Website van Cees Hagenbeek
Jan Engelbertsz van Cranenburgh
Jan Engelbertsz van Cranenburgh1, geb. Bleiswijk op kasteel Kranenburg circa 1296, ovl. Dordrecht in 1367,
, Jan van Cranenborch (AA, f 1; op 29-4-1324 vermeld als Jan Enghebrechtsz, AA, f 28).
29-6-1367: Engebrecht van Cranenburch, neef van de leenheer heer Dirc van Wassenair, burggraaf van Leyden, bij kinderloos overlijden te versterven op zijn zuster jonkvrouwe Aechte, weduwe van Jonijs van Otshoirn (AA, f 29 en A, f 16v).
11-5-1421: Jan van Cranenburch (A, f 16v).
29-5-1447: Engebrecht van Cranenburch bij dode van zijn vader Jan van Cranenburch (B, f 68).
17-3-1484: Gerijt van Cranenburch bij dode van zijn vader Engebrecht.

tr. in 1325
met

Badeloge Pieters van Minnechem1, dr. van Pieter van Minnechem en Margaretha van Henegouwen en Holland, geb. in 1300, ovl. in 1347.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Eggebrecht II*1330  †1421  91



Bronnen:
1.BS Huwelijks register 's-Gravenzande (BSH 012), Historisch Archief Westland, BS 's-Gravenzande, Aktenummer 14, 's-Gravenzande (akte 374)

Dirk van Horne
 
Dirk van Horne (Diederic van Hoorne, Theodorus van Horne, Dirk van Cranenborch), geb. Horn in 1315, Ridder, Heer van Herlaar en Cranenburg, Heer van Altena (1345-1352), ovl. op 3 apr 1378,
, Dirk en Katharina van Hoorn hadden twee zonen. Willem erfde Duffel, Geel en andere domeinen. Mits een rente stond hij Perwijs af aan zijn broer Hendrik (1380). Willem liet een dochter na, Maria, die zijn bezittingen erfde. Tweemaal gehuwd had zij geen kinderen en werd dan voor Duffel-Geel opgevolgd door haar neef Jan van Hoorn, heer van Perwijs, de tweede zoon van Hendrik. Deze laatste was gesneuveld in de slag van Othée (1408). Een zoon Hendrik volgt hem dan op, maar wanneeer hij overlijdt in 1483 gaat het domein over naar zijn zuster Elisabeth van Hoorn, gehuwd met Jan van Rotselaar. In dat jaar wordt de heerlijkheid Geel verkocht aan prins Jan I de Merode. In 1409 moet gravin Maria van Hoorn Duffel-Walem verkopen om uit de schulden te geraken aan hertog Antoon van Bourgondië. Deze verpandde het aan Quinten Claemsone. Toch kon de gravin enkele jaren later het goed terug bekomen van hertog Jan IV.
Ridder; Heer van Cranenborch bij Kleef. 7.9.1350 zu Perweys, Cranenburg, Herlaer und Gestel, vermeld 2.2.1377 in een regest (charter) van Den Bosch i.v.m. een acte uit 1346. De acte heeft betrekking op Bertholdus de Hoesden en Petrus de Waderle, schepenen in Den Bosch.
Vermeld 5.3.1440 in de Bosche Protocollen (429.1210/46-3) i.v.m. oude pachtkwestie in Moergestel:  dominum Theodoricum de Horne dictus de Cranenborch militem ... ofwel de heer Theodorus van Horne genaamd van Cranenborch ridder ...
Alias: Dirk van Horne, Diederic van Hoorne, Theodorus van Horne, etc
1348 April 25 (op sunte Marcus dach des ewangelisten), Diderich van Hoerne, herr van Parweys und Cranenborg (Horn, Parwis, Cranenburg) verkauft mit Zustimmung seines Oheims Johans Grafen von Cleve und seiner Mutter dem Gysbrecht van Groesbeke das Gut Zeelem in Duyffel, Kspl. Meer und Nyel, mit der Fischerei in dem sogenannten Zeelemmer Meer und allem sonstigen Zubehör, so wie es sein verstorbener Vater von seinem † Oheim, dem Grafen Diderich van Cleve, bekommen hat und er es von seinem Oheim, dem Grafen Johan von Cleve jetst hat. Gysbrecht soll es als Zütphensches Lehen besitzen, myt enen pont the verheergeweden. Ferner ist ausgemacht, dass wenn der Graf von Cleve das Land von Cranenborg zurückerhalte, so soll Gysbrecht das vorg. Gut von dem Grafen zu Lehen bekommen. Jede spätere Belehnung soll mit Urkunde und Siegel erfolgen über diese Bestimmungen. Zeugen die Lehnsmannen: Gysbrecht herr van Haeps, Eylbrecht von Eyle Ritter, Everart van Oerschaet und Henrich Schardenberg van Heyden. Mitsiegler: Johan Graf van Cleve, seine Mutter Ermgart van Cleve, ehemals Frau van Hurne, und die vorg. Zeugen. Kopie des 15. Jhdts. Handschrift 67 fol. 9. . Dr. L. Schmitz-Kallenberg, Inventare der nichtstaatlichen Archive der Provinz Westfalen, Beiband I: Regierungsbezirk Münster, Heft I: Kreis Borken: fürstliches Archiv in Anholt (1902), nr. 17, pag 33. en bijna identiek regest bij: Inventar der Urkunden des Archivs von Schloss Diersfordt bei Wesel (INA 5), nr. 39, Carl Wilkes und Rudolf Brandts
Dirk van Horne hr van Kanenburg en Perwez (oudste zn van Gerard I v Horne en Altena ex matre Irmgard van KLEEF) "stamt van moederzijde uit geslacht van de ZWANERIDDER"; "heeft van vaderszijde belangen in het gebied van TEISTERBANT"; "maakte 1368 aanspraken op graventitel van Kleef maar vergeefs".

tr.
met

Catharine Berthout van Duffel, dr. van Hendrik IV Berthout (heer van Duffel, Gheel) en Margarethe van Wesemael, geb. circa 1330, ovl. in 1380,
, erfdochter van Duffel, Gheel, Herlaer en Oosterloo
De Berthouts van Duffel en Geel waren heren van de landelijke heerlijkheden Duffel en het Land van Geel. Het patrimonium van deze tak kwam rond 1365 aan Dirk van Hoorn, echtgenoot van de enige dochter van Hendrik V Berthout. De Berthouts van Duffel en Geel waren heren van de landelijke heerlijkheden Duffel en het Land van Geel Het patrimonium van deze tak kwam rond 1365 aan Dirk van Hoorn, echtgenoot van de enige dochter van Hendrik V Berthout. Het land van Duffel omvatte de vrijheid Walem, het dorp Sint-Katelijne-Waver en een deel van ‘het vlek’ Duffel. Het Land van Geel omvatte naast Geel zelf, Lommel, Einthout, Veerle en andere dorpen. Hoewel een Gerardus wordt vermeld als de eerste heer van Duffel, mogelijks van de familie van Grimbergen, was op het einde van de 12e eeuw Duffel onder het gezag van Wouter III Berthout, heer van Mechelen. Bij zijn overlijden in 1220 werd het patrimonium verdeeld waarbij Hendrik I de heerlijkheden Duffel en Geel toegewezen kreeg. Zijn zoon Hendrik II volgt hem op in 1251, en in 1292 zijn kleinzoon Hendrik III, gehuwd met Beatrijs van Rotselaar. Zoon Hendrik V huwt met Margareta van Wezemael en sluit zo eveneens aan met de hogere Brabantse adel. Hij heeft een dochter als erfgename, Katharina, die zal huwen met Dirk van Hoorn, zodat Duffel en Geel zullen overgaan naar het prestigieus huis van Hoorn. Dirk van Hoorn was één der veldheren in de slag van Basweiler (1371). Vanaf 1254 waren de heren van Wezemael in het bezit - door usurpatie - van de ‘Nijvelse goederen’ te Duffel. Jan I van Wezemael stond deze dan af aan zijn zuster Johanna. Via haar dochter ging het in 1428 over aan schuldeiser Nicolaas Malle, van wie Richard II de Merode deze overkocht.
Dirk en Katharina van Hoorn hadden twee zonen. Willem erfde Duffel, Geel en andere domeinen. Mits een rente stond hij Perwijs af aan zijn broer Hendrik (1380). Willem liet een dochter na, Maria, die zijn bezittingen erfde. Tweemaal gehuwd had zij geen kinderen en werd dan voor Duffel-Geel opgevolgd door haar neef Jan van Hoorn, heer van Perwijs, de tweede zoon van Hendrik. Deze laatste was gesneuveld in de slag van Othée (1408). Een zoon Hendrik volgt hem dan op, maar wanneeer hij overlijdt in 1483 gaat het domein over naar zijn zuster Elisabeth van Hoorn, gehuwd met Jan van Rotselaar. In dat jaar wordt de heerlijkheid Geel verkocht aan prins Jan I de Merode. In 1409 moet gravin Maria van Hoorn Duffel-Walem verkopen om uit de schulden te geraken aan hertog Antoon van Bourgondië. Deze verpandde het aan Quinten Claemsone. Toch kon de gravin enkele jaren later het goed terug bekomen van hertog Jan IV, tr. (2) met NN de Roover. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Uit dit huwelijk een zoon:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1348 Kleef [Duitsland] †1409  61



Bronnen:
1.Afgeschermd, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883
2.Maison de Hornes, Horn, Horne, Hoerne, Huerne, Hoorne, etc. (B 014), Etienne Patou, 2014 (blz. 5)

Vrouwe Godilt van Bleyswyck
Vrouwe Godilt van Bleyswyck,
, Mogelijk is zij een dochter van Gijsbrecht van Bokel, leenman van de Heerlijkheid Bleiswijk. Volgens het principe van Naam en Heerlijkheid  is hij immers de enige die zich Van Bleyswyck mag noemen. Het geslacht Bokel stamt af van Jacob van Wassenaar.
1318 (vermoedelijk) Godilt wordt vermeld in de grafelijke rekeningen in den Haag als "Bertelmeus Scrivers wedewe", wat betekent doet vermoeden dat Bartholomeus ook als kanunnik veel tijd in den Haag was en een rol speelde bij het opstellen van belangrijke teksten. Dat is niet onmogelijk omdat een kanunnik geen gelofte van armoede of kuisheid hoefde te nemen en in het algemeen niet aan een streng regime was onderworpen. En omdat de Domkerk (en ook de andere Utrechtse kapittels) grote bezittingen had in het graafschap Holland, is het ook goed te verklaren dat een Utrechtse kanunnik veel in den Haag was. Speculerend: Bartholomeus kreeg een mooie positie in Utrecht waardoor hij veel in den Haag moest zijn. Hij bouwde een huis in Utrecht en zijn gezin ging in den Haag op de Geest wonen, waar later ook zijn kinderen wonen.

tr.
met

Bartholomeus I of II Dircksz van Wassenaer van Cranenburgh (Wassenaer), zn. van Dirk I van Wassenaer (heer van Santhorst) en Bertha Arentsdr van Rijswijk, geb. Voorschoten circa 1228 (1215), domproost te Utrecht in 1280,
, in 1922 citeert Jhr Mr W.A. Beelaerts van Blokland in bron BNL 'Batavia Illustrata' (Van Leeuwen, p 1294):
Bartholomeus hadde getrout N. van Bleyswijk, na welkers dood hij wierde Domproost van Utrecht, nalatende bij sijn Vrouwe voornoemt Engelbert, Heere van Cranenburch. Ridder, vermeld in den jare 1305 en 1308 ....
Volgens Beelaerts is Bartholomeus geen domproost geweest en ook niet stamvader van het geslacht Cranenburch. J.W.F. baron van Wassenaar spreekt dit tegen en schrijft in bron JVW:
Minder juist lijkt het mij om te stellen, dat Beelaerts zou hebben bewezen, dat Bartholomeus niet de stamvader van het geslacht Cranenburch kan zijn. Verder meldt de baron dat Bartholomeus wordt genoemd in 1281 als Utrechts domkanunnik (O.B. Utr. nr. 2043). Verderop laat hij echter Bartholomeus de vader zijn van Jacob van Roosenburch. Bron 1380 (oudste) stelt daarentegen heel duidelijk dat het geslacht Van Roosenburch voortkomt uit Jacob van Wassenaar, zoon van Dirc van Wassenaar en dat het geslacht Van Cranenburch is voortgekomen uit Bartholomeus van Wassenaar, een andere zoon van Dirc van Wassenaar. Bron 1380 is een betrouwbare bron en staat het dichtst bij de oorsprong. De Hoge Raad van Adel gaat ook uit van deze afstamming. Bron RIH (p 281) bevestigt eveneens de afstamming en laat verder zien dat het geslacht Kranenburg voortkomt uit Bartholomeus van Wassenaar. Deze bron is een gedegen wetenschappelijke studie. We mogen derhalve aannemen dat Bartholomeus van Wassenaar inderdaad de oervader is van de Kranenburgs stammend uit Zuid-Holland. In Utrecht stond aan de Oudegracht 158 (locatie Vlaer & Kol) een pand met de naam Cranenborch. Dit pand dateert uit de Middeleeuwen en moet gezien de stijl in de vroege Gotiek zijn gebouwd. Dus ergens in de periode 1260-1400. Gezien het verblijf van Bartholomeus in Utrecht sinds 1280 rijst de vraag of dit pand mogelijk door hem is gebouwd. De extreem hoge en spits toelopende ramen (zgn spitsboogvenster) zijn erg apart voor een woonpand, zeker ook in de Gotiek. Het pand krijgt daardoor meer het aanzien van een kerk, waar de spitsboogvensters normaliter alleen werden toegepast. Andere soorten panden, w.o. woningen hebben in de Gotiek normaliter rechte of iets gebogen ramen. E.e.a. doet vermoeden dat Huis Cranenborch door een zeer kerkelijk ingesteld persoon moet zijn gebouwd. Als domproost komt Bartholomeus van Wassenaar derhalve zeker in aanmerking om de bouwheer te zijn van Huis Cranenborch. Wapen: op blauw vier dwarsbalken in goud, een rood andrieskruis over het geheel.

Uit dit huwelijk 2 zonen:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Engelbert I*1255 Bleiswijk †1320  65
Jacob*1248 Sassenheim †1272 Vronen 24



Bronnen:
1.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 317)
2.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 316)

Everardus van Cranenburgh
Everardus van Cranenburgh.

  • Vader:
    Engelbert I ridder van Cranenburgh, zn. van Bartholomeus I of II Dircksz van Wassenaer van Cranenburgh en Vrouwe Godilt van Bleyswyck, geb. Bleiswijk op kasteel Cranenburg in 1255, ovl. in 1320,
    , In 1922 citeert Jhr Mr W.A. Beelaerts van Blokland in bron BNL 'Batavia Illustrata' (Van Leeuwen, p 1294):
    Bartholomeus hadde getrout N. van Bleyswijk, na welkers dood hij wierde Domproost van Utrecht, nalatende bij sijn Vrouwe voornoemt Engelbert, Heere van Cranenburch. Ridder, vermeld in den jare 1305 en 1308 ....
    In bron RHH (p 188) wordt ene Enghebrecht, die jagher genoemd. Hij wordt in 1334 aangeslagen voor 7 sc. 5½ d. aan grafelijke renten wegens landhure en wel up die Gheest in Haagambacht. De Geest is een gebied in Eikenduinen in de hoek tussen de Loosduinseweg en de Scheveningseweg. Nabij de vermoede locatie van hofstede Cranenburg. Heer Jan van Polanen betaalt in 1334 aan landhuur in dezelfde sector 14 d. aan renten. Enghebrecht moet dus circa 7.20/14 is 10x meer land bezitten aldaar. Dirric Wasnaer (Dirc III van Wassenaar) betaalt in 1317 18 d. aan rente voor een stuk land aldaar.
    Engelbert woont kennelijk up de Gheest in Eikenduinen zoals reeds verteld. Bron RHH vermeldt verder in 1334: up die gheest ... die cappelle in der Haghe, van sjaghers huise    12 d.
    Met die capelle in der Haghe is waarschijnlijk de Jacobs Kerk bedoeld. Die staat aan de weg van het Binnenhof naar Scheveningen. Kennelijk heeft de kapel een deel van het huis van Engelbert in leen. Misschien staat er een huiskapel. Hoewel, letterlijk staat er: de kapel in Den Haag van het huis van de jager. Dat betekent dan dat het huis van de jager een kapel in Den Haag bezit. Biezonder, maar het staat er feitelijk wel. Mogelijk gaat het dan eerder om een kleinere kapel ergens in Den Haag. Hoewel, op het hoogste punt van Up de Gheest staat in die tijd de voorloper van de Jacobs Kerk. In die tijd toch zeker niet zo groot als anno 2007.
    Met huise wordt in die tijd een kasteel of dergelijks bedoeld. Het zal in dit kader wel een riddermatige hofstad kunnen zijn. (> Kastelen).
    Geestgronden zijn duinwallen. Up de Gheest is derhalve het westelijk deel van Eikenduinen dat tegen de duinen ligt. Exact in dat deel staat in die tijd vermoedelijk hofstede Cranenburg, gesticht in 1330 door Willem van Cranenburg. Mogelijk dus naast of nabij de huise van zijn vader Engelbert. (> Eikenduinen)
    Volgens bron ZLB (25) vormen de riddermatige welgeborene of welgeboren mannen de ridderschap. Verder schrijft de bron:
    De welgeboren man is een persoon van adellijke afkomst, die riddermatig leeft. Hij heeft zitting in het baljuwhof. Hij trekt bij de heervaart met de baljuw op in volle wapenrusting. Hij geniet belastingvrijdom van schot en bede. Hij is gekwalificeerd tot de jacht. Enghebrecht die jagher bezit dus kennelijk aardig wat land. Gezien het feit dat Enghebrecht jaagt en ook in een huise woont, moet hij volgens bron ZLB zelfs een welgeborene zijn, die een riddermatig leven voert. Als dan Jan Engelbrechtsz van Cranenburg rond 1360 op hofstede Cranenburg in Eikenduinen woont, nabij de welgeborene Enghebrecht die jagher dan is de kans wel erg groot dat we te maken hebben met Engelbert I van Cranenburg (de jager) en zijn zoon Jan Engelbrechtsz van Cranenburg. En aangezien in 1371-1375 Eggebrecht Jansz van Cranenburg (gb 1341), een zoon van Jan, is vermeld als Welgeborene in Den Haag, dan valt het welhaast niet meer te betwijfelen dat we hier te maken hebben met drie generaties Van Cranenburg. Een man is immers pas welgeborene als ook zijn voorvaders in mannelijke lijn tot in de 3e graaf die status hebben. Dus ook Bartholomeus II van Wassenaar, de vader van Engelbert I van Cranenburg, lijkt een welgeborene te zijn.
    Aangezien ene Ghisebrecht Enghebrechtsz vrij zeker een zoon is van Engelbert I van Cranenburg, is het eveneneens vrij zeker dat Engelbert ridder is. In verband met een leen van Sleebosch (Haagambacht) in circa 1300-1330, wordt Ghisebrecht genoemd als Ghisebrecht heer Engebrechtsz. (> Sleebosch) Deze typische aanduiding wijst erop dat Engebrecht ridder is. Bron BNL (p 323) schrijft hierover:
    ... maar zoo Jan Engelbertsz. inderdaad eenen ridder tot vader had gehad, zoude hij zijn aangeduid als Jan heeren Engelbertsz. De leen gaat in 1330 over naar Willem van Cranenburg, zoon van Engelbert I. Engebrecht en Engelbert I zijn derhalve vrij zeker dezelfde persoon. Leenoverdracht vindt namelijk normaliter plaats binnen de familiaire kring (rechte zwaardzijde). (> Leenoverdracht)
    De kans dat Engelbert I inderdaad ridder is, wordt erg versterkt door een tekst in bron RGL (grafelijke lenen; p 151). Het betreft land met een woning in polder Rotterban te Hillegersberg, circa 5 Km zuidelijk van Bleiswijk.
    7 morgen land met de eropstaande woning in de polder Rotterban, die vroeger van heer Voppe van Driehusen waren. 29-8-1323: Hughe Enghelbrechtsz. na opdracht uit eigen in ruil voor het leen 42, te versterven op de nakomelingen van heer Enghebrechtsz uten Broecke, ridder en op die van diens derde graads verwanten (l.h.l. 137). 4-6-1353: Hughe Gherijtsz. onmondig (l.h. 42, f6) .-.-1390: Enghebrecht Heyndricxz. met ledige hand (l.h. 422, f50v). 18-9-1398: Godelt Heynric Enghebrechtszdr, gehuwd met Johannes Pietersz, bij dode van haar vader Heynric Enghebrechtsz. (l.h. 52, f66) ... (> Rotta) Engelbert I is vrij zeker geboren en getogen op kasteel Cranenburg te Bleiswijk. Later verhuist hij naar Eikenduinen bij Den Haag. Daar wonen ook zijn zoons Willem, Jan en Dirck en zijn broer Kerstant en Hein van Kranenburg. Zoon Willem sticht er in 1330 hofstede Cranenburg. Bron RHH meldt ene Willem uten Broeke, die in 1334 voor een stuk land Up den Veen in Eikenduinen 4 sc. 3½ d. aan renten betaalt wegens landhure. Deze Willem woont dus in broekland. Gezien de context van bron RHH is de kans reëel dat we hier te maken hebben met Willem van Cranenburg, die dan kennelijk aan de Haagse Beek woont. Voglens bron OV78/194 ligt het Cranenburgoed (ZA) in 1607 deels in Segbroek. Dit moet al in 1330 het geval zijn. Willem wordt namelijk in 1330 beleend met 7 Morgen land door zijn neef Filips IV van Wassenaar. Het Leengoed Wassenaar omvat in die tijd o.a. die Wildernisse, een gebied dat zich uitstrekt over delen van Scheveningen, Eikenduinen en Wassenaar. (> Leengoed Wassenaar). Onder wildernisse verstaat men in de Middeleeuwen ook broekland. Aangezien Willem van Cranenburg is beleend door het Hof te Wassenaar, moet zijn leengoed derhalve ook in die Wildernisse liggen. Segbroek ligt bovendien dicht tegen Scheveningen aan. Het oorspronkelijke Cranenburggoed moet dus ook daaromtrent liggen. Op de kaart van 1611 sub Haagse Beek loopt Segbroek inderdaad helemaal door tot aan de scherpe bocht van de Haagse Beek richting Binnenhof. De beek loopt precies langs de duinen. En daar wonen ook Dirck van Cranenburg en Hein van Kranenburg, ooms van Willem van Cranenburg. Het kan dus haast niet missen.
    De naam uten Broecke is een herkomstnaam. In de gegeven optiek lijkt het op Segbroek te slaan. Temeer daar de naam Segbroek in bron RHH verder niet genoemd wordt en daarom mogelijk in die tijd nog niet in zwang is. Het gebied is nog dun bevolkt en stelt kennelijk nog niet veel voor. Het lijkt er dus inderdaad sterk op dat we hier met Engelbert I en zijn zoon Willem te maken hebben. Dat ze niet met de naam Van Cranenburg worden genoemd is niet zo vreemd. Deze naam wordt feitelijk pas met zoon Jan Engelbrechtsz vrij konsekwent gevoerd. (> NVC)
    Uit analyse van eerder genoemde bron RGL/151 blijkt nagenoeg zeker dat de tekst handelt over enige van de oudste leden van het geslacht Van Cranenburg~ uit Bleiswijk. (> RGL/151) De tekst meldt o.a. dat in 1353-1390 de leen in bezit is van Enghebrecht Heyndricxz. Gezien de bepalingen van overdracht moet deze Enghebrecht Heyndricxz wel een zoon zijn van Hein van Kranenburg, een broer van Engelbert I van Cranenburg. Dat zo zijnde, is deze Engelbert I van Cranenburg (alias uten Broecke) dus inderdaad een ridder. Hughe Enghelbrechtsz is dan kennelijk een zoon van hem.
    Per saldo mogen we op grond van alle gegevens concluderen dat Engelbert I van Cranenburg inderdaad ridder is en een riddermatig leven voert. Wapen*: op goud een kraanvogel in blauw, rood gepoot en gesnaveld, houdend in de rechter poot een steen. Zoons: Everardus van Cranenburgh, Dirck, Willem, Jan Engelbrechtsz, Ghisebrecht Enghebrechtsz en Hughe Enghelbrechtsz van Cranenburg. Vrij zeker ook Filips Engebrechtsz van Cranenburg. Mogelijk ook Petrus van Cranenborch (gb 1291; Roermond) en Xx van Cranenborch (gb 1297; vv Johanees).
    Geestgronden zijn duinwallen. Up de Gheest is derhalve het westelijk deel van Eikenduinen dat tegen de duinen ligt. Exact in dat deel staat in die tijd vermoedelijk hofstede Cranenburg, gesticht in 1330 door Willem van Cranenburg. Mogelijk dus naast of nabij de huise van zijn vader Engelbert. (> Eikenduinen)
    Volgens bron ZLB (25) vormen de riddermatige welgeborene of welgeboren mannen de ridderschap. Verder schrijft de bron:
    De welgeboren man is een persoon van adellijke afkomst, die riddermatig leeft. Hij heeft zitting in het baljuwhof. Hij trekt bij de heervaart met de baljuw op in volle wapenrusting. Hij geniet belastingvrijdom van schot en bede. Hij is gekwalificeerd tot de jacht.
    Enghebrecht die jagher bezit dus kennelijk aardig wat land. Gezien het feit dat Enghebrecht jaagt en ook in een huise woont, moet hij volgens bron ZLB zelfs een welgeborene zijn, die in een riddermatig leven voert. Als dan Jan Engelbrechtsz van Cranenburg rond 1360 op hofstede Cranenburg in Eikenduinen woont, nabij de welgeborene Enghebrecht die jagher dan is de kans wel erg groot dat we te maken hebben met Engelbert I van Cranenburg (de jager) en zijn zoon Jan Engelbrechtsz van Cranenburg. En aangezien in 1371-1375 Eggebrecht Jansz van Cranenburg (gb 1341), een zoon van Jan, is vermeld als Welgeborene in Den Haag, dan valt het welhaast niet meer te betwijfelen dat we hier te maken hebben met drie generaties Van Cranenburg. Een man is immers pas welgeborene als ook zijn voorvaders in mannelijke lijn tot in de 3e graad die status hebben. Dus ook Bartholomeus II van Wassenaar, de vader van Engelbert I van Cranenburg, lijkt een welgeborene te zijn.
    Aangezien ene Ghisebrecht Enghebrechtsz vrij zeker een zoon is van Engelbert I van Cranenburg, is het eveneneens vrij zeker dat Engelbert ridder is. In verband met een leen van Sleebosch (Haagambacht) in circa 1300-1330, wordt Ghisebrecht genoemd als Ghisebrecht heer Engebrechtsz. (> Sleebosch) Deze typische aanduiding wijst erop dat Engebrecht ridder is. Bron BNL (p 323) schrijft hierover:
    ... maar zoo Jan Engelbertsz. inderdaad eenen ridder tot vader had gehad, zoude hij zijn aangeduid als Jan heeren Engelbertsz.
    De leen gaat in 1330 over naar Willem van Cranenburg, zoon van Engelbert I. Engebrecht en Engelbert I zijn derhalve vrij zeker dezelfde persoon. Leenoverdracht vindt namelijk normaliter plaats binnen de familiaire kring (rechte zwaardzijde). (> Leenoverdracht)
    De kans dat Engelbert I inderdaad ridder is, wordt erg versterkt door een tekst in bron RGL (grafelijke lenen; p 151). Het betreft land met een woning in polder Rotterban te Hillegersberg, circa 5 Km zuidelijk van Bleiswijk.
    7 morgen land met de eropstaande woning in de polder Rotterban, die vroeger van heer Voppe van Driehusen waren.
    29-8-1323: Hughe Enghelbrechtsz. na opdracht uit eigen in ruil voor het leen 42, te versterven op de nakomelingen van heer Enghebrechtsz uten Broecke, ridder en op die van diens derde graads verwanten (l.h.l. 137).
    4-6-1353: Hughe Gherijtsz. onmondig (l.h. 42, f6)
    .-.-1390: Enghebrecht Heyndricxz. met ledige hand (l.h. 422, f50v).
    18-9-1398: Godelt Heynric Enghebrechtszdr, gehuwd met Johannes Pietersz, bij dode van haar vader Heynric Enghebrechtsz. (l.h. 52, f66)
    ...
    Engelbert I is vrij zeker geboren en getogen op kasteel Cranenburg te Bleiswijk. Later verhuist hij naar Eikenduinen bij Den Haag. Daar wonen ook zijn zoons Willem, Jan en Dirck en zijn broer Kerstant en Hein van Kranenburg. Zoon Willem sticht er in 1330 hofstede Cranenburg. Bron RHH meldt ene Willem uten Broeke, die in 1334 voor een stuk land Up den Veen in Eikenduinen 4 sc. 3½ d. aan renten betaalt wegens landhure. Deze Willem woont dus in broekland. Gezien de context van bron RHH is de kans reëel dat we hier te maken hebben met Willem van Cranenburg, die dan kennelijk aan de Haagse Beek woont. Voglens bron OV78/194 ligt het Cranenburgoed (ZA) in 1607 deels in Segbroek. Dit moet al in 1330 het geval zijn. Willem wordt namelijk in 1330 beleend met 7 Morgen land door zijn neef Filips IV van Wassenaar. Het Leengoed Wassenaar omvat in die tijd o.a. die Wildernisse, een gebied dat zich uitstrekt over delen van Scheveningen, Eikenduinen en Wassenaar. (> Leengoed Wassenaar). Onder wildernisse verstaat men in de Middeleeuwen ook broekland. Aangezien Willem van Cranenburg is beleend door het Hof te Wassenaar, moet zijn leengoed derhalve ook in die Wildernisse liggen. Segbroek ligt bovendien dicht tegen Scheveningen aan. Het oorspronkelijke Cranenburggoed moet dus ook daaromtrent liggen. Op de kaart van 1611 sub Haagse Beek loopt Segbroek inderdaad helemaal door tot aan de scherpe bocht van de Haagse Beek richting Binnenhof. De beek loopt precies langs de duinen. En daar wonen ook Dirck van Cranenburg en Hein van Kranenburg, ooms van Willem van Cranenburg. Het kan dus haast niet missen.
    De naam uten Broecke is een herkomstnaam. In de gegeven optiek lijkt het op Segbroek te slaan. Temeer daar de naam Segbroek in bron RHH verder niet genoemd wordt en daarom mogelijk in die tijd nog niet in zwang is. Het gebied is nog dun bevolkt en stelt kennelijk nog niet veel voor. Het lijkt er dus inderdaad sterk op dat we hier met Engelbert I en zijn zoon Willem te maken hebben. Dat ze niet met de naam Van Cranenburg worden genoemd is niet zo vreemd. Deze naam wordt feitelijk pas met zoon Jan Engelbrechtsz vrij konsekwent gevoerd. (> NVC)
    Uit analyse van eerder genoemde bron RGL/151 blijkt nagenoeg zeker dat de tekst handelt over enige van de oudste leden van het geslacht Van Cranenburg~ uit Bleiswijk. (> RGL/151) De tekst meldt o.a. dat in 1353-1390 de leen in bezit is van Enghebrecht Heyndricxz. Gezien de bepalingen van overdracht moet deze Enghebrecht Heyndricxz wel een zoon zijn van Hein van Kranenburg, een broer van Engelbert I van Cranenburg. Dat zo zijnde, is deze Engelbert I van Cranenburg (alias uten Broecke) dus inderdaad een ridder. Hughe Enghelbrechtsz is dan kennelijk een zoon van hem.
    Per saldo mogen we op grond van alle gegevens concluderen dat Engelbert I van Cranenburg inderdaad ridder is en een riddermatig leven voert.
    Wapen*: op goud een kraanvogel in blauw, rood gepoot en gesnaveld, houdend in de rechter poot een steen.
    Zoons: Everardus van Cranenburgh, Dirck, Willem, Jan Engelbrechtsz, Ghisebrecht Enghebrechtsz en Hughe Enghelbrechtsz van Cranenburg.
    Vrij zeker ook Filips Engebrechtsz van Cranenburg.


Dirck van Cranenburgh
Dirck ridder van Cranenburgh, geb. Bleiswijk Kasteel Cranenburgh circa 1295, ovl. circa 1355,
, woont in Eikenduinen. Bezegelt met zijn broer Willem e.a. het verdrag van Heer Willem van Oudshoorne, Aarlanderveen en Rijnenburg met diens broer Dirck van Oudshoorn, Knaepe, Victorsdag 1330. Bron RHH schrijft in 1317 voor de regio Eikenduinen Cnoepstoc?). Item ontfaen van den renten van den dunen bi Dirc den jagher ende Heyne den coster    11 £ 2 sc.
Dit moeten wel zijn Dirck van Cranenburg en zijn oom Hein van Kranenburg. In die tijd wonen er meer Van Cranenburgs' in Eikenduinen en wel specifiek Up de Gheest, de geestgronden ofwel duinwallen van Eikenduinen. Naar de huurprijzen in die tijd in Eikenduinen moet het een enorm groot gebied zijn. Ruw geschat circa 82 Morgen, ofwel 73.8 Ha. Gezien het feit dat Dirck jager is en het feit dat hij een zeer groot gebied bezit, moet Dirck wel een welgeborene zijn, die een riddermatig leven voert. Dat doet ook zijn vader Engelbert I van Cranenburg. Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met een steen in de rechter poot. Udh: Engelbert II van Cranenburg, Johanna van Cranenburg en Aechte van Cranenburch. Mogelijk ook Dieric van Cranenburch (gb 1327) en Joannes van Cranenburch (gb 1345).

  • Vader:
    Engelbert I ridder van Cranenburgh, zn. van Bartholomeus I of II Dircksz van Wassenaer van Cranenburgh en Vrouwe Godilt van Bleyswyck, geb. Bleiswijk op kasteel Cranenburg in 1255, ovl. in 1320,
    , In 1922 citeert Jhr Mr W.A. Beelaerts van Blokland in bron BNL 'Batavia Illustrata' (Van Leeuwen, p 1294):
    Bartholomeus hadde getrout N. van Bleyswijk, na welkers dood hij wierde Domproost van Utrecht, nalatende bij sijn Vrouwe voornoemt Engelbert, Heere van Cranenburch. Ridder, vermeld in den jare 1305 en 1308 ....
    In bron RHH (p 188) wordt ene Enghebrecht, die jagher genoemd. Hij wordt in 1334 aangeslagen voor 7 sc. 5½ d. aan grafelijke renten wegens landhure en wel up die Gheest in Haagambacht. De Geest is een gebied in Eikenduinen in de hoek tussen de Loosduinseweg en de Scheveningseweg. Nabij de vermoede locatie van hofstede Cranenburg. Heer Jan van Polanen betaalt in 1334 aan landhuur in dezelfde sector 14 d. aan renten. Enghebrecht moet dus circa 7.20/14 is 10x meer land bezitten aldaar. Dirric Wasnaer (Dirc III van Wassenaar) betaalt in 1317 18 d. aan rente voor een stuk land aldaar.
    Engelbert woont kennelijk up de Gheest in Eikenduinen zoals reeds verteld. Bron RHH vermeldt verder in 1334: up die gheest ... die cappelle in der Haghe, van sjaghers huise    12 d.
    Met die capelle in der Haghe is waarschijnlijk de Jacobs Kerk bedoeld. Die staat aan de weg van het Binnenhof naar Scheveningen. Kennelijk heeft de kapel een deel van het huis van Engelbert in leen. Misschien staat er een huiskapel. Hoewel, letterlijk staat er: de kapel in Den Haag van het huis van de jager. Dat betekent dan dat het huis van de jager een kapel in Den Haag bezit. Biezonder, maar het staat er feitelijk wel. Mogelijk gaat het dan eerder om een kleinere kapel ergens in Den Haag. Hoewel, op het hoogste punt van Up de Gheest staat in die tijd de voorloper van de Jacobs Kerk. In die tijd toch zeker niet zo groot als anno 2007.
    Met huise wordt in die tijd een kasteel of dergelijks bedoeld. Het zal in dit kader wel een riddermatige hofstad kunnen zijn. (> Kastelen).
    Geestgronden zijn duinwallen. Up de Gheest is derhalve het westelijk deel van Eikenduinen dat tegen de duinen ligt. Exact in dat deel staat in die tijd vermoedelijk hofstede Cranenburg, gesticht in 1330 door Willem van Cranenburg. Mogelijk dus naast of nabij de huise van zijn vader Engelbert. (> Eikenduinen)
    Volgens bron ZLB (25) vormen de riddermatige welgeborene of welgeboren mannen de ridderschap. Verder schrijft de bron:
    De welgeboren man is een persoon van adellijke afkomst, die riddermatig leeft. Hij heeft zitting in het baljuwhof. Hij trekt bij de heervaart met de baljuw op in volle wapenrusting. Hij geniet belastingvrijdom van schot en bede. Hij is gekwalificeerd tot de jacht. Enghebrecht die jagher bezit dus kennelijk aardig wat land. Gezien het feit dat Enghebrecht jaagt en ook in een huise woont, moet hij volgens bron ZLB zelfs een welgeborene zijn, die een riddermatig leven voert. Als dan Jan Engelbrechtsz van Cranenburg rond 1360 op hofstede Cranenburg in Eikenduinen woont, nabij de welgeborene Enghebrecht die jagher dan is de kans wel erg groot dat we te maken hebben met Engelbert I van Cranenburg (de jager) en zijn zoon Jan Engelbrechtsz van Cranenburg. En aangezien in 1371-1375 Eggebrecht Jansz van Cranenburg (gb 1341), een zoon van Jan, is vermeld als Welgeborene in Den Haag, dan valt het welhaast niet meer te betwijfelen dat we hier te maken hebben met drie generaties Van Cranenburg. Een man is immers pas welgeborene als ook zijn voorvaders in mannelijke lijn tot in de 3e graaf die status hebben. Dus ook Bartholomeus II van Wassenaar, de vader van Engelbert I van Cranenburg, lijkt een welgeborene te zijn.
    Aangezien ene Ghisebrecht Enghebrechtsz vrij zeker een zoon is van Engelbert I van Cranenburg, is het eveneneens vrij zeker dat Engelbert ridder is. In verband met een leen van Sleebosch (Haagambacht) in circa 1300-1330, wordt Ghisebrecht genoemd als Ghisebrecht heer Engebrechtsz. (> Sleebosch) Deze typische aanduiding wijst erop dat Engebrecht ridder is. Bron BNL (p 323) schrijft hierover:
    ... maar zoo Jan Engelbertsz. inderdaad eenen ridder tot vader had gehad, zoude hij zijn aangeduid als Jan heeren Engelbertsz. De leen gaat in 1330 over naar Willem van Cranenburg, zoon van Engelbert I. Engebrecht en Engelbert I zijn derhalve vrij zeker dezelfde persoon. Leenoverdracht vindt namelijk normaliter plaats binnen de familiaire kring (rechte zwaardzijde). (> Leenoverdracht)
    De kans dat Engelbert I inderdaad ridder is, wordt erg versterkt door een tekst in bron RGL (grafelijke lenen; p 151). Het betreft land met een woning in polder Rotterban te Hillegersberg, circa 5 Km zuidelijk van Bleiswijk.
    7 morgen land met de eropstaande woning in de polder Rotterban, die vroeger van heer Voppe van Driehusen waren. 29-8-1323: Hughe Enghelbrechtsz. na opdracht uit eigen in ruil voor het leen 42, te versterven op de nakomelingen van heer Enghebrechtsz uten Broecke, ridder en op die van diens derde graads verwanten (l.h.l. 137). 4-6-1353: Hughe Gherijtsz. onmondig (l.h. 42, f6) .-.-1390: Enghebrecht Heyndricxz. met ledige hand (l.h. 422, f50v). 18-9-1398: Godelt Heynric Enghebrechtszdr, gehuwd met Johannes Pietersz, bij dode van haar vader Heynric Enghebrechtsz. (l.h. 52, f66) ... (> Rotta) Engelbert I is vrij zeker geboren en getogen op kasteel Cranenburg te Bleiswijk. Later verhuist hij naar Eikenduinen bij Den Haag. Daar wonen ook zijn zoons Willem, Jan en Dirck en zijn broer Kerstant en Hein van Kranenburg. Zoon Willem sticht er in 1330 hofstede Cranenburg. Bron RHH meldt ene Willem uten Broeke, die in 1334 voor een stuk land Up den Veen in Eikenduinen 4 sc. 3½ d. aan renten betaalt wegens landhure. Deze Willem woont dus in broekland. Gezien de context van bron RHH is de kans reëel dat we hier te maken hebben met Willem van Cranenburg, die dan kennelijk aan de Haagse Beek woont. Voglens bron OV78/194 ligt het Cranenburgoed (ZA) in 1607 deels in Segbroek. Dit moet al in 1330 het geval zijn. Willem wordt namelijk in 1330 beleend met 7 Morgen land door zijn neef Filips IV van Wassenaar. Het Leengoed Wassenaar omvat in die tijd o.a. die Wildernisse, een gebied dat zich uitstrekt over delen van Scheveningen, Eikenduinen en Wassenaar. (> Leengoed Wassenaar). Onder wildernisse verstaat men in de Middeleeuwen ook broekland. Aangezien Willem van Cranenburg is beleend door het Hof te Wassenaar, moet zijn leengoed derhalve ook in die Wildernisse liggen. Segbroek ligt bovendien dicht tegen Scheveningen aan. Het oorspronkelijke Cranenburggoed moet dus ook daaromtrent liggen. Op de kaart van 1611 sub Haagse Beek loopt Segbroek inderdaad helemaal door tot aan de scherpe bocht van de Haagse Beek richting Binnenhof. De beek loopt precies langs de duinen. En daar wonen ook Dirck van Cranenburg en Hein van Kranenburg, ooms van Willem van Cranenburg. Het kan dus haast niet missen.
    De naam uten Broecke is een herkomstnaam. In de gegeven optiek lijkt het op Segbroek te slaan. Temeer daar de naam Segbroek in bron RHH verder niet genoemd wordt en daarom mogelijk in die tijd nog niet in zwang is. Het gebied is nog dun bevolkt en stelt kennelijk nog niet veel voor. Het lijkt er dus inderdaad sterk op dat we hier met Engelbert I en zijn zoon Willem te maken hebben. Dat ze niet met de naam Van Cranenburg worden genoemd is niet zo vreemd. Deze naam wordt feitelijk pas met zoon Jan Engelbrechtsz vrij konsekwent gevoerd. (> NVC)
    Uit analyse van eerder genoemde bron RGL/151 blijkt nagenoeg zeker dat de tekst handelt over enige van de oudste leden van het geslacht Van Cranenburg~ uit Bleiswijk. (> RGL/151) De tekst meldt o.a. dat in 1353-1390 de leen in bezit is van Enghebrecht Heyndricxz. Gezien de bepalingen van overdracht moet deze Enghebrecht Heyndricxz wel een zoon zijn van Hein van Kranenburg, een broer van Engelbert I van Cranenburg. Dat zo zijnde, is deze Engelbert I van Cranenburg (alias uten Broecke) dus inderdaad een ridder. Hughe Enghelbrechtsz is dan kennelijk een zoon van hem.
    Per saldo mogen we op grond van alle gegevens concluderen dat Engelbert I van Cranenburg inderdaad ridder is en een riddermatig leven voert. Wapen*: op goud een kraanvogel in blauw, rood gepoot en gesnaveld, houdend in de rechter poot een steen. Zoons: Everardus van Cranenburgh, Dirck, Willem, Jan Engelbrechtsz, Ghisebrecht Enghebrechtsz en Hughe Enghelbrechtsz van Cranenburg. Vrij zeker ook Filips Engebrechtsz van Cranenburg. Mogelijk ook Petrus van Cranenborch (gb 1291; Roermond) en Xx van Cranenborch (gb 1297; vv Johanees).
    Geestgronden zijn duinwallen. Up de Gheest is derhalve het westelijk deel van Eikenduinen dat tegen de duinen ligt. Exact in dat deel staat in die tijd vermoedelijk hofstede Cranenburg, gesticht in 1330 door Willem van Cranenburg. Mogelijk dus naast of nabij de huise van zijn vader Engelbert. (> Eikenduinen)
    Volgens bron ZLB (25) vormen de riddermatige welgeborene of welgeboren mannen de ridderschap. Verder schrijft de bron:
    De welgeboren man is een persoon van adellijke afkomst, die riddermatig leeft. Hij heeft zitting in het baljuwhof. Hij trekt bij de heervaart met de baljuw op in volle wapenrusting. Hij geniet belastingvrijdom van schot en bede. Hij is gekwalificeerd tot de jacht.
    Enghebrecht die jagher bezit dus kennelijk aardig wat land. Gezien het feit dat Enghebrecht jaagt en ook in een huise woont, moet hij volgens bron ZLB zelfs een welgeborene zijn, die in een riddermatig leven voert. Als dan Jan Engelbrechtsz van Cranenburg rond 1360 op hofstede Cranenburg in Eikenduinen woont, nabij de welgeborene Enghebrecht die jagher dan is de kans wel erg groot dat we te maken hebben met Engelbert I van Cranenburg (de jager) en zijn zoon Jan Engelbrechtsz van Cranenburg. En aangezien in 1371-1375 Eggebrecht Jansz van Cranenburg (gb 1341), een zoon van Jan, is vermeld als Welgeborene in Den Haag, dan valt het welhaast niet meer te betwijfelen dat we hier te maken hebben met drie generaties Van Cranenburg. Een man is immers pas welgeborene als ook zijn voorvaders in mannelijke lijn tot in de 3e graad die status hebben. Dus ook Bartholomeus II van Wassenaar, de vader van Engelbert I van Cranenburg, lijkt een welgeborene te zijn.
    Aangezien ene Ghisebrecht Enghebrechtsz vrij zeker een zoon is van Engelbert I van Cranenburg, is het eveneneens vrij zeker dat Engelbert ridder is. In verband met een leen van Sleebosch (Haagambacht) in circa 1300-1330, wordt Ghisebrecht genoemd als Ghisebrecht heer Engebrechtsz. (> Sleebosch) Deze typische aanduiding wijst erop dat Engebrecht ridder is. Bron BNL (p 323) schrijft hierover:
    ... maar zoo Jan Engelbertsz. inderdaad eenen ridder tot vader had gehad, zoude hij zijn aangeduid als Jan heeren Engelbertsz.
    De leen gaat in 1330 over naar Willem van Cranenburg, zoon van Engelbert I. Engebrecht en Engelbert I zijn derhalve vrij zeker dezelfde persoon. Leenoverdracht vindt namelijk normaliter plaats binnen de familiaire kring (rechte zwaardzijde). (> Leenoverdracht)
    De kans dat Engelbert I inderdaad ridder is, wordt erg versterkt door een tekst in bron RGL (grafelijke lenen; p 151). Het betreft land met een woning in polder Rotterban te Hillegersberg, circa 5 Km zuidelijk van Bleiswijk.
    7 morgen land met de eropstaande woning in de polder Rotterban, die vroeger van heer Voppe van Driehusen waren.
    29-8-1323: Hughe Enghelbrechtsz. na opdracht uit eigen in ruil voor het leen 42, te versterven op de nakomelingen van heer Enghebrechtsz uten Broecke, ridder en op die van diens derde graads verwanten (l.h.l. 137).
    4-6-1353: Hughe Gherijtsz. onmondig (l.h. 42, f6)
    .-.-1390: Enghebrecht Heyndricxz. met ledige hand (l.h. 422, f50v).
    18-9-1398: Godelt Heynric Enghebrechtszdr, gehuwd met Johannes Pietersz, bij dode van haar vader Heynric Enghebrechtsz. (l.h. 52, f66)
    ...
    Engelbert I is vrij zeker geboren en getogen op kasteel Cranenburg te Bleiswijk. Later verhuist hij naar Eikenduinen bij Den Haag. Daar wonen ook zijn zoons Willem, Jan en Dirck en zijn broer Kerstant en Hein van Kranenburg. Zoon Willem sticht er in 1330 hofstede Cranenburg. Bron RHH meldt ene Willem uten Broeke, die in 1334 voor een stuk land Up den Veen in Eikenduinen 4 sc. 3½ d. aan renten betaalt wegens landhure. Deze Willem woont dus in broekland. Gezien de context van bron RHH is de kans reëel dat we hier te maken hebben met Willem van Cranenburg, die dan kennelijk aan de Haagse Beek woont. Voglens bron OV78/194 ligt het Cranenburgoed (ZA) in 1607 deels in Segbroek. Dit moet al in 1330 het geval zijn. Willem wordt namelijk in 1330 beleend met 7 Morgen land door zijn neef Filips IV van Wassenaar. Het Leengoed Wassenaar omvat in die tijd o.a. die Wildernisse, een gebied dat zich uitstrekt over delen van Scheveningen, Eikenduinen en Wassenaar. (> Leengoed Wassenaar). Onder wildernisse verstaat men in de Middeleeuwen ook broekland. Aangezien Willem van Cranenburg is beleend door het Hof te Wassenaar, moet zijn leengoed derhalve ook in die Wildernisse liggen. Segbroek ligt bovendien dicht tegen Scheveningen aan. Het oorspronkelijke Cranenburggoed moet dus ook daaromtrent liggen. Op de kaart van 1611 sub Haagse Beek loopt Segbroek inderdaad helemaal door tot aan de scherpe bocht van de Haagse Beek richting Binnenhof. De beek loopt precies langs de duinen. En daar wonen ook Dirck van Cranenburg en Hein van Kranenburg, ooms van Willem van Cranenburg. Het kan dus haast niet missen.
    De naam uten Broecke is een herkomstnaam. In de gegeven optiek lijkt het op Segbroek te slaan. Temeer daar de naam Segbroek in bron RHH verder niet genoemd wordt en daarom mogelijk in die tijd nog niet in zwang is. Het gebied is nog dun bevolkt en stelt kennelijk nog niet veel voor. Het lijkt er dus inderdaad sterk op dat we hier met Engelbert I en zijn zoon Willem te maken hebben. Dat ze niet met de naam Van Cranenburg worden genoemd is niet zo vreemd. Deze naam wordt feitelijk pas met zoon Jan Engelbrechtsz vrij konsekwent gevoerd. (> NVC)
    Uit analyse van eerder genoemde bron RGL/151 blijkt nagenoeg zeker dat de tekst handelt over enige van de oudste leden van het geslacht Van Cranenburg~ uit Bleiswijk. (> RGL/151) De tekst meldt o.a. dat in 1353-1390 de leen in bezit is van Enghebrecht Heyndricxz. Gezien de bepalingen van overdracht moet deze Enghebrecht Heyndricxz wel een zoon zijn van Hein van Kranenburg, een broer van Engelbert I van Cranenburg. Dat zo zijnde, is deze Engelbert I van Cranenburg (alias uten Broecke) dus inderdaad een ridder. Hughe Enghelbrechtsz is dan kennelijk een zoon van hem.
    Per saldo mogen we op grond van alle gegevens concluderen dat Engelbert I van Cranenburg inderdaad ridder is en een riddermatig leven voert.
    Wapen*: op goud een kraanvogel in blauw, rood gepoot en gesnaveld, houdend in de rechter poot een steen.
    Zoons: Everardus van Cranenburgh, Dirck, Willem, Jan Engelbrechtsz, Ghisebrecht Enghebrechtsz en Hughe Enghelbrechtsz van Cranenburg.
    Vrij zeker ook Filips Engebrechtsz van Cranenburg.

Hij krijgt 2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Engelbert II*1335  †1421  86
Dieric*1327  †1387  60


Filips Engebrechtsz van Cranenburgh
Filips Engebrechtsz van Cranenburgh.

  • Vader:
    Engelbert I ridder van Cranenburgh, zn. van Bartholomeus I of II Dircksz van Wassenaer van Cranenburgh en Vrouwe Godilt van Bleyswyck, geb. Bleiswijk op kasteel Cranenburg in 1255, ovl. in 1320,
    , In 1922 citeert Jhr Mr W.A. Beelaerts van Blokland in bron BNL 'Batavia Illustrata' (Van Leeuwen, p 1294):
    Bartholomeus hadde getrout N. van Bleyswijk, na welkers dood hij wierde Domproost van Utrecht, nalatende bij sijn Vrouwe voornoemt Engelbert, Heere van Cranenburch. Ridder, vermeld in den jare 1305 en 1308 ....
    In bron RHH (p 188) wordt ene Enghebrecht, die jagher genoemd. Hij wordt in 1334 aangeslagen voor 7 sc. 5½ d. aan grafelijke renten wegens landhure en wel up die Gheest in Haagambacht. De Geest is een gebied in Eikenduinen in de hoek tussen de Loosduinseweg en de Scheveningseweg. Nabij de vermoede locatie van hofstede Cranenburg. Heer Jan van Polanen betaalt in 1334 aan landhuur in dezelfde sector 14 d. aan renten. Enghebrecht moet dus circa 7.20/14 is 10x meer land bezitten aldaar. Dirric Wasnaer (Dirc III van Wassenaar) betaalt in 1317 18 d. aan rente voor een stuk land aldaar.
    Engelbert woont kennelijk up de Gheest in Eikenduinen zoals reeds verteld. Bron RHH vermeldt verder in 1334: up die gheest ... die cappelle in der Haghe, van sjaghers huise    12 d.
    Met die capelle in der Haghe is waarschijnlijk de Jacobs Kerk bedoeld. Die staat aan de weg van het Binnenhof naar Scheveningen. Kennelijk heeft de kapel een deel van het huis van Engelbert in leen. Misschien staat er een huiskapel. Hoewel, letterlijk staat er: de kapel in Den Haag van het huis van de jager. Dat betekent dan dat het huis van de jager een kapel in Den Haag bezit. Biezonder, maar het staat er feitelijk wel. Mogelijk gaat het dan eerder om een kleinere kapel ergens in Den Haag. Hoewel, op het hoogste punt van Up de Gheest staat in die tijd de voorloper van de Jacobs Kerk. In die tijd toch zeker niet zo groot als anno 2007.
    Met huise wordt in die tijd een kasteel of dergelijks bedoeld. Het zal in dit kader wel een riddermatige hofstad kunnen zijn. (> Kastelen).
    Geestgronden zijn duinwallen. Up de Gheest is derhalve het westelijk deel van Eikenduinen dat tegen de duinen ligt. Exact in dat deel staat in die tijd vermoedelijk hofstede Cranenburg, gesticht in 1330 door Willem van Cranenburg. Mogelijk dus naast of nabij de huise van zijn vader Engelbert. (> Eikenduinen)
    Volgens bron ZLB (25) vormen de riddermatige welgeborene of welgeboren mannen de ridderschap. Verder schrijft de bron:
    De welgeboren man is een persoon van adellijke afkomst, die riddermatig leeft. Hij heeft zitting in het baljuwhof. Hij trekt bij de heervaart met de baljuw op in volle wapenrusting. Hij geniet belastingvrijdom van schot en bede. Hij is gekwalificeerd tot de jacht. Enghebrecht die jagher bezit dus kennelijk aardig wat land. Gezien het feit dat Enghebrecht jaagt en ook in een huise woont, moet hij volgens bron ZLB zelfs een welgeborene zijn, die een riddermatig leven voert. Als dan Jan Engelbrechtsz van Cranenburg rond 1360 op hofstede Cranenburg in Eikenduinen woont, nabij de welgeborene Enghebrecht die jagher dan is de kans wel erg groot dat we te maken hebben met Engelbert I van Cranenburg (de jager) en zijn zoon Jan Engelbrechtsz van Cranenburg. En aangezien in 1371-1375 Eggebrecht Jansz van Cranenburg (gb 1341), een zoon van Jan, is vermeld als Welgeborene in Den Haag, dan valt het welhaast niet meer te betwijfelen dat we hier te maken hebben met drie generaties Van Cranenburg. Een man is immers pas welgeborene als ook zijn voorvaders in mannelijke lijn tot in de 3e graaf die status hebben. Dus ook Bartholomeus II van Wassenaar, de vader van Engelbert I van Cranenburg, lijkt een welgeborene te zijn.
    Aangezien ene Ghisebrecht Enghebrechtsz vrij zeker een zoon is van Engelbert I van Cranenburg, is het eveneneens vrij zeker dat Engelbert ridder is. In verband met een leen van Sleebosch (Haagambacht) in circa 1300-1330, wordt Ghisebrecht genoemd als Ghisebrecht heer Engebrechtsz. (> Sleebosch) Deze typische aanduiding wijst erop dat Engebrecht ridder is. Bron BNL (p 323) schrijft hierover:
    ... maar zoo Jan Engelbertsz. inderdaad eenen ridder tot vader had gehad, zoude hij zijn aangeduid als Jan heeren Engelbertsz. De leen gaat in 1330 over naar Willem van Cranenburg, zoon van Engelbert I. Engebrecht en Engelbert I zijn derhalve vrij zeker dezelfde persoon. Leenoverdracht vindt namelijk normaliter plaats binnen de familiaire kring (rechte zwaardzijde). (> Leenoverdracht)
    De kans dat Engelbert I inderdaad ridder is, wordt erg versterkt door een tekst in bron RGL (grafelijke lenen; p 151). Het betreft land met een woning in polder Rotterban te Hillegersberg, circa 5 Km zuidelijk van Bleiswijk.
    7 morgen land met de eropstaande woning in de polder Rotterban, die vroeger van heer Voppe van Driehusen waren. 29-8-1323: Hughe Enghelbrechtsz. na opdracht uit eigen in ruil voor het leen 42, te versterven op de nakomelingen van heer Enghebrechtsz uten Broecke, ridder en op die van diens derde graads verwanten (l.h.l. 137). 4-6-1353: Hughe Gherijtsz. onmondig (l.h. 42, f6) .-.-1390: Enghebrecht Heyndricxz. met ledige hand (l.h. 422, f50v). 18-9-1398: Godelt Heynric Enghebrechtszdr, gehuwd met Johannes Pietersz, bij dode van haar vader Heynric Enghebrechtsz. (l.h. 52, f66) ... (> Rotta) Engelbert I is vrij zeker geboren en getogen op kasteel Cranenburg te Bleiswijk. Later verhuist hij naar Eikenduinen bij Den Haag. Daar wonen ook zijn zoons Willem, Jan en Dirck en zijn broer Kerstant en Hein van Kranenburg. Zoon Willem sticht er in 1330 hofstede Cranenburg. Bron RHH meldt ene Willem uten Broeke, die in 1334 voor een stuk land Up den Veen in Eikenduinen 4 sc. 3½ d. aan renten betaalt wegens landhure. Deze Willem woont dus in broekland. Gezien de context van bron RHH is de kans reëel dat we hier te maken hebben met Willem van Cranenburg, die dan kennelijk aan de Haagse Beek woont. Voglens bron OV78/194 ligt het Cranenburgoed (ZA) in 1607 deels in Segbroek. Dit moet al in 1330 het geval zijn. Willem wordt namelijk in 1330 beleend met 7 Morgen land door zijn neef Filips IV van Wassenaar. Het Leengoed Wassenaar omvat in die tijd o.a. die Wildernisse, een gebied dat zich uitstrekt over delen van Scheveningen, Eikenduinen en Wassenaar. (> Leengoed Wassenaar). Onder wildernisse verstaat men in de Middeleeuwen ook broekland. Aangezien Willem van Cranenburg is beleend door het Hof te Wassenaar, moet zijn leengoed derhalve ook in die Wildernisse liggen. Segbroek ligt bovendien dicht tegen Scheveningen aan. Het oorspronkelijke Cranenburggoed moet dus ook daaromtrent liggen. Op de kaart van 1611 sub Haagse Beek loopt Segbroek inderdaad helemaal door tot aan de scherpe bocht van de Haagse Beek richting Binnenhof. De beek loopt precies langs de duinen. En daar wonen ook Dirck van Cranenburg en Hein van Kranenburg, ooms van Willem van Cranenburg. Het kan dus haast niet missen.
    De naam uten Broecke is een herkomstnaam. In de gegeven optiek lijkt het op Segbroek te slaan. Temeer daar de naam Segbroek in bron RHH verder niet genoemd wordt en daarom mogelijk in die tijd nog niet in zwang is. Het gebied is nog dun bevolkt en stelt kennelijk nog niet veel voor. Het lijkt er dus inderdaad sterk op dat we hier met Engelbert I en zijn zoon Willem te maken hebben. Dat ze niet met de naam Van Cranenburg worden genoemd is niet zo vreemd. Deze naam wordt feitelijk pas met zoon Jan Engelbrechtsz vrij konsekwent gevoerd. (> NVC)
    Uit analyse van eerder genoemde bron RGL/151 blijkt nagenoeg zeker dat de tekst handelt over enige van de oudste leden van het geslacht Van Cranenburg~ uit Bleiswijk. (> RGL/151) De tekst meldt o.a. dat in 1353-1390 de leen in bezit is van Enghebrecht Heyndricxz. Gezien de bepalingen van overdracht moet deze Enghebrecht Heyndricxz wel een zoon zijn van Hein van Kranenburg, een broer van Engelbert I van Cranenburg. Dat zo zijnde, is deze Engelbert I van Cranenburg (alias uten Broecke) dus inderdaad een ridder. Hughe Enghelbrechtsz is dan kennelijk een zoon van hem.
    Per saldo mogen we op grond van alle gegevens concluderen dat Engelbert I van Cranenburg inderdaad ridder is en een riddermatig leven voert. Wapen*: op goud een kraanvogel in blauw, rood gepoot en gesnaveld, houdend in de rechter poot een steen. Zoons: Everardus van Cranenburgh, Dirck, Willem, Jan Engelbrechtsz, Ghisebrecht Enghebrechtsz en Hughe Enghelbrechtsz van Cranenburg. Vrij zeker ook Filips Engebrechtsz van Cranenburg. Mogelijk ook Petrus van Cranenborch (gb 1291; Roermond) en Xx van Cranenborch (gb 1297; vv Johanees).
    Geestgronden zijn duinwallen. Up de Gheest is derhalve het westelijk deel van Eikenduinen dat tegen de duinen ligt. Exact in dat deel staat in die tijd vermoedelijk hofstede Cranenburg, gesticht in 1330 door Willem van Cranenburg. Mogelijk dus naast of nabij de huise van zijn vader Engelbert. (> Eikenduinen)
    Volgens bron ZLB (25) vormen de riddermatige welgeborene of welgeboren mannen de ridderschap. Verder schrijft de bron:
    De welgeboren man is een persoon van adellijke afkomst, die riddermatig leeft. Hij heeft zitting in het baljuwhof. Hij trekt bij de heervaart met de baljuw op in volle wapenrusting. Hij geniet belastingvrijdom van schot en bede. Hij is gekwalificeerd tot de jacht.
    Enghebrecht die jagher bezit dus kennelijk aardig wat land. Gezien het feit dat Enghebrecht jaagt en ook in een huise woont, moet hij volgens bron ZLB zelfs een welgeborene zijn, die in een riddermatig leven voert. Als dan Jan Engelbrechtsz van Cranenburg rond 1360 op hofstede Cranenburg in Eikenduinen woont, nabij de welgeborene Enghebrecht die jagher dan is de kans wel erg groot dat we te maken hebben met Engelbert I van Cranenburg (de jager) en zijn zoon Jan Engelbrechtsz van Cranenburg. En aangezien in 1371-1375 Eggebrecht Jansz van Cranenburg (gb 1341), een zoon van Jan, is vermeld als Welgeborene in Den Haag, dan valt het welhaast niet meer te betwijfelen dat we hier te maken hebben met drie generaties Van Cranenburg. Een man is immers pas welgeborene als ook zijn voorvaders in mannelijke lijn tot in de 3e graad die status hebben. Dus ook Bartholomeus II van Wassenaar, de vader van Engelbert I van Cranenburg, lijkt een welgeborene te zijn.
    Aangezien ene Ghisebrecht Enghebrechtsz vrij zeker een zoon is van Engelbert I van Cranenburg, is het eveneneens vrij zeker dat Engelbert ridder is. In verband met een leen van Sleebosch (Haagambacht) in circa 1300-1330, wordt Ghisebrecht genoemd als Ghisebrecht heer Engebrechtsz. (> Sleebosch) Deze typische aanduiding wijst erop dat Engebrecht ridder is. Bron BNL (p 323) schrijft hierover:
    ... maar zoo Jan Engelbertsz. inderdaad eenen ridder tot vader had gehad, zoude hij zijn aangeduid als Jan heeren Engelbertsz.
    De leen gaat in 1330 over naar Willem van Cranenburg, zoon van Engelbert I. Engebrecht en Engelbert I zijn derhalve vrij zeker dezelfde persoon. Leenoverdracht vindt namelijk normaliter plaats binnen de familiaire kring (rechte zwaardzijde). (> Leenoverdracht)
    De kans dat Engelbert I inderdaad ridder is, wordt erg versterkt door een tekst in bron RGL (grafelijke lenen; p 151). Het betreft land met een woning in polder Rotterban te Hillegersberg, circa 5 Km zuidelijk van Bleiswijk.
    7 morgen land met de eropstaande woning in de polder Rotterban, die vroeger van heer Voppe van Driehusen waren.
    29-8-1323: Hughe Enghelbrechtsz. na opdracht uit eigen in ruil voor het leen 42, te versterven op de nakomelingen van heer Enghebrechtsz uten Broecke, ridder en op die van diens derde graads verwanten (l.h.l. 137).
    4-6-1353: Hughe Gherijtsz. onmondig (l.h. 42, f6)
    .-.-1390: Enghebrecht Heyndricxz. met ledige hand (l.h. 422, f50v).
    18-9-1398: Godelt Heynric Enghebrechtszdr, gehuwd met Johannes Pietersz, bij dode van haar vader Heynric Enghebrechtsz. (l.h. 52, f66)
    ...
    Engelbert I is vrij zeker geboren en getogen op kasteel Cranenburg te Bleiswijk. Later verhuist hij naar Eikenduinen bij Den Haag. Daar wonen ook zijn zoons Willem, Jan en Dirck en zijn broer Kerstant en Hein van Kranenburg. Zoon Willem sticht er in 1330 hofstede Cranenburg. Bron RHH meldt ene Willem uten Broeke, die in 1334 voor een stuk land Up den Veen in Eikenduinen 4 sc. 3½ d. aan renten betaalt wegens landhure. Deze Willem woont dus in broekland. Gezien de context van bron RHH is de kans reëel dat we hier te maken hebben met Willem van Cranenburg, die dan kennelijk aan de Haagse Beek woont. Voglens bron OV78/194 ligt het Cranenburgoed (ZA) in 1607 deels in Segbroek. Dit moet al in 1330 het geval zijn. Willem wordt namelijk in 1330 beleend met 7 Morgen land door zijn neef Filips IV van Wassenaar. Het Leengoed Wassenaar omvat in die tijd o.a. die Wildernisse, een gebied dat zich uitstrekt over delen van Scheveningen, Eikenduinen en Wassenaar. (> Leengoed Wassenaar). Onder wildernisse verstaat men in de Middeleeuwen ook broekland. Aangezien Willem van Cranenburg is beleend door het Hof te Wassenaar, moet zijn leengoed derhalve ook in die Wildernisse liggen. Segbroek ligt bovendien dicht tegen Scheveningen aan. Het oorspronkelijke Cranenburggoed moet dus ook daaromtrent liggen. Op de kaart van 1611 sub Haagse Beek loopt Segbroek inderdaad helemaal door tot aan de scherpe bocht van de Haagse Beek richting Binnenhof. De beek loopt precies langs de duinen. En daar wonen ook Dirck van Cranenburg en Hein van Kranenburg, ooms van Willem van Cranenburg. Het kan dus haast niet missen.
    De naam uten Broecke is een herkomstnaam. In de gegeven optiek lijkt het op Segbroek te slaan. Temeer daar de naam Segbroek in bron RHH verder niet genoemd wordt en daarom mogelijk in die tijd nog niet in zwang is. Het gebied is nog dun bevolkt en stelt kennelijk nog niet veel voor. Het lijkt er dus inderdaad sterk op dat we hier met Engelbert I en zijn zoon Willem te maken hebben. Dat ze niet met de naam Van Cranenburg worden genoemd is niet zo vreemd. Deze naam wordt feitelijk pas met zoon Jan Engelbrechtsz vrij konsekwent gevoerd. (> NVC)
    Uit analyse van eerder genoemde bron RGL/151 blijkt nagenoeg zeker dat de tekst handelt over enige van de oudste leden van het geslacht Van Cranenburg~ uit Bleiswijk. (> RGL/151) De tekst meldt o.a. dat in 1353-1390 de leen in bezit is van Enghebrecht Heyndricxz. Gezien de bepalingen van overdracht moet deze Enghebrecht Heyndricxz wel een zoon zijn van Hein van Kranenburg, een broer van Engelbert I van Cranenburg. Dat zo zijnde, is deze Engelbert I van Cranenburg (alias uten Broecke) dus inderdaad een ridder. Hughe Enghelbrechtsz is dan kennelijk een zoon van hem.
    Per saldo mogen we op grond van alle gegevens concluderen dat Engelbert I van Cranenburg inderdaad ridder is en een riddermatig leven voert.
    Wapen*: op goud een kraanvogel in blauw, rood gepoot en gesnaveld, houdend in de rechter poot een steen.
    Zoons: Everardus van Cranenburgh, Dirck, Willem, Jan Engelbrechtsz, Ghisebrecht Enghebrechtsz en Hughe Enghelbrechtsz van Cranenburg.
    Vrij zeker ook Filips Engebrechtsz van Cranenburg.


Ghisebrecht Enghebrechtsz van Cranenburgh
Ghisebrecht Enghebrechtsz van Cranenburgh.

  • Vader:
    Engelbert I ridder van Cranenburgh, zn. van Bartholomeus I of II Dircksz van Wassenaer van Cranenburgh en Vrouwe Godilt van Bleyswyck, geb. Bleiswijk op kasteel Cranenburg in 1255, ovl. in 1320,
    , In 1922 citeert Jhr Mr W.A. Beelaerts van Blokland in bron BNL 'Batavia Illustrata' (Van Leeuwen, p 1294):
    Bartholomeus hadde getrout N. van Bleyswijk, na welkers dood hij wierde Domproost van Utrecht, nalatende bij sijn Vrouwe voornoemt Engelbert, Heere van Cranenburch. Ridder, vermeld in den jare 1305 en 1308 ....
    In bron RHH (p 188) wordt ene Enghebrecht, die jagher genoemd. Hij wordt in 1334 aangeslagen voor 7 sc. 5½ d. aan grafelijke renten wegens landhure en wel up die Gheest in Haagambacht. De Geest is een gebied in Eikenduinen in de hoek tussen de Loosduinseweg en de Scheveningseweg. Nabij de vermoede locatie van hofstede Cranenburg. Heer Jan van Polanen betaalt in 1334 aan landhuur in dezelfde sector 14 d. aan renten. Enghebrecht moet dus circa 7.20/14 is 10x meer land bezitten aldaar. Dirric Wasnaer (Dirc III van Wassenaar) betaalt in 1317 18 d. aan rente voor een stuk land aldaar.
    Engelbert woont kennelijk up de Gheest in Eikenduinen zoals reeds verteld. Bron RHH vermeldt verder in 1334: up die gheest ... die cappelle in der Haghe, van sjaghers huise    12 d.
    Met die capelle in der Haghe is waarschijnlijk de Jacobs Kerk bedoeld. Die staat aan de weg van het Binnenhof naar Scheveningen. Kennelijk heeft de kapel een deel van het huis van Engelbert in leen. Misschien staat er een huiskapel. Hoewel, letterlijk staat er: de kapel in Den Haag van het huis van de jager. Dat betekent dan dat het huis van de jager een kapel in Den Haag bezit. Biezonder, maar het staat er feitelijk wel. Mogelijk gaat het dan eerder om een kleinere kapel ergens in Den Haag. Hoewel, op het hoogste punt van Up de Gheest staat in die tijd de voorloper van de Jacobs Kerk. In die tijd toch zeker niet zo groot als anno 2007.
    Met huise wordt in die tijd een kasteel of dergelijks bedoeld. Het zal in dit kader wel een riddermatige hofstad kunnen zijn. (> Kastelen).
    Geestgronden zijn duinwallen. Up de Gheest is derhalve het westelijk deel van Eikenduinen dat tegen de duinen ligt. Exact in dat deel staat in die tijd vermoedelijk hofstede Cranenburg, gesticht in 1330 door Willem van Cranenburg. Mogelijk dus naast of nabij de huise van zijn vader Engelbert. (> Eikenduinen)
    Volgens bron ZLB (25) vormen de riddermatige welgeborene of welgeboren mannen de ridderschap. Verder schrijft de bron:
    De welgeboren man is een persoon van adellijke afkomst, die riddermatig leeft. Hij heeft zitting in het baljuwhof. Hij trekt bij de heervaart met de baljuw op in volle wapenrusting. Hij geniet belastingvrijdom van schot en bede. Hij is gekwalificeerd tot de jacht. Enghebrecht die jagher bezit dus kennelijk aardig wat land. Gezien het feit dat Enghebrecht jaagt en ook in een huise woont, moet hij volgens bron ZLB zelfs een welgeborene zijn, die een riddermatig leven voert. Als dan Jan Engelbrechtsz van Cranenburg rond 1360 op hofstede Cranenburg in Eikenduinen woont, nabij de welgeborene Enghebrecht die jagher dan is de kans wel erg groot dat we te maken hebben met Engelbert I van Cranenburg (de jager) en zijn zoon Jan Engelbrechtsz van Cranenburg. En aangezien in 1371-1375 Eggebrecht Jansz van Cranenburg (gb 1341), een zoon van Jan, is vermeld als Welgeborene in Den Haag, dan valt het welhaast niet meer te betwijfelen dat we hier te maken hebben met drie generaties Van Cranenburg. Een man is immers pas welgeborene als ook zijn voorvaders in mannelijke lijn tot in de 3e graaf die status hebben. Dus ook Bartholomeus II van Wassenaar, de vader van Engelbert I van Cranenburg, lijkt een welgeborene te zijn.
    Aangezien ene Ghisebrecht Enghebrechtsz vrij zeker een zoon is van Engelbert I van Cranenburg, is het eveneneens vrij zeker dat Engelbert ridder is. In verband met een leen van Sleebosch (Haagambacht) in circa 1300-1330, wordt Ghisebrecht genoemd als Ghisebrecht heer Engebrechtsz. (> Sleebosch) Deze typische aanduiding wijst erop dat Engebrecht ridder is. Bron BNL (p 323) schrijft hierover:
    ... maar zoo Jan Engelbertsz. inderdaad eenen ridder tot vader had gehad, zoude hij zijn aangeduid als Jan heeren Engelbertsz. De leen gaat in 1330 over naar Willem van Cranenburg, zoon van Engelbert I. Engebrecht en Engelbert I zijn derhalve vrij zeker dezelfde persoon. Leenoverdracht vindt namelijk normaliter plaats binnen de familiaire kring (rechte zwaardzijde). (> Leenoverdracht)
    De kans dat Engelbert I inderdaad ridder is, wordt erg versterkt door een tekst in bron RGL (grafelijke lenen; p 151). Het betreft land met een woning in polder Rotterban te Hillegersberg, circa 5 Km zuidelijk van Bleiswijk.
    7 morgen land met de eropstaande woning in de polder Rotterban, die vroeger van heer Voppe van Driehusen waren. 29-8-1323: Hughe Enghelbrechtsz. na opdracht uit eigen in ruil voor het leen 42, te versterven op de nakomelingen van heer Enghebrechtsz uten Broecke, ridder en op die van diens derde graads verwanten (l.h.l. 137). 4-6-1353: Hughe Gherijtsz. onmondig (l.h. 42, f6) .-.-1390: Enghebrecht Heyndricxz. met ledige hand (l.h. 422, f50v). 18-9-1398: Godelt Heynric Enghebrechtszdr, gehuwd met Johannes Pietersz, bij dode van haar vader Heynric Enghebrechtsz. (l.h. 52, f66) ... (> Rotta) Engelbert I is vrij zeker geboren en getogen op kasteel Cranenburg te Bleiswijk. Later verhuist hij naar Eikenduinen bij Den Haag. Daar wonen ook zijn zoons Willem, Jan en Dirck en zijn broer Kerstant en Hein van Kranenburg. Zoon Willem sticht er in 1330 hofstede Cranenburg. Bron RHH meldt ene Willem uten Broeke, die in 1334 voor een stuk land Up den Veen in Eikenduinen 4 sc. 3½ d. aan renten betaalt wegens landhure. Deze Willem woont dus in broekland. Gezien de context van bron RHH is de kans reëel dat we hier te maken hebben met Willem van Cranenburg, die dan kennelijk aan de Haagse Beek woont. Voglens bron OV78/194 ligt het Cranenburgoed (ZA) in 1607 deels in Segbroek. Dit moet al in 1330 het geval zijn. Willem wordt namelijk in 1330 beleend met 7 Morgen land door zijn neef Filips IV van Wassenaar. Het Leengoed Wassenaar omvat in die tijd o.a. die Wildernisse, een gebied dat zich uitstrekt over delen van Scheveningen, Eikenduinen en Wassenaar. (> Leengoed Wassenaar). Onder wildernisse verstaat men in de Middeleeuwen ook broekland. Aangezien Willem van Cranenburg is beleend door het Hof te Wassenaar, moet zijn leengoed derhalve ook in die Wildernisse liggen. Segbroek ligt bovendien dicht tegen Scheveningen aan. Het oorspronkelijke Cranenburggoed moet dus ook daaromtrent liggen. Op de kaart van 1611 sub Haagse Beek loopt Segbroek inderdaad helemaal door tot aan de scherpe bocht van de Haagse Beek richting Binnenhof. De beek loopt precies langs de duinen. En daar wonen ook Dirck van Cranenburg en Hein van Kranenburg, ooms van Willem van Cranenburg. Het kan dus haast niet missen.
    De naam uten Broecke is een herkomstnaam. In de gegeven optiek lijkt het op Segbroek te slaan. Temeer daar de naam Segbroek in bron RHH verder niet genoemd wordt en daarom mogelijk in die tijd nog niet in zwang is. Het gebied is nog dun bevolkt en stelt kennelijk nog niet veel voor. Het lijkt er dus inderdaad sterk op dat we hier met Engelbert I en zijn zoon Willem te maken hebben. Dat ze niet met de naam Van Cranenburg worden genoemd is niet zo vreemd. Deze naam wordt feitelijk pas met zoon Jan Engelbrechtsz vrij konsekwent gevoerd. (> NVC)
    Uit analyse van eerder genoemde bron RGL/151 blijkt nagenoeg zeker dat de tekst handelt over enige van de oudste leden van het geslacht Van Cranenburg~ uit Bleiswijk. (> RGL/151) De tekst meldt o.a. dat in 1353-1390 de leen in bezit is van Enghebrecht Heyndricxz. Gezien de bepalingen van overdracht moet deze Enghebrecht Heyndricxz wel een zoon zijn van Hein van Kranenburg, een broer van Engelbert I van Cranenburg. Dat zo zijnde, is deze Engelbert I van Cranenburg (alias uten Broecke) dus inderdaad een ridder. Hughe Enghelbrechtsz is dan kennelijk een zoon van hem.
    Per saldo mogen we op grond van alle gegevens concluderen dat Engelbert I van Cranenburg inderdaad ridder is en een riddermatig leven voert. Wapen*: op goud een kraanvogel in blauw, rood gepoot en gesnaveld, houdend in de rechter poot een steen. Zoons: Everardus van Cranenburgh, Dirck, Willem, Jan Engelbrechtsz, Ghisebrecht Enghebrechtsz en Hughe Enghelbrechtsz van Cranenburg. Vrij zeker ook Filips Engebrechtsz van Cranenburg. Mogelijk ook Petrus van Cranenborch (gb 1291; Roermond) en Xx van Cranenborch (gb 1297; vv Johanees).
    Geestgronden zijn duinwallen. Up de Gheest is derhalve het westelijk deel van Eikenduinen dat tegen de duinen ligt. Exact in dat deel staat in die tijd vermoedelijk hofstede Cranenburg, gesticht in 1330 door Willem van Cranenburg. Mogelijk dus naast of nabij de huise van zijn vader Engelbert. (> Eikenduinen)
    Volgens bron ZLB (25) vormen de riddermatige welgeborene of welgeboren mannen de ridderschap. Verder schrijft de bron:
    De welgeboren man is een persoon van adellijke afkomst, die riddermatig leeft. Hij heeft zitting in het baljuwhof. Hij trekt bij de heervaart met de baljuw op in volle wapenrusting. Hij geniet belastingvrijdom van schot en bede. Hij is gekwalificeerd tot de jacht.
    Enghebrecht die jagher bezit dus kennelijk aardig wat land. Gezien het feit dat Enghebrecht jaagt en ook in een huise woont, moet hij volgens bron ZLB zelfs een welgeborene zijn, die in een riddermatig leven voert. Als dan Jan Engelbrechtsz van Cranenburg rond 1360 op hofstede Cranenburg in Eikenduinen woont, nabij de welgeborene Enghebrecht die jagher dan is de kans wel erg groot dat we te maken hebben met Engelbert I van Cranenburg (de jager) en zijn zoon Jan Engelbrechtsz van Cranenburg. En aangezien in 1371-1375 Eggebrecht Jansz van Cranenburg (gb 1341), een zoon van Jan, is vermeld als Welgeborene in Den Haag, dan valt het welhaast niet meer te betwijfelen dat we hier te maken hebben met drie generaties Van Cranenburg. Een man is immers pas welgeborene als ook zijn voorvaders in mannelijke lijn tot in de 3e graad die status hebben. Dus ook Bartholomeus II van Wassenaar, de vader van Engelbert I van Cranenburg, lijkt een welgeborene te zijn.
    Aangezien ene Ghisebrecht Enghebrechtsz vrij zeker een zoon is van Engelbert I van Cranenburg, is het eveneneens vrij zeker dat Engelbert ridder is. In verband met een leen van Sleebosch (Haagambacht) in circa 1300-1330, wordt Ghisebrecht genoemd als Ghisebrecht heer Engebrechtsz. (> Sleebosch) Deze typische aanduiding wijst erop dat Engebrecht ridder is. Bron BNL (p 323) schrijft hierover:
    ... maar zoo Jan Engelbertsz. inderdaad eenen ridder tot vader had gehad, zoude hij zijn aangeduid als Jan heeren Engelbertsz.
    De leen gaat in 1330 over naar Willem van Cranenburg, zoon van Engelbert I. Engebrecht en Engelbert I zijn derhalve vrij zeker dezelfde persoon. Leenoverdracht vindt namelijk normaliter plaats binnen de familiaire kring (rechte zwaardzijde). (> Leenoverdracht)
    De kans dat Engelbert I inderdaad ridder is, wordt erg versterkt door een tekst in bron RGL (grafelijke lenen; p 151). Het betreft land met een woning in polder Rotterban te Hillegersberg, circa 5 Km zuidelijk van Bleiswijk.
    7 morgen land met de eropstaande woning in de polder Rotterban, die vroeger van heer Voppe van Driehusen waren.
    29-8-1323: Hughe Enghelbrechtsz. na opdracht uit eigen in ruil voor het leen 42, te versterven op de nakomelingen van heer Enghebrechtsz uten Broecke, ridder en op die van diens derde graads verwanten (l.h.l. 137).
    4-6-1353: Hughe Gherijtsz. onmondig (l.h. 42, f6)
    .-.-1390: Enghebrecht Heyndricxz. met ledige hand (l.h. 422, f50v).
    18-9-1398: Godelt Heynric Enghebrechtszdr, gehuwd met Johannes Pietersz, bij dode van haar vader Heynric Enghebrechtsz. (l.h. 52, f66)
    ...
    Engelbert I is vrij zeker geboren en getogen op kasteel Cranenburg te Bleiswijk. Later verhuist hij naar Eikenduinen bij Den Haag. Daar wonen ook zijn zoons Willem, Jan en Dirck en zijn broer Kerstant en Hein van Kranenburg. Zoon Willem sticht er in 1330 hofstede Cranenburg. Bron RHH meldt ene Willem uten Broeke, die in 1334 voor een stuk land Up den Veen in Eikenduinen 4 sc. 3½ d. aan renten betaalt wegens landhure. Deze Willem woont dus in broekland. Gezien de context van bron RHH is de kans reëel dat we hier te maken hebben met Willem van Cranenburg, die dan kennelijk aan de Haagse Beek woont. Voglens bron OV78/194 ligt het Cranenburgoed (ZA) in 1607 deels in Segbroek. Dit moet al in 1330 het geval zijn. Willem wordt namelijk in 1330 beleend met 7 Morgen land door zijn neef Filips IV van Wassenaar. Het Leengoed Wassenaar omvat in die tijd o.a. die Wildernisse, een gebied dat zich uitstrekt over delen van Scheveningen, Eikenduinen en Wassenaar. (> Leengoed Wassenaar). Onder wildernisse verstaat men in de Middeleeuwen ook broekland. Aangezien Willem van Cranenburg is beleend door het Hof te Wassenaar, moet zijn leengoed derhalve ook in die Wildernisse liggen. Segbroek ligt bovendien dicht tegen Scheveningen aan. Het oorspronkelijke Cranenburggoed moet dus ook daaromtrent liggen. Op de kaart van 1611 sub Haagse Beek loopt Segbroek inderdaad helemaal door tot aan de scherpe bocht van de Haagse Beek richting Binnenhof. De beek loopt precies langs de duinen. En daar wonen ook Dirck van Cranenburg en Hein van Kranenburg, ooms van Willem van Cranenburg. Het kan dus haast niet missen.
    De naam uten Broecke is een herkomstnaam. In de gegeven optiek lijkt het op Segbroek te slaan. Temeer daar de naam Segbroek in bron RHH verder niet genoemd wordt en daarom mogelijk in die tijd nog niet in zwang is. Het gebied is nog dun bevolkt en stelt kennelijk nog niet veel voor. Het lijkt er dus inderdaad sterk op dat we hier met Engelbert I en zijn zoon Willem te maken hebben. Dat ze niet met de naam Van Cranenburg worden genoemd is niet zo vreemd. Deze naam wordt feitelijk pas met zoon Jan Engelbrechtsz vrij konsekwent gevoerd. (> NVC)
    Uit analyse van eerder genoemde bron RGL/151 blijkt nagenoeg zeker dat de tekst handelt over enige van de oudste leden van het geslacht Van Cranenburg~ uit Bleiswijk. (> RGL/151) De tekst meldt o.a. dat in 1353-1390 de leen in bezit is van Enghebrecht Heyndricxz. Gezien de bepalingen van overdracht moet deze Enghebrecht Heyndricxz wel een zoon zijn van Hein van Kranenburg, een broer van Engelbert I van Cranenburg. Dat zo zijnde, is deze Engelbert I van Cranenburg (alias uten Broecke) dus inderdaad een ridder. Hughe Enghelbrechtsz is dan kennelijk een zoon van hem.
    Per saldo mogen we op grond van alle gegevens concluderen dat Engelbert I van Cranenburg inderdaad ridder is en een riddermatig leven voert.
    Wapen*: op goud een kraanvogel in blauw, rood gepoot en gesnaveld, houdend in de rechter poot een steen.
    Zoons: Everardus van Cranenburgh, Dirck, Willem, Jan Engelbrechtsz, Ghisebrecht Enghebrechtsz en Hughe Enghelbrechtsz van Cranenburg.
    Vrij zeker ook Filips Engebrechtsz van Cranenburg.


Engelbert II van Cranenburgh
Engelbert II van Cranenburgh (Engebrecht van Cranenburch, Egbrecht, Eggebrecht van Cranenburch, Enghebrecht va), geb. in 1335, ovl. in 1421,
, Neef van Dirc IV van Wassenaar, burggraaf van Leiden. Bezit Cranenburg Bleiswijk. Erft van zijn oom Willem van Cranenburg hofstede Cranenburg te Eikenduinen, waarmee hij wordt beleend op 29.6.1367. Op 29 juni 1367 gaat de leen over naar zijn zoon Jan, benevens het recht om twee zwanen te houden op het Wijndaeler Meer (LHW). In 1383 beleend met een smaltiende te Maasland (4 pond; r.r. 226).
Vermeld 1380, 1396 en 1408. Engelbert is leenman van de Graaf van Holland. Leenvonnis met Hertog Willem van Beieren 8 feb 1407. Huwt Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, beleend met een goed in Maasland.
Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met steen in de rechter poot.

  • Vader:
    Dirck ridder van Cranenburgh, zn. van Engelbert I ridder van Cranenburgh, geb. Bleiswijk Kasteel Cranenburgh circa 1295, ovl. circa 1355,
    , woont in Eikenduinen. Bezegelt met zijn broer Willem e.a. het verdrag van Heer Willem van Oudshoorne, Aarlanderveen en Rijnenburg met diens broer Dirck van Oudshoorn, Knaepe, Victorsdag 1330. Bron RHH schrijft in 1317 voor de regio Eikenduinen Cnoepstoc?). Item ontfaen van den renten van den dunen bi Dirc den jagher ende Heyne den coster    11 £ 2 sc.
    Dit moeten wel zijn Dirck van Cranenburg en zijn oom Hein van Kranenburg. In die tijd wonen er meer Van Cranenburgs' in Eikenduinen en wel specifiek Up de Gheest, de geestgronden ofwel duinwallen van Eikenduinen. Naar de huurprijzen in die tijd in Eikenduinen moet het een enorm groot gebied zijn. Ruw geschat circa 82 Morgen, ofwel 73.8 Ha. Gezien het feit dat Dirck jager is en het feit dat hij een zeer groot gebied bezit, moet Dirck wel een welgeborene zijn, die een riddermatig leven voert. Dat doet ook zijn vader Engelbert I van Cranenburg. Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met een steen in de rechter poot. Udh: Engelbert II van Cranenburg, Johanna van Cranenburg en Aechte van Cranenburch. Mogelijk ook Dieric van Cranenburch (gb 1327) en Joannes van Cranenburch (gb 1345).

tr.
met

Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, dr. van Jan Mourijnsz van de Burgersdijk en Kateline Willem Katelinenzoonsz.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1370 Heusden †1447 Maasland 76
Engelbert III     
Catalina     


Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr van Burghersdijk
Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk.

tr.
met

Engelbert II van Cranenburgh (Engebrecht van Cranenburch, Egbrecht, Eggebrecht van Cranenburch, Enghebrecht va), zn. van Dirck ridder van Cranenburgh, geb. in 1335, ovl. in 1421,
, Neef van Dirc IV van Wassenaar, burggraaf van Leiden. Bezit Cranenburg Bleiswijk. Erft van zijn oom Willem van Cranenburg hofstede Cranenburg te Eikenduinen, waarmee hij wordt beleend op 29.6.1367. Op 29 juni 1367 gaat de leen over naar zijn zoon Jan, benevens het recht om twee zwanen te houden op het Wijndaeler Meer (LHW). In 1383 beleend met een smaltiende te Maasland (4 pond; r.r. 226).
Vermeld 1380, 1396 en 1408. Engelbert is leenman van de Graaf van Holland. Leenvonnis met Hertog Willem van Beieren 8 feb 1407. Huwt Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, beleend met een goed in Maasland.
Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met steen in de rechter poot.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1370 Heusden †1447 Maasland 76
Engelbert III     
Catalina     


Jan Engelbertsz van Cranenburgh
Jan Engelbertsz van Cranenburgh, geb. Heusden in 1370, ovl. Maasland op 23 mei 1447.

  • Vader:
    Engelbert II van Cranenburgh (Engebrecht van Cranenburch, Egbrecht, Eggebrecht van Cranenburch, Enghebrecht va), zn. van Dirck ridder van Cranenburgh, geb. in 1335, ovl. in 1421,
    , Neef van Dirc IV van Wassenaar, burggraaf van Leiden. Bezit Cranenburg Bleiswijk. Erft van zijn oom Willem van Cranenburg hofstede Cranenburg te Eikenduinen, waarmee hij wordt beleend op 29.6.1367. Op 29 juni 1367 gaat de leen over naar zijn zoon Jan, benevens het recht om twee zwanen te houden op het Wijndaeler Meer (LHW). In 1383 beleend met een smaltiende te Maasland (4 pond; r.r. 226).
    Vermeld 1380, 1396 en 1408. Engelbert is leenman van de Graaf van Holland. Leenvonnis met Hertog Willem van Beieren 8 feb 1407. Huwt Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, beleend met een goed in Maasland.
    Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met steen in de rechter poot, tr. met

tr. voor 17 mrt 1429
met

Beatrijs Gherijtsdr van Eijck en Duijnen, geb. circa 1385, ovl. na 17 mrt 1429.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Engelbrecht IV*1414 Heusden †1484 Maasland 70


Engelbert III van Cranenburgh
Engelbert III van Cranenburgh.

  • Vader:
    Engelbert II van Cranenburgh (Engebrecht van Cranenburch, Egbrecht, Eggebrecht van Cranenburch, Enghebrecht va), zn. van Dirck ridder van Cranenburgh, geb. in 1335, ovl. in 1421,
    , Neef van Dirc IV van Wassenaar, burggraaf van Leiden. Bezit Cranenburg Bleiswijk. Erft van zijn oom Willem van Cranenburg hofstede Cranenburg te Eikenduinen, waarmee hij wordt beleend op 29.6.1367. Op 29 juni 1367 gaat de leen over naar zijn zoon Jan, benevens het recht om twee zwanen te houden op het Wijndaeler Meer (LHW). In 1383 beleend met een smaltiende te Maasland (4 pond; r.r. 226).
    Vermeld 1380, 1396 en 1408. Engelbert is leenman van de Graaf van Holland. Leenvonnis met Hertog Willem van Beieren 8 feb 1407. Huwt Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, beleend met een goed in Maasland.
    Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met steen in de rechter poot, tr. met


Catalina van Cranenburgh
Catalina van Cranenburgh.

  • Vader:
    Engelbert II van Cranenburgh (Engebrecht van Cranenburch, Egbrecht, Eggebrecht van Cranenburch, Enghebrecht va), zn. van Dirck ridder van Cranenburgh, geb. in 1335, ovl. in 1421,
    , Neef van Dirc IV van Wassenaar, burggraaf van Leiden. Bezit Cranenburg Bleiswijk. Erft van zijn oom Willem van Cranenburg hofstede Cranenburg te Eikenduinen, waarmee hij wordt beleend op 29.6.1367. Op 29 juni 1367 gaat de leen over naar zijn zoon Jan, benevens het recht om twee zwanen te houden op het Wijndaeler Meer (LHW). In 1383 beleend met een smaltiende te Maasland (4 pond; r.r. 226).
    Vermeld 1380, 1396 en 1408. Engelbert is leenman van de Graaf van Holland. Leenvonnis met Hertog Willem van Beieren 8 feb 1407. Huwt Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, beleend met een goed in Maasland.
    Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met steen in de rechter poot, tr. met


NN Engelbrecht van der Broecsz
NN Engelbrecht van der Broecsz1 (van Bleyswijck van Bokelsosa : 2.326.530, Gijsbrecht van Bokel), geb. circa 1210, ovl. circa 1266,
, Vermoedlijk heet hij Gherard van Schie, parochiaan in Overschie 12 mei 1266
Vermeld 1226, Gijsbrecht Bokel bleef in 1242 ambachtsheer en tiendbezitter van het verkochte land van Bleiswijk.
6-09-1242. Willem II bepaalt dat wie van Willem Scope en Gijsbrecht Bokel land ter ontginning koopt tussen Rotte en Wilenesbrunne zal zijn vrijgesteld van dijklasten. De oudste schriftelijk vermelding van het gebied van Zoetermeer dateert van 1242. De acte omschrijft het land waarop heer Ghisebrecht Bokel het recht van de grote en kleine tienden heeft. Hierin worden ook Zegwaard, Berkel, Bleiswijk en Zevenhuizen genoemd. De eerste vermelding van het kerspel Bleiswijk vinden we in het bekende tiendenregister van 1275-1280. Lang kon de parochie toen bezwaarlijk hebben bestaan. Immers kort voor 1242 werd deze veenstrook door den graaf van Holland ter ontginning uitgegeven aan Gijsbrecht Bokel, een edelman, waarschijnlijk residerende op het slot Burgerstein bij Rotterdam. Deze verkocht reeds in 1242 den grond maar bleef ambachtsheer en tiendbezitter. De kerkstichting valt uiteraard na 1242 maar voor 1276: dan betaald de parochie tienden t.b.v. het Heilige Land.

tr.
met

Mabelia Diederiks Beuckelsdr2, dr. van Dirc Beuckel ridder,
, Erfdochter van Matenesse, kreeg recht van opvolging op17 maart 1251.

Uit dit huwelijk 5 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Vrouwe     
Dirk  †1314   
Gijsbrecht  †1301   
Herman     
Herman     



Bronnen:
1.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 317)
2.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 316)

Dirk Bokel
Dirk (Theodoricus) Bokel1,6,2,3,7,4,5,
, Vermeld als getuige voor de graaf van Holland en als broeder van Jacob burggraaf van Leiden op  23 juli 1233.
Ontginner van het oostelijk deel van de Blijdorpse polder, en de  Bokelsdijk (Beukelsdijk) te Rotterdam dragen zijnnaam.
r
Op 3 nov 1200, 28 aug 1215 en 1216 wordt onder de edelen een Dirk Bokel genoemd en in 1226 en 1245 een Gijsbrecht. In het jaar 1252 vergunde koning Willem aan een zekeren Dirk Bokel, dat in geval hij zonder mannelijke nakomelingschap stierf, zijn oudste dochter zijn leengoed zou beërven. In oorkonden sinds1285 wordt weer van een Gijsbrecht Bokel gesproken. De 13e December 1280 stelde Floris V de bewoners van Dirk Bokels ambacht vrij van schot, en in 1287 vergunde hij aan die zelfde Dirk, om enige bepalingen over de bedijkingen in zijn ambacht te maken (De oorspronkelijke bronstukken zijn te vinden in het oorkondenboek van van den Bergh en achter de verhandelingen van prof. de Geer).

Hij krijgt een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirc     



Bronnen:
1.Gens Nostra (GN), Nederlandse Genealogische Vereniging, Amsterdam, van 1946 tot 1995
2.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 76)
3.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 189)
4.Rijnland in de donkere eeuwen (B 051), Freek Lugt, Primavera, Leiden, 2021 (blz. 251)
5.Rijnland in de donkere eeuwen (B 051), Freek Lugt, Primavera, Leiden, 2021 (blz. 252)
6.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 317)
7.Oorkondenboek van Holland en Zeeland van 1222 tot 1256, deel 2 (B 045), Oorkondenboek van Holland en Zeeland II, Dr. J.G. Kruisheer, van Gorcum, Assen, 1986 (blz. 558)
8.Rijnland in de donkere eeuwen (B 051), Freek Lugt, Primavera, Leiden, 2021 (blz. 237)

Dirk van Bokel
Dirk van Bokel ridder1, ovl. voor 9 mei 1314,
, Ambachtsheer van Matenesse, ontving de tienden van Raamsdonk 23 aug 1273
Vermeld 1280,1282, 1287 en als borg van graaf Floris V 22 mei 1290
Dirk Bokel van 1287 had een zoon, die zich Dirk Bokel Uyternesse noemde, en wiens zonen de naam van Matenesse aannamen; naar alle waarschijnlijkheid (op dit punt zijn alle kroniekschrijvers eenstemmig) was het een broer van Dirk, genaamd Philips, die het aanzijn gaf aan het geslacht van der Spangen. Ook prof. de Geer sluit zich bij deze mening aan.
Dirk Bokel was in 1306 ambachtsheer van Bleiswijk. (Overleden 1334/1336). (B03).

  • Vader:
    NN Engelbrecht van der Broecsz2 (van Bleyswijck van Bokelsosa : 2.326.530, Gijsbrecht van Bokel), zn. van Engelbrecht van der Broecsz ridder en NN Hugendr van Heemskerck, geb. circa 1210, ovl. circa 1266,
    , Vermoedlijk heet hij Gherard van Schie, parochiaan in Overschie 12 mei 1266
    Vermeld 1226, Gijsbrecht Bokel bleef in 1242 ambachtsheer en tiendbezitter van het verkochte land van Bleiswijk.
    6-09-1242. Willem II bepaalt dat wie van Willem Scope en Gijsbrecht Bokel land ter ontginning koopt tussen Rotte en Wilenesbrunne zal zijn vrijgesteld van dijklasten. De oudste schriftelijk vermelding van het gebied van Zoetermeer dateert van 1242. De acte omschrijft het land waarop heer Ghisebrecht Bokel het recht van de grote en kleine tienden heeft. Hierin worden ook Zegwaard, Berkel, Bleiswijk en Zevenhuizen genoemd. De eerste vermelding van het kerspel Bleiswijk vinden we in het bekende tiendenregister van 1275-1280. Lang kon de parochie toen bezwaarlijk hebben bestaan. Immers kort voor 1242 werd deze veenstrook door den graaf van Holland ter ontginning uitgegeven aan Gijsbrecht Bokel, een edelman, waarschijnlijk residerende op het slot Burgerstein bij Rotterdam. Deze verkocht reeds in 1242 den grond maar bleef ambachtsheer en tiendbezitter. De kerkstichting valt uiteraard na 1242 maar voor 1276: dan betaald de parochie tienden t.b.v. het Heilige Land, tr. met

tr.
met

ver Lizebette die Witte1, dr. van Jan (Johan) die Witte (schepen van Delft 1299) en ver Hadewie IJsbrantsdr van Maerlant, geb. circa 1265, ovl. op 18 jan 1311,
, vermeld met haar zonen bij verkoop van het land in de vrijenban bij Delft aan het klosster Koningsveld 18 jan 1311.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan  †1348   



Bronnen:
1.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 316)
2.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 317)

Gijsbrecht van Bokel
Gijsbrecht van Bokel, vermoord in 1301, ovl. in mei 1301 vermoord,
, door de moord op Graaf Floris V in 1296 verloor Gijsbrecht Bokel, een belangrijke heer ten westen van de Rotte, zijn rechten, zij gingen over in de handen van de hogere Graaf.
Gijsbrecht Bokel was waarschijnlijk een halfbroer van Gijsbrecht Both van der Eem. Ze worden bijvoorbeeld samen genoemd als borgen voor de heren van Amstel, dezelfde die o.m. verantwoordelijk waren voor de moord op Floris V. Bokel verloor dus zijn rechten. Both van der Eem vreemd genoeg niet. Deze twee schijnen regelmatig samen vermeld te staan in oorkonden. Volgens prof. de Geer was waarschijnlijk de in 1226 voorkomende Gijsbrecht een broeder van Dirk (1200,1216), van welke Gijsbrecht dan de Rotterdamsche Bokels, afkomstig zouden zijn, terwijl Dirk weer een zoon Dirk had (1252, 1280) van wie de Matenesses zouden afstammen. Doch prof. Fruin wijst er terecht op, dat het niet onwaarschijnlijk is dat de stamvader der Matenesses een broer of oom van ridder Gijsbrecht (1285) geweest is, en denkelijk Floris heette, omdat in een stuk van 1296 melding gemaakt wordt van Bokel Florens ambacht (Bijlagen tot de kroniek van rotterdam no XV), dat omtrent Matenesse gelegen schijnt te hebben. Dat dit ambacht nog betrekkelijk laat met die naam wordt aangeduid, is mijns inziens te verklaren, wanneer men aanneemt, dat deze Floris een jongere zoon was, en dus een gedeelte van de vaderlijke, tot dan toe ongescheiden, goederen erfde, welk gedeelte dan naar hem genoemd werd en bleef, ook toen een latere bezitter een andere naam droeg. Dezen Floris zou ik dan het liefst (hoewel het natuurlijk niet meer dan een gissing is) willen plaatsen tussen Dirk van 1200 en Dirk van 1287, daar het mij de jaartallen waarschijnlijker voorkomt dat de laatste een kleinzoon van de eerste was. Om dezelfde reden zou Gijsbrecht van 1226 niet voor een broer, maar voor een zoon van de eerste Dirk gehouden kunnen worden, daar Gijsbrechts zoon, ridder Gijsbrecht, in, 1285 voorkomt, dus in de zelfde tijd als Dirk, kleinzoon van Dirk van 1200. De Dirk Bokel van 1287 had een zoon, die zich Dirk Bokel Uyternesse noemde, en wiens zonen de naam van Matenesse aannamen; naar alle waarschijnlijkheid (op dit punt zijn alle kroniekschrijvers eenstemmig) was het een broer van Dirk, genaamd Philips, die het aanzijn gaf aan het geslacht van der Spangen. Ook prof. de Geer sluit zich bij deze mening aan. Ghisebrecht is in 1281 leenman van de graaf voor de volgende lenen: 6 lb. per jaar uit de lentebede te Monster, het ambacht Bleiswijk met alle tienden, de ambachten Bokelsdijk, Blommersdijk, Middellant en Cool, 16 gaarden en 7 gaarden in Ysselmond’e, land en ambacht in de Broke, 24 morgen op het Trinvelt (tussen Overschie en Delft), ½ hoeve in Abtswoude, een aantal stukken land te Rijswijk en een hoeve grasland te Bleiswijk. Sommige lenen zijn door hem in achterleen uitgegeven. Daar hij binnen de ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk heet te wonen, zal hij op het kasteel Wena binnen dit laatste ambacht gezeteld hebben. In 1904 zijn resten van dit kasteel aangetroffen, dat o.a. uit een grote dertiendeeeuwse donjon bestond, opgetrokken van bakstenen van 8½ x 15½ x 31¼ cm. De acte van 1242 is niet zo onduidelijk als men op het eerste gezicht zou zeggen. Heer Ghijsbrecht Bokel heeft van de graaf een ontginningsconcessie gekocht ten noorden van de oudere ontginning Rotta of Hillegersberg. Zoals in deze tijd gebruikelijk, tracht hij het land, te verkopen aan particulieren, waarbij hij zelf het tiendrecht en de lagere jurisdictie aan zich houdt. Nu is er een belangrijke gegadigde gekomen, heer Willem Stope, mogelijk de vader van de in 1269 genoemde heer Vrancke Stoep, eigenaar van het kasteel te Hillegersblerg, die een belangrijk complex wil verwerven onder de meest gunstige voorwaarden n.l. dat het niet behoeft bij te dragen in de onderhoudskosten van de Maasdijk. Maar dit recht kan heer Ghisebrecht niet verlenen, dit kan alleen de graaf, die dit ook alweer niet voor niets doet, zodat de graaf kan verklaren, dat het land (en vrijdom van dijklasten) van heer Ghisebrecht en hemzelf zijn gekócht, zodat wij heep Ghisebrecht in 1242 als ambachtsheer van Bleyswijk mogen zien. In 1281 zien wij weer een heer Ghisebrechf als ambachtslieer, deze blijkt in 1285 een mondige zoon te hebben, eveneens Ghisebrechf genaamd, die dus naar zijn grootvader heet. De opvolging in het zelfde leen, de herhaling van de zelfde naam van de eerste in de derde generatie en de tijd van optreden van Ghijsbrecht I ( 1226-1242), van Ghisebrecht II (1281-1288) en van Ghisebrecht III ( 1285-1301) geven in ieder geval een degelijke grond voor de veronderstelde filiatie. Heer Ghisebrecht stelt zich op 27 oktober 1285 aIs borg tegenover graaf Floris V garant voor de broeders van Aemstel voor de naleving van de zoenverdragen door deze met de graaf gesloten: op 14 juli 1288 komt hij voor het laatst voor.

  • Vader:
    NN Engelbrecht van der Broecsz1 (van Bleyswijck van Bokelsosa : 2.326.530, Gijsbrecht van Bokel), zn. van Engelbrecht van der Broecsz ridder en NN Hugendr van Heemskerck, geb. circa 1210, ovl. circa 1266,
    , Vermoedlijk heet hij Gherard van Schie, parochiaan in Overschie 12 mei 1266
    Vermeld 1226, Gijsbrecht Bokel bleef in 1242 ambachtsheer en tiendbezitter van het verkochte land van Bleiswijk.
    6-09-1242. Willem II bepaalt dat wie van Willem Scope en Gijsbrecht Bokel land ter ontginning koopt tussen Rotte en Wilenesbrunne zal zijn vrijgesteld van dijklasten. De oudste schriftelijk vermelding van het gebied van Zoetermeer dateert van 1242. De acte omschrijft het land waarop heer Ghisebrecht Bokel het recht van de grote en kleine tienden heeft. Hierin worden ook Zegwaard, Berkel, Bleiswijk en Zevenhuizen genoemd. De eerste vermelding van het kerspel Bleiswijk vinden we in het bekende tiendenregister van 1275-1280. Lang kon de parochie toen bezwaarlijk hebben bestaan. Immers kort voor 1242 werd deze veenstrook door den graaf van Holland ter ontginning uitgegeven aan Gijsbrecht Bokel, een edelman, waarschijnlijk residerende op het slot Burgerstein bij Rotterdam. Deze verkocht reeds in 1242 den grond maar bleef ambachtsheer en tiendbezitter. De kerkstichting valt uiteraard na 1242 maar voor 1276: dan betaald de parochie tienden t.b.v. het Heilige Land, tr. met

tr. circa 1285
met

Catharina van Vianen, dr. van Hubrecht ridder van Vianen en Agniese van Langerak (vermeld 1306-1317/1318).

Bronnen:

1.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 317)
2.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 316)

Herman van West IJsselmonde
Herman van West IJsselmonde.

  • Vader:
    NN Engelbrecht van der Broecsz1 (van Bleyswijck van Bokelsosa : 2.326.530, Gijsbrecht van Bokel), zn. van Engelbrecht van der Broecsz ridder en NN Hugendr van Heemskerck, geb. circa 1210, ovl. circa 1266,
    , Vermoedlijk heet hij Gherard van Schie, parochiaan in Overschie 12 mei 1266
    Vermeld 1226, Gijsbrecht Bokel bleef in 1242 ambachtsheer en tiendbezitter van het verkochte land van Bleiswijk.
    6-09-1242. Willem II bepaalt dat wie van Willem Scope en Gijsbrecht Bokel land ter ontginning koopt tussen Rotte en Wilenesbrunne zal zijn vrijgesteld van dijklasten. De oudste schriftelijk vermelding van het gebied van Zoetermeer dateert van 1242. De acte omschrijft het land waarop heer Ghisebrecht Bokel het recht van de grote en kleine tienden heeft. Hierin worden ook Zegwaard, Berkel, Bleiswijk en Zevenhuizen genoemd. De eerste vermelding van het kerspel Bleiswijk vinden we in het bekende tiendenregister van 1275-1280. Lang kon de parochie toen bezwaarlijk hebben bestaan. Immers kort voor 1242 werd deze veenstrook door den graaf van Holland ter ontginning uitgegeven aan Gijsbrecht Bokel, een edelman, waarschijnlijk residerende op het slot Burgerstein bij Rotterdam. Deze verkocht reeds in 1242 den grond maar bleef ambachtsheer en tiendbezitter. De kerkstichting valt uiteraard na 1242 maar voor 1276: dan betaald de parochie tienden t.b.v. het Heilige Land, tr. met



Bronnen:

1.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 317)
2.Afgeschermd, Deel XIV (blz. 316)

Catharina van Vianen
Catharina van Vianen.

  • Vader:
    Hubrecht (Hubert) ridder van Vianen1 (van Bloemensteyn), zn. van Zweder I van Bosinchem en Vianen en Margaretha Jacobsdr van Vlotstale, geb. in 1255, ovl. op 25 mei 1318, begr. in 1319,
    , Knape 1 april 1288, ridder 19 oktober 1289 (toen hij van graaf Floris V voor 236 pond en 15 stuivers het gerecht in Vreeswijk pandde). Beloofde op 25 oktober 1294 hulp aan graaf Floris V, herhaalde deze belofte tegenover graaf Jan I op 24 juni 1298.
    Beloofde aan graaf Reinoud van Gelre 6 dec. 1294 niet zonder permissie op de Veluwe te jagen, evenalls zijn oom Alard van Bosinchem, zijn neef Dirk Splinter van Bosinchem en zijn zoon Zweder beloofle hij graaf Floris V op 25 okt. 1294 hulp, zij herhaalden deze belofte tegenover graaf Jan I op 24 juni 1298, pachtte op 18 juli 1306 van het convent van Oostbroek de hofstede Vuthoff en het goed van Hulsdingen ten westen van Vianen, 19 okt. 1307 borg voor [de heer van Culemborg, leende op 13 nov. 1313 graaf Reinoud I van Gelre 1000 pond, zegelde nog op 6 mei 1318.
    Anno 1317 Gerardus de Sconouwen 18665  famulus samen met Hubertus de Vianen miles, Johannes de Bosinchem en Otto de Buren, famuli borg voor Gerardus de Weerdenberch famulus filius quondam dni Rodolphi de Koc militis als deze de tiende van Hyre, Nedereynen en Poynen van het kapittel van St Jan Utrecht in pacht ontvangt, tr. met
 

tr. circa 1285
met

Gijsbrecht van Bokel, zn. van NN Engelbrecht van der Broecsz en Mabelia Diederiks Beuckelsdr, vermoord in 1301, ovl. in mei 1301 vermoord,
, door de moord op Graaf Floris V in 1296 verloor Gijsbrecht Bokel, een belangrijke heer ten westen van de Rotte, zijn rechten, zij gingen over in de handen van de hogere Graaf.
Gijsbrecht Bokel was waarschijnlijk een halfbroer van Gijsbrecht Both van der Eem. Ze worden bijvoorbeeld samen genoemd als borgen voor de heren van Amstel, dezelfde die o.m. verantwoordelijk waren voor de moord op Floris V. Bokel verloor dus zijn rechten. Both van der Eem vreemd genoeg niet. Deze twee schijnen regelmatig samen vermeld te staan in oorkonden. Volgens prof. de Geer was waarschijnlijk de in 1226 voorkomende Gijsbrecht een broeder van Dirk (1200,1216), van welke Gijsbrecht dan de Rotterdamsche Bokels, afkomstig zouden zijn, terwijl Dirk weer een zoon Dirk had (1252, 1280) van wie de Matenesses zouden afstammen. Doch prof. Fruin wijst er terecht op, dat het niet onwaarschijnlijk is dat de stamvader der Matenesses een broer of oom van ridder Gijsbrecht (1285) geweest is, en denkelijk Floris heette, omdat in een stuk van 1296 melding gemaakt wordt van Bokel Florens ambacht (Bijlagen tot de kroniek van rotterdam no XV), dat omtrent Matenesse gelegen schijnt te hebben. Dat dit ambacht nog betrekkelijk laat met die naam wordt aangeduid, is mijns inziens te verklaren, wanneer men aanneemt, dat deze Floris een jongere zoon was, en dus een gedeelte van de vaderlijke, tot dan toe ongescheiden, goederen erfde, welk gedeelte dan naar hem genoemd werd en bleef, ook toen een latere bezitter een andere naam droeg. Dezen Floris zou ik dan het liefst (hoewel het natuurlijk niet meer dan een gissing is) willen plaatsen tussen Dirk van 1200 en Dirk van 1287, daar het mij de jaartallen waarschijnlijker voorkomt dat de laatste een kleinzoon van de eerste was. Om dezelfde reden zou Gijsbrecht van 1226 niet voor een broer, maar voor een zoon van de eerste Dirk gehouden kunnen worden, daar Gijsbrechts zoon, ridder Gijsbrecht, in, 1285 voorkomt, dus in de zelfde tijd als Dirk, kleinzoon van Dirk van 1200. De Dirk Bokel van 1287 had een zoon, die zich Dirk Bokel Uyternesse noemde, en wiens zonen de naam van Matenesse aannamen; naar alle waarschijnlijkheid (op dit punt zijn alle kroniekschrijvers eenstemmig) was het een broer van Dirk, genaamd Philips, die het aanzijn gaf aan het geslacht van der Spangen. Ook prof. de Geer sluit zich bij deze mening aan. Ghisebrecht is in 1281 leenman van de graaf voor de volgende lenen: 6 lb. per jaar uit de lentebede te Monster, het ambacht Bleiswijk met alle tienden, de ambachten Bokelsdijk, Blommersdijk, Middellant en Cool, 16 gaarden en 7 gaarden in Ysselmond’e, land en ambacht in de Broke, 24 morgen op het Trinvelt (tussen Overschie en Delft), ½ hoeve in Abtswoude, een aantal stukken land te Rijswijk en een hoeve grasland te Bleiswijk. Sommige lenen zijn door hem in achterleen uitgegeven. Daar hij binnen de ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk heet te wonen, zal hij op het kasteel Wena binnen dit laatste ambacht gezeteld hebben. In 1904 zijn resten van dit kasteel aangetroffen, dat o.a. uit een grote dertiendeeeuwse donjon bestond, opgetrokken van bakstenen van 8½ x 15½ x 31¼ cm. De acte van 1242 is niet zo onduidelijk als men op het eerste gezicht zou zeggen. Heer Ghijsbrecht Bokel heeft van de graaf een ontginningsconcessie gekocht ten noorden van de oudere ontginning Rotta of Hillegersberg. Zoals in deze tijd gebruikelijk, tracht hij het land, te verkopen aan particulieren, waarbij hij zelf het tiendrecht en de lagere jurisdictie aan zich houdt. Nu is er een belangrijke gegadigde gekomen, heer Willem Stope, mogelijk de vader van de in 1269 genoemde heer Vrancke Stoep, eigenaar van het kasteel te Hillegersblerg, die een belangrijk complex wil verwerven onder de meest gunstige voorwaarden n.l. dat het niet behoeft bij te dragen in de onderhoudskosten van de Maasdijk. Maar dit recht kan heer Ghisebrecht niet verlenen, dit kan alleen de graaf, die dit ook alweer niet voor niets doet, zodat de graaf kan verklaren, dat het land (en vrijdom van dijklasten) van heer Ghisebrecht en hemzelf zijn gekócht, zodat wij heep Ghisebrecht in 1242 als ambachtsheer van Bleyswijk mogen zien. In 1281 zien wij weer een heer Ghisebrechf als ambachtslieer, deze blijkt in 1285 een mondige zoon te hebben, eveneens Ghisebrechf genaamd, die dus naar zijn grootvader heet. De opvolging in het zelfde leen, de herhaling van de zelfde naam van de eerste in de derde generatie en de tijd van optreden van Ghijsbrecht I ( 1226-1242), van Ghisebrecht II (1281-1288) en van Ghisebrecht III ( 1285-1301) geven in ieder geval een degelijke grond voor de veronderstelde filiatie. Heer Ghisebrecht stelt zich op 27 oktober 1285 aIs borg tegenover graaf Floris V garant voor de broeders van Aemstel voor de naleving van de zoenverdragen door deze met de graaf gesloten: op 14 juli 1288 komt hij voor het laatst voor.

Bronnen:

1.Genealogie Uten Goye (Van Langerak) (B 002), B. de Keijzer, Ons Voorgeslacht, Emmen, 15 nov 2020 (blz. 29)
2.Genealogie Uten Goye (Van Langerak) (B 002), B. de Keijzer, Ons Voorgeslacht, Emmen, 15 nov 2020 (blz. 51)

Dirk III van Wassenaer
Dirk III van Wassenaer1, geb. Voorschoten circa 1333, burggraaf van Leiden, ovl. tussen mei 1391 en 7 nov 1392 ,
, bewoonde kasteel 't Zandt te Oegstgeest, stond onder voogdij van Jan van Polanen mei 1350 en nam als zodanig op 5 sept. 1350 deel aan het Hoekse verbond, werd na de Kabeljauwse staatsgreep d.d. 24 juni 1351 sterk beperkt in zijn rechten, verzoende zich met de graaf sept. 1351, vervolgens onder curatele van 3 Leidse Kabeljouwen 1351-1355, in dienst van graaf Willem V (1353), door huwelijk heer van Oost-Barendrecht 1354, tot ridder geslagen 1356, maakte gemene zaak met de Hoeken en werd onder curatele gesteld van 27 nov. 1356 tot 2 sept. 1357, nam deel aan het landsbestuur in afwezigheid van hertog Albrecht 1358-1381, verkocht alle erven rondom de Leidse Burcht 5 jan. 1360, werd na de moord op de Kabeljouw Claas Colijn berecht doch vrijgesproken 18 jan. 1384, in gevangenschap (Luik) 1386-1387, speelde geen rol van betenis meer na 1387; had een buitenechtelijke relatie met een onbekend meisje.

  • Vader:
    Philips III / IV van Wassenaer2,1,3, zn. van Dirck II van Wassenaar en Alveradis van Cuijck van Leyden (erfdochter van Leiden), geb. Voorschoten in 1307, burggraaf van Leiden en ambachtsheer van Oegstgeest, ovl. voor 5 jan 1348,
    , volgde zijn vader op in diens Wassenaarse goederen 1319, nam deel aan de Slag bij Kassel 1328, kocht het burggraafschap van Leiden van graaf Willem IV 1340, als zodanig ambachtsheer van Valckenburg en Catwijck, nam intrek in kasteel 't Zand tussen Katwijk en Oegstgeest 1340, kreeg te maken met tegenstand van de Leidse Kabeljauwse factie, maakte testament sept. 1343, moest toezien dat Leiden bij privilege van gravin Margaretha mocht uitbreiden tot het Hogheland 1 sept. 1346. Hij  wordt met voornaam vermeld in een oorkonde van graaf Willem III d.d. 5 oktober 1307 waarin Dirk III van Wassenaer aan burggraaf Hendrik belooft dat hij zijn zoon Philips verwekt bij diens dochter niet ontgoeden zal aan een aantal met name genoemde goederen. Jonkvrouwe Alveraed, de moeder van Philips IV van Wassenaer,wordt vervolgens op 27 mei 1310 vermeld als ze wordt getocht aan een leengoed van de heer van Voorne, tr. (1) in 1319 met Goede(line) (Guda, Goda) van Benthem1. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (3) na 16 okt 1333 met Catharina Gijzendr Dudinck4 (Duyck). Uit dit huwelijk geen kinderen, Hij krijgt geen kinderen, tr. (2) tussen 1321 en 1326 met

tr. op 29 sep 1354
met

Magteld Gillisdr Oem1, dr. van Gillis Heer van Barendrecht Oem en Maria Frederiksdr van Amerongen, geb. circa 1325, erfdochter van Oost-Barendrecht.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Philips IV*1350  †1428 Wijk bij Duurstede 78



Bronnen:
1.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 86)
2.Afgeschermd, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883
3.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 204)
4.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 205)

Magteld Gillisdr Oem
Magteld Gillisdr Oem1, geb. circa 1325, erfdochter van Oost-Barendrecht.

tr. op 29 sep 1354
met

Dirk III van Wassenaer1, zn. van Philips III / IV van Wassenaer en Elisabeth van der Dussen, geb. Voorschoten circa 1333, burggraaf van Leiden, ovl. tussen mei 1391 en 7 nov 1392 ,
, bewoonde kasteel 't Zandt te Oegstgeest, stond onder voogdij van Jan van Polanen mei 1350 en nam als zodanig op 5 sept. 1350 deel aan het Hoekse verbond, werd na de Kabeljauwse staatsgreep d.d. 24 juni 1351 sterk beperkt in zijn rechten, verzoende zich met de graaf sept. 1351, vervolgens onder curatele van 3 Leidse Kabeljouwen 1351-1355, in dienst van graaf Willem V (1353), door huwelijk heer van Oost-Barendrecht 1354, tot ridder geslagen 1356, maakte gemene zaak met de Hoeken en werd onder curatele gesteld van 27 nov. 1356 tot 2 sept. 1357, nam deel aan het landsbestuur in afwezigheid van hertog Albrecht 1358-1381, verkocht alle erven rondom de Leidse Burcht 5 jan. 1360, werd na de moord op de Kabeljouw Claas Colijn berecht doch vrijgesproken 18 jan. 1384, in gevangenschap (Luik) 1386-1387, speelde geen rol van betenis meer na 1387; had een buitenechtelijke relatie met een onbekend meisje.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Philips IV*1350  †1428 Wijk bij Duurstede 78



Bronnen:
1.Het ontstaan van Leiden. (B 021), Freek Lugt, Primavera Pers, 978-90-5997-126-4, Leiden, 2012 (blz. 86)