een eigen leven kan gaan leiden. Een ander  huwelijk van Gijsbrecht IV waaruit Arnold zou stammen blijft natuurlijk (vooralsnog) tot de mogelijkheden behoren.

  • Vader:
    Albert (Albrecht) ridder van Kuyc (Albert van Kuyc, van Cuijck, van Cuyk)1, zn. van Hendrik II graaf van Cuyck (burggraaf van Utrecht) en Sophia van Rhenen (van Herpen) (erfdochter van Herpen, vermeld 1191-1203), geb. Cuijk circa 1177, ridder, vermeld 1191-1233, Heer van Cuyk en Grave 1204-1233, van Herpen, Merum en half Asten 1220, ovl. Asten in 1233,
    , Getuige bij een schenking van het allodium Herpen aan de Brabantse hertog 1191, heer van Cuyc en Grave 1204-1233, heer van Herpen, Merum en half Asten 1220-1233, stadsgraaf van Utrecht tot 12-3-1220, verkocht zijn rechten voor 200 pond Utrechts, leenman van de bisschop van Utrecht voor het hoge en lage gerecht van Gasperde en Everdingen, tr. circa 1195.
 

tr. circa 1220
met

Gijsbrecht III van Amstel1, zn. van Gijsbrecht II van Amstel en NN van Schalkwijk, geb. circa 1200, ovl. voor 22 nov 1254,
, Heer van Amstel, ministeriaal van de bisschop van Utrecht, ridder. Getuige voor de elect Otto in 1238 (samen met zijn vader), 1239  , 1240, mogelijk ook in 1241, 1244 (2x); in 1245 verkoopt Gijsbrecht van Vechten 12 morgen land bij Amelisweerd, welke hij in leen van Gijsbrecht van Amstel en in achterleen van de bisschop houdt, aan de abdij van Oostbroek en hij zal ze de abdij in volle eigendom overdragen zodra het leenverband is opgeheven; belooft in 1247 aan de voogd, de raden en de gemeente van Lubek zijn medewerking om aan hun medeburgers, die in de strijd tegen de rover Markward Culen gewond zijn, hun schade te doen herstellen en verzoekt daarentegen aan zijn mannen hun kogge te doen teruggeven; in 1247 getuige als de rooms-koning Willem zekere bij Delft gelegen landerijen aan zijn tante Richarda geeft en deze ze vervolgens  aan de Duitse orde schenkt; getuige voor het kapittel van Oudmunster te Utrecht in 1247; in 1249 getuige voor de echtgenote van Gijsbrecht van Ruwiel en in 1248/49 onder de zegelaars voor Gijsbrecht van Ruwiel, tr. (2) na 1240 met Bertrade (Baarte) van Bensschop en IJsselstein. Uit dit huwelijk een zoon.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Gijsbrecht IV*1235     
Elizabeth  †1296   
Willem*1235  †1292  57



Bronnen:
1.Floris V, een politieke moord in 1296 (B 207), Prof. dr. E.H.P. Cordfunke, Walburg Pers, Zutphen, 2011 (blz. 69)


Beatrix van Diest
Beatrix van Diest, geb. circa 1210, Vrouwe van Asten en Esseren, ovl. in nov 1282.

  • Vader:
    Arnold III van Diest, zn. van Arnoud II Otto van Diest (heer van Diest) en Clementia Arnoud van Wesemaele, ovl. na 5 sep 1245,
    , Rond 1202 volgde Arnold III zijn vader op. Hij huwde Aleidis von Hengebach, dochter van Eberhard [II] von Hengebach & en zijn vrouw von Jülich (Gulik) overleden in 1230 en begraven in abdij van Averbode.
    Uit dit huwelijk werden geboren: Arnold IV, zijn opvolger; Geraard van Diest,de eerste afzondelijke heer van Zelem, die vroeg moet overleden zijn daar zijn echtgenote Lutgarda reeds weduwe was in 1281, uit dit huwelijk werd een zoon geboren,Arnout van Diest, Heer van Zelem, die in de slag van Woeringen de dood vond, deze jongere Arnout was kinderloos. Evrard, provoost van Deventer, en een dochter gehuwd met Godfried IV, heer van Breda, die in zijn testament van het jaar 1246 aan Arnold heer van Diest (die hij zijn broer noemde), een rente van duizend Leuvense ponden liet op de dorpen Schoten, Merksem en Ekeren.
    Arnold overleed in 1230, zijn lichaam werd in de abdijkerk van Averbode, bij zijn echtgenote begraven, tr.
 

tr. (1) circa 1235
met

Willem van Cuyck, zn. van Albert ridder van Kuyc (ridder, vermeld 1191-1233, Heer van Cuyk en Grave 1204-1233, van Herpen, Merum en half Asten 1220) en Heilwig van Merheim (erfdochter van Merum en half Asten), heer van Escharen en half Asten, ovl. voor 1240,
, posthuum vermeld in 1282.

Uit dit huwelijk 4 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Arnold I  †1282   
Aleidis     
Wilhelm  †1308   
Beatrix?     

tr. (2) circa 1240
met

Willem de Rovere van Stakenborgh, zn. van Gerlach de Roovere, heer van Lieborg, Stakenborgh in Someren, heer van Lierop, ovl. na 12 feb 1292,
, Hij schonk in 1266 enige hoeven en de molen en het gemaal te Someren aan Postel.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Willem  †1311   


Christina Jacobsdr van Oegstgeest burggravin van Leiden
Christina Jacobsdr van Oegstgeest burggravin van Leiden (Kerstine van Oegstgeest)1 (Oegstgeest, van), geb. circa 1220, vrouwe van Leiderdorp en Oegstgeest, ovl. in 1271,
, vermeld 1251-1253, erfdochter van het Leids burggraafschap en het ambacht Leiderdorp en Oegstgeest. LEIDEN, Christina van (gest. vóór 15-5-1276), burggravin. Dochter van Jacob burggraaf van Leiden (actief 1201-1241). Christina van Leiden trouwde (1) [onzeker] met Dirk van Oegstgeest (actief 1221-1242), ridder; (2) [zeker] vóór 30-5-1253 met Dirk van Cuijk (actief 1242-1253), ridder. Uit huwelijk (1) werd wellicht 1 zoon, uit (2) werden 1 of 2 zoons geboren.
Volgens een aantekening in een leenregister uit 1420 werd de erfdochter van de Leidse burggraaf Jacob bij diens overlijden door de grafelijkheid van Holland ‘in voogdij’ genomen. Dit betekende dat de grafelijkheid het bewind over haar erfenis voerde en mogelijk ook dat zij aan het hof van de graaf werd opgevoed. Vaststaat dat zij naderhand werd uitgehuwelijkt aan ‘een jongere broer’ uit de Utrechtse stadsgravenfamilie Van Cuijk. Als eigen inkomen kreeg zij de zogeheten ‘lage rechtspraak’ in Leiden en omstreken mee (Hoek, 54-55). Zij mocht dus een schout benoemen en had recht op een deel van de door deze geheven boetes. Door de familie van haar man werd zij beleend met land en tienden bij Sliedrecht. In een leenbrief uit 1251 noemt haar zwager Hendrik (III) van Cuijk haar ‘mijn lieve Christina, burggravin van Leiden’. Er was toen vermoedelijk nog geen stamhouder, want de leenbrief hield uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat het leen op een dochter kon vererven. In 1253 trad Christina, ‘nederige burggravin (castellana) van Leiden’ en ‘gemalin van [Dirk], burggraaf aldaar, ridder’ zelf als leenvrouwe op. Haar man zegelde voor haar ‘omdat wij zelf geen zegel gebruiken’ (Kruisheer, 568, 655). Haar zoon Hendrik staat voor het eerst te boek in 1276. Hij was toen burggraaf van Leiden en leenvolger van zijn kort tevoren overleden moeder. In 1284 oorkondde hij dat burggraaf Jacob van Leiden zijn grootvader was geweest (Beelaerts, 220).
In een verklaring uit 1364 is sprake van een andere zoon van Christina van Leiden. Hij heette heer Willem van Oegstgeest, was ridder, had een dochter Christina, zegelde in 1285 en testeerde in 1312 (Janse, 16-17). Deze Willem zou vernoemd zijn naar een grootvader die in 1201 leefde (Monna, 68-69). Christina van Leiden moet dan eerder getrouwd zijn geweest met een zoon van Willem (I) van Oegstgeest – mogelijk Dirk van Oegstgeest, actief 1221-1242. Een aanwijzing daarvoor zou kunnen zijn dat de wapenzegels van Willem (II) van Oegstgeest uit 1285 en die van burggraaf Dirk van Leiden (zegelt vanaf 1310, zoon en opvolger van burggraaf Hendrik) aanzienlijk verschillen (Beelaerts, 291).
Belangrijker dan deze genealogische puzzels is de vraag hoe Christina’s titel ‘burggravin van Leiden’ in 1251 en 1253 moet worden begrepen. Het burggraafschap was bij de dood van haar vader teruggevallen aan de grafelijkheid. De historicus A. Kluit stelde in 1805 dat dit ‘kasteleinschap’ tot 1276 een mannelijk leen was en dat Christina ‘burggravin van Leiden’ werd genoemd vanwege haar huwelijk met heer Dirk van Cuijk, ‘burggraaf van Leiden’ (Kluit, 261). De genealoog W.A. Beelaerts van Blokland meende echter dat Dirk als burggraaf louter uit naam van zijn gemalin optrad. Vermoedelijk had Kluit gelijk. Ook in dertiende-eeuwse oorkonden van het Hollandse gravenhuis betekende de titel ‘gravin’ namelijk in eerste aanleg ‘gemalin van de graaf’ (Broer, 159-165). Hiermee werd zonder twijfel tevens de toon gezet voor de lagere adel. Dat Christina van Leiden in 1253 als ‘burggravin’ oorkondde, was dus waarschijnlijk alleen omdat haar man burggraaf was. Hun zoon Hendrik heeft dit ambt kennelijk van zijn vader en niet van zijn moeder geërfd.
Naslagwerken
NNBW.
Archieven
Nationaal Archief, Den Haag: toegangen 3.01.01 (Graven van Holland), 3.19.81 (Kopieën Leenregister Huis Wassenaar (Twickel)) en 3.20.87 (Van Wassenaer van Duvenvoorde).
Literatuur
A. Kluit, Historie der Hollandsche staatsregering tot aan het jaar 1795. Vijfde deel (Amsterdam 1805).
W.A. Beelaerts van Blokland, ‘De burggraven van Leiden vóór 1339’, De Nederlandsche Leeuw 39 (1921) 215-222.
C. Hoek, ‘De heren van Matenesse’, De Nederlandsche Leeuw 82 (1965) 32-58.
A.D.A. Monna, ‘De bezittingen van het Leidse burggraafschap’, in: Idem en W.H. Lenselink, Studies over het Zeeuwse en het Leidse burggraafschap (Groningen 1976) 63-106.
J.A. Coldewey, De Heren van Kuyc 1096-1400 (Tilburg 1981).
Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, J.G. Kruisheer ed, 2 (Assen 1986).
J.C. Kort, ‘Repertorium op de grafelijke lenen in Rijnland’, Ons Voorgeslacht 42 (1987) 690-721.
C.J.C. Broer, ‘Echtgenote, deelgenote, lotgenote. Over oorkonden als bron voor vrouwengeschiedenis’, in: M. Mostert e.a. red, Vrouw, familie en macht. Bronnen over vrouwen in de Middeleeuwen (Hilversum 1990) 147-166.
A. Janse, Wie was Willem van Oegstgeest (1201)? (Oegstgeest 2001).

tr. (1) Leiden circa 1235
met

Dirk van Cuijck2,1, zn. van Albert ridder van Kuyc (ridder, vermeld 1191-1233, Heer van Cuyk en Grave 1204-1233, van Herpen, Merum en half Asten 1220) en Heilwig van Merheim (erfdochter van Merum en half Asten), geb. circa 1205, burggraaf van Leiden (1243), ovl. voor 1260.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Hendrik*1245  †1319  74
Willem II     
Lijzebeth*1260  †1321  61

tr. (2) in 1255
met

Ghysekin van Ammers van der Burch3, zn. van Simon van der Burch (schildknaap, ridder) en Kerstine Ghisekijnsdr uter Liere, geb. De Lier circa 1231, baljuw van Schieland, ovl. De Lier op 4 mei 1309,
, het is niet bekend dat het hier om Christina gaat vooralsnog moet daar een NN ingevuld worden.

 

Uit dit huwelijk 3 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Gijsbrecht*1258  †1309  51
Jan*1260  †1309  49
Willem*1264 De Lier †1320 De Lier 56



Bronnen:
1.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 189)
2.Floris V, een politieke moord in 1296 (B 207), Prof. dr. E.H.P. Cordfunke, Walburg Pers, Zutphen, 2011 (blz. 69)
3.Website: http://www.Jacobs-Schumacher.Eu/ (W 055), Van den Burch


Albert II van Kuyc heer van Kerpen
Albert II van Kuyc heer van Kerpen, van Herpen, ovl. voor 1313,
, Heer van Herpen, vermeld 1379-1381, ridder
Albert van Herpen jr. was gehuwd en had uit zijn huwelijk slechts één dochter met naam Marina die ca. 1324 huwde met Jan van Valkenburg. Op 25 mei 1325 wordt Jan aangeduid als heer van Herpen zodat oom Rutger voor die tijd overleden is of na 11 april 1324 is afgegaan als rechtmatig heer. Albert van Herpen jr. moet vóór 24 jan. 1313 zijn overleden omdat dan broer Rutger genoemd wordt als heer van Herpen. In 1315 maakte Rutger heer van Herpen en zijn zuster Maria (gehuwd met Dirk van Haren) een overeenkomst van een erfelijke scheiding tussen hen waarbij de kinderen van het laatste of laatst overblijvende geslacht van de heer van Herpen erfrechtelijk de heerlijkheid Herpen zouden verkrijgen. Deze overeenkomst oogt vreemd en was misschien ingegeven doordat broer Albert jr slechts één kind, een nog minderjarige dochter had nagelaten. Als Marina van Herpen bij haar huwelijk in ca.1324 zo rond de 15 jaar was dan zal ze pas kort voor 1310 geboren zijn. Misschien dienen we in het licht van de oorkonde van 1315 tante Maria van Herpen te zien als oudste dochter, en werd er geanticipeerd op het mogelijk overlijden van erfdochter Marina. Die is ook niet echt oud geworden. Uit het huwelijk van Marina en Jan is verder ook maar één kind, een zoon met naam Walram van Valkenburg geboren.

Hij krijgt een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Marina  †1328   


Arnold III van Diest
 
Arnold III van Diest, ovl. na 5 sep 1245,
, Rond 1202 volgde Arnold III zijn vader op. Hij huwde Aleidis von Hengebach, dochter van Eberhard [II] von Hengebach & en zijn vrouw von Jülich (Gulik) overleden in 1230 en begraven in abdij van Averbode.
Uit dit huwelijk werden geboren: Arnold IV, zijn opvolger; Geraard van Diest,de eerste afzondelijke heer van Zelem, die vroeg moet overleden zijn daar zijn echtgenote Lutgarda reeds weduwe was in 1281, uit dit huwelijk werd een zoon geboren,Arnout van Diest, Heer van Zelem, die in de slag van Woeringen de dood vond, deze jongere Arnout was kinderloos. Evrard, provoost van Deventer, en een dochter gehuwd met Godfried IV, heer van Breda, die in zijn testament van het jaar 1246 aan Arnold heer van Diest (die hij zijn broer noemde), een rente van duizend Leuvense ponden liet op de dorpen Schoten, Merksem en Ekeren.
Arnold overleed in 1230, zijn lichaam werd in de abdijkerk van Averbode, bij zijn echtgenote begraven.

tr.
met

Aleidis van Hengebach (Aleydis van Henebach, Heimbach), dr. van Eberhard I van Heimbach (Hengebach) (voogd van Hoven 1193, monnik aldar 1218, vermeld 1170-1218) en Jutta van Gulik (vermeld 1190-96), ovl. na 1233,
, verheiratet mit Gerhard /v.Blankenheim/?

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Beatrix*1210  †1282  72
Maria?     
Arnold IV*1200  †1256  56


Aleidis van Hengebach
Aleidis van Hengebach (Aleydis van Henebach, Heimbach), ovl. na 1233,
, verheiratet mit Gerhard /v.Blankenheim/?

tr.
met

Arnold III van Diest, zn. van Arnoud II Otto van Diest (heer van Diest) en Clementia Arnoud van Wesemaele, ovl. na 5 sep 1245,
, Rond 1202 volgde Arnold III zijn vader op. Hij huwde Aleidis von Hengebach, dochter van Eberhard [II] von Hengebach & en zijn vrouw von Jülich (Gulik) overleden in 1230 en begraven in abdij van Averbode.
Uit dit huwelijk werden geboren: Arnold IV, zijn opvolger; Geraard van Diest,de eerste afzondelijke heer van Zelem, die vroeg moet overleden zijn daar zijn echtgenote Lutgarda reeds weduwe was in 1281, uit dit huwelijk werd een zoon geboren,Arnout van Diest, Heer van Zelem, die in de slag van Woeringen de dood vond, deze jongere Arnout was kinderloos. Evrard, provoost van Deventer, en een dochter gehuwd met Godfried IV, heer van Breda, die in zijn testament van het jaar 1246 aan Arnold heer van Diest (die hij zijn broer noemde), een rente van duizend Leuvense ponden liet op de dorpen Schoten, Merksem en Ekeren.
Arnold overleed in 1230, zijn lichaam werd in de abdijkerk van Averbode, bij zijn echtgenote begraven.

 

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Beatrix*1210  †1282  72
Maria?     
Arnold IV*1200  †1256  56


Maria? van Diest
Maria? van Diest,
, zij is een zuster van bisschop Jan van Diest.

  • Vader:
    Arnold III van Diest, zn. van Arnoud II Otto van Diest (heer van Diest) en Clementia Arnoud van Wesemaele, ovl. na 5 sep 1245,
    , Rond 1202 volgde Arnold III zijn vader op. Hij huwde Aleidis von Hengebach, dochter van Eberhard [II] von Hengebach & en zijn vrouw von Jülich (Gulik) overleden in 1230 en begraven in abdij van Averbode.
    Uit dit huwelijk werden geboren: Arnold IV, zijn opvolger; Geraard van Diest,de eerste afzondelijke heer van Zelem, die vroeg moet overleden zijn daar zijn echtgenote Lutgarda reeds weduwe was in 1281, uit dit huwelijk werd een zoon geboren,Arnout van Diest, Heer van Zelem, die in de slag van Woeringen de dood vond, deze jongere Arnout was kinderloos. Evrard, provoost van Deventer, en een dochter gehuwd met Godfried IV, heer van Breda, die in zijn testament van het jaar 1246 aan Arnold heer van Diest (die hij zijn broer noemde), een rente van duizend Leuvense ponden liet op de dorpen Schoten, Merksem en Ekeren.
    Arnold overleed in 1230, zijn lichaam werd in de abdijkerk van Averbode, bij zijn echtgenote begraven, tr.
 

tr. circa 1230
met

Rutger/Rogier van Cuyck, zn. van Albert ridder van Kuyc (ridder, vermeld 1191-1233, Heer van Cuyk en Grave 1204-1233, van Herpen, Merum en half Asten 1220) en Heilwig van Merheim (erfdochter van Merum en half Asten), geb. circa 1200, heer van Herpen, vermeld 1226-1264, ovl. voor 1268, tr. (2) met Elisabeth van Boxtel. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
A(leid)*1230 Cuijck †1270  40
Hendrik  †1268   
Albert  †1279   


Arnold II van IJsselstein
Arnold II van IJsselstein.

Hij krijgt een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Bertrade     


Gijsbert I van Zuilen van Anholt
 
Gijsbert I van Zuilen van Anholt.

 

tr.
met

Berta van Abcoude, dr. van Zweder I van Zuijlen en Asekijn van Cats.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Johanna*1230     
Sweder I*1230  †1287  57
Wouter*1240 Amerongen †1295  55


A(leid) van Herpen
A(leid) van Herpen, geb. Cuijck circa 1230, ovl. in 1270.

tr. (1)
met

Lodewijk II van Leefdael, zn. van Lodewijk I van Leefdael (heer van leefdal) en Aleidis (Elisabeth) van Cuyck, geb. Leefdael [België] in 1243, heer van Leefdael, ovl. op 12 nov 1283, begr. Brussel [België] Sint Goedelekerk,
, Burggraaf van Brussel, Burggraaf van Brussel, heer van Leefdael, ridder, Burggraaf van Brussel, Ridder Voor het eerst vermeld in 1253 (ridder), wordt in 1262 genoemd in een oorkonde waarin Arnold van Aerschot zijn tiende van Vronenberg en Vossem schenkt aan de abdij Afflighem, verklaart in 1267 als arbiter en als heer van Leefdael, samen met Everard van Diest, proost van St. Georges te Keulen dat Dirk heer van Heeswijk geen rechten heeft op de tiende en de kerk van Houpertingen, in 1271 vermeld als heer van Leefdael, als zijn zoons Arnold en Gerard een zoenbrief ondertekenen, waarin wordt gezworen geen wraak te nemen op de stad Keulen, vanwege de dood van Hendrik van Herpen en van wege de gevangenschap van diens broer Albert in Keulen ondergaan, bezegelt in augustus 1271 met de hertog een accoord betreffende de kerk van Diest ten gunste van de abdij Tongerloo, op Driekoningen van het daarop volgende jaar de bevestiging van dit accoord en geeft op 17 januari met de proost van Deventer een kwitantie aan de abdij Tongerloo voor een aan hen verschuldigd bedrag, vermeld in 1275 als heer van Leefdael, vermeld in 1280 onder de getuigen van Jan hertog van Brabant, als deze beslist in de geschillen tussen Arnold heer van Diest en de stad Diest, maakt, als ridder en heer van Leefdael, op 21-11-1283 zijn testament, relatie (1) met Beatrix Santin, geb. in 1249, ovl. circa 1290. Uit deze relatie geen kinderen.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Rogier*1270  †1333 Brussel [België] 63

tr. (2)
met

Dirck II van Heeswijk


Dirck II van Heeswijk
Dirck II van Heeswijk.

tr.
met

A(leid) van Herpen, dr. van Rutger/Rogier van Cuyck (heer van Herpen, vermeld 1226-1264) en Maria? van Diest, geb. Cuijck circa 1230, ovl. in 1270, tr. (1) met haar neef Lodewijk II van Leefdael. Uit dit huwelijk een zoon


Willem de Rovere van Stakenborgh
Willem de Rovere van Stakenborgh, heer van Lieborg, Stakenborgh in Someren, heer van Lierop, ovl. na 12 feb 1292,
, Hij schonk in 1266 enige hoeven en de molen en het gemaal te Someren aan Postel.

tr. circa 1240
met

Beatrix van Diest, dr. van Arnold III van Diest en Aleidis van Hengebach, geb. circa 1210, Vrouwe van Asten en Esseren, ovl. in nov 1282, tr. (1) met Willem van Cuyck. Uit dit huwelijk 4 kinderen.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Willem  †1311   


Gerlach de Roovere
Gerlach de Roovere.

Hij krijgt een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Willem  †1292   


Arnold I zu Kuyc von Escharen
Arnold I zu Kuyc von Escharen, ovl. na 1282.


Willem Willemse van Stakenborgh
Willem Willemse van Stakenborgh, ridder, heer van Stakenborch in Someren 1300, ovl. voor 1311.


Aleidis van Kuyc
Aleidis van Kuyc.

tr.
met

Daniël van Beveren