Cees Hagenbeek
Dalmace dit Dalmas II de Brioude de Polignac
Dalmace dit Dalmas II de Brioude de Polignac, geb. Le Puy-en-Velay [Frankrijk] circa 895, Abbé Laïc de Saint-Julien de Brioude (43). Avoué de Saint-Chaffre, ovl. in 964.

Dalmace dit Dalmas II de Brioude de Polignac.
Vicomte de Polignac, Vicomte de Brioude, Vicomte de Velay.

tr. circa 920
met

Gauberte, Engelberthe de Chanteuges d'Aquitaine, geb. Bordeaux (F) [Frankrijk] circa 890, ovl. in 936.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Engelberge*910 Brioude [Frankrijk] †962 Clermont-Ferrand [Frankrijk] 52


Gauberte, Engelberthe de Chanteuges d'Aquitaine
Gauberte, Engelberthe de Chanteuges d'Aquitaine, geb. Bordeaux (F) [Frankrijk] circa 890, ovl. in 936.

tr. circa 920
met

Dalmace dit Dalmas II de Brioude de Polignac, zn. van Dalmas I de Brioude en Bertrande d'Ermeto, geb. Le Puy-en-Velay [Frankrijk] circa 895, Abbé Laïc de Saint-Julien de Brioude (43). Avoué de Saint-Chaffre, ovl. in 964.

Dalmace dit Dalmas II de Brioude de Polignac.
Vicomte de Polignac, Vicomte de Brioude, Vicomte de Velay.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Engelberge*910 Brioude [Frankrijk] †962 Clermont-Ferrand [Frankrijk] 52


Ermengaud Le Prince Magnifique de Rouergue
Ermengaud Le Prince Magnifique de Rouergue (Ermengaud le Prince Magnifique de Gevaudan, Ermengaud le Prince Magnifique de Toulouse), geb. circa 870, ovl. in 937.

Ermengaud Le Prince Magnifique de Rouergue (Ermengaud le Prince Magnifique de Gevaudan, Ermengaud le Prince Magnifique de Toulouse).
Marquis de Gothie, Comte de Rouergue, Comte de Quercy (46-82) Comte de Rouergue et de Quercy (918-937), Comte de Nîmes et d' Albi (918-940), Duc de Septimanie (918-940), Comte de Gévaudan (932-954).

Ermengaud de Rouergue, de tweede zoon van Eudes, was in 919 graaf van Rouergue. In 932 werd hij beleend met het graafschap Gévaudan, dat hem werd overgedragen door koning Raoul. Samen met zijn broer Raymond bezat hij ook het Quercy, het Albigeois, en het markizaat van Septimanie of Gothie.

In 927 [937] deed Ermengaud een ruil met Frédelon, abt van Vabres. In 931 vergezelde hij zijn neef Raymond-Pons de Toulouse naar Nevers of Auxerre om hulde te brengen aan koning Raoul, die hij al vanaf 924 steunde. Hij werd "Prince Magnifique" genoemd in een oorkonde van het jaar 934. .

Ermengaud stierf rond 937. Uit zijn huwelijk met Adélaïde ("Comitissa") had hij drie zonen, waaronder Hugues en Raymond.

 

tr.
met

Adélais de Carcassonne, dr. van Acfred Ier graaf de Carcassona (graaf van Razès) en Adelaide d'Auvergne, geb. Toulouse [Frankrijk] circa 880, ovl. Rodez [Frankrijk] in 925.

Uit dit huwelijk 7 kinderen, waaronder:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Étienne I*917 Mende [Frankrijk] †970  52


Adélais de Carcassonne
Adélais de Carcassonne, geb. Toulouse [Frankrijk] circa 880, ovl. Rodez [Frankrijk] in 925.

tr.
met

Ermengaud Le Prince Magnifique de Rouergue (Ermengaud le Prince Magnifique de Gevaudan, Ermengaud le Prince Magnifique de Toulouse), zn. van Odo van Toulouse (graaf van Toulouse) en Garsinde van Alby, geb. circa 870, ovl. in 937.

Ermengaud Le Prince Magnifique de Rouergue (Ermengaud le Prince Magnifique de Gevaudan, Ermengaud le Prince Magnifique de Toulouse).
Marquis de Gothie, Comte de Rouergue, Comte de Quercy (46-82) Comte de Rouergue et de Quercy (918-937), Comte de Nîmes et d' Albi (918-940), Duc de Septimanie (918-940), Comte de Gévaudan (932-954).

Ermengaud de Rouergue, de tweede zoon van Eudes, was in 919 graaf van Rouergue. In 932 werd hij beleend met het graafschap Gévaudan, dat hem werd overgedragen door koning Raoul. Samen met zijn broer Raymond bezat hij ook het Quercy, het Albigeois, en het markizaat van Septimanie of Gothie.

In 927 [937] deed Ermengaud een ruil met Frédelon, abt van Vabres. In 931 vergezelde hij zijn neef Raymond-Pons de Toulouse naar Nevers of Auxerre om hulde te brengen aan koning Raoul, die hij al vanaf 924 steunde. Hij werd "Prince Magnifique" genoemd in een oorkonde van het jaar 934. .

Ermengaud stierf rond 937. Uit zijn huwelijk met Adélaïde ("Comitissa") had hij drie zonen, waaronder Hugues en Raymond.

Uit dit huwelijk 7 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Étienne I*917 Mende [Frankrijk] †970  52


Gerard de Laron
Gerard de Laron, geb. in 914.

tr.
met

Odolgarde de Ségur, dr. van Foucher II de Ségur (Vicomte de Ségur) en Emma de Marcillac, geb. circa 928.

 

Uit dit huwelijk een zoon:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Adhémar*932 Bourganeuf [Frankrijk] †993  61


Odolgarde de Ségur
 
Odolgarde de Ségur, geb. circa 928.

 
 

tr.
met

Gerard de Laron, geb. in 914.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Adhémar*932 Bourganeuf [Frankrijk] †993  61


Foucher II de Ségur
 
Foucher II de Ségur (Foucher II de Limoges), geb. Ségur-Le-Château [Frankrijk] circa 905, Vicomte de Ségur, ovl. circa 950.


Foucher II de Ségur (Foucher II de Limoges).
De Ségur (burggraafschappen). Het kasteel van Ségur, gelegen op 4 mijlen van Uzerche, was de bakermat van een machtig geslacht waaruit de eerste erfelijke burggraafschappen van Limoges voortkwamen. .

De oudste waarover Adémar de Chabanais spreekt, is Foucher, die hij kwalificeert als industrium fabrum in lignis, oftewel een bekwaam ingenieur in oorlogsmachines, benoemd tot burggraaf van Limoges en de bovenste Limousin door koning Eudes in 887. Hij had twee zonen: de oudste, Adelbert, werd burggraaf van Limoges en de bovenste Limousin; de jongste werd burggraaf van Ségur.

Zijn nageslacht eindigde met Adémar, burggraaf van Ségur, die leefde tijdens het bewind van Hugues Capet en oorlog voerde tegen Aldebert I, graaf van Périgord. Emme, dochter en erfgename van Adémar, burggraaf van Ségur, trouwde vóór het jaar 1000 met Gui I, burggraaf van Limoges, die door zijn huwelijk het kasteel en de burggraafschappen van Ségur aan zijn leengoed toevoegde.

 
 

tr.
met

Emma de Marcillac, dr. van Odolric I de Marcillac en Engelberte , geb. Marcillac-Vallon [Frankrijk] circa 908.

 

Uit dit huwelijk 3 kinderen, waaronder:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Odolgarde*928     


Emma de Marcillac
 
Emma de Marcillac, geb. Marcillac-Vallon [Frankrijk] circa 908.

 

tr.
met

Foucher II de Ségur (Foucher II de Limoges), zn. van Foucher I de Limoges (Vicomte de Limoges, 1° Vicomte de Ségur) en Christine ou Dina dite de Castelnau-le-Lez de Chanac, geb. Ségur-Le-Château [Frankrijk] circa 905, Vicomte de Ségur, ovl. circa 950.

 


Foucher II de Ségur (Foucher II de Limoges).
De Ségur (burggraafschappen). Het kasteel van Ségur, gelegen op 4 mijlen van Uzerche, was de bakermat van een machtig geslacht waaruit de eerste erfelijke burggraafschappen van Limoges voortkwamen. .

De oudste waarover Adémar de Chabanais spreekt, is Foucher, die hij kwalificeert als industrium fabrum in lignis, oftewel een bekwaam ingenieur in oorlogsmachines, benoemd tot burggraaf van Limoges en de bovenste Limousin door koning Eudes in 887. Hij had twee zonen: de oudste, Adelbert, werd burggraaf van Limoges en de bovenste Limousin; de jongste werd burggraaf van Ségur.

Zijn nageslacht eindigde met Adémar, burggraaf van Ségur, die leefde tijdens het bewind van Hugues Capet en oorlog voerde tegen Aldebert I, graaf van Périgord. Emme, dochter en erfgename van Adémar, burggraaf van Ségur, trouwde vóór het jaar 1000 met Gui I, burggraaf van Limoges, die door zijn huwelijk het kasteel en de burggraafschappen van Ségur aan zijn leengoed toevoegde.

Uit dit huwelijk 3 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Odolgarde*928     


Wulgrin du Périgord
Wulgrin du Périgord, geb. in 840, ovl. op 25 mei 886.

tr.
met

Regelinde (Regilinde) de Toulouse (Regelindis de Septinië, Regelinde de Septimanie, Regelinde Sancia de Rouergue), dr. van Raimund I van Toulouse (graaf van Toulouse) en Bertha van Reims (Dame de Roucy), geb. Villefranche-de-Rouergue [Frankrijk] circa 842, Comtesse d'Agen, ovl. Sévérac-Le-Château [Frankrijk] Sévérac d'Aveyron [,fra] op 3 mei 886, tr. (1) met Wulgrim I Taille Fer (Wulgrim) graaf d'Angoulême (Wulgrim I d'Angouleme et de Périgord) (Wulgrim de Marcillac), zn. van Wulfhard de Flavigny (Dynastie des Agilolfings-Géroldides, Comte de Flavigny, Comte de Paris) en Suzanne de Paris, geb. Flavigny, [Frankrijk] in 830, Engolismi du Roi Charles, Comte d'Angoulême, Agen et Périgord, ovl. Marcillac-Vallon [Frankrijk] op 3 mei 886. Uit dit huwelijk 3 kinderen.

Wulgrim I Taille Fer graaf d'Angoulême (Wulgrim de Marcillac).

Dit graafschap blijft bijna 450 jaar in zijn nageslacht. Hij is de zoon van Vulfard, graaf van Flavigny en Suzanne, dochter van Bégon van Parijs. Zijn broer Hilduin is abt van Saint-Denis van 814 tot 840. Hoewel hij een vreemdeling in het land is, wordt Vulgrin in 866 door Karel de Kale aan het hoofd van de graafschappen Angoumois en Périgord geplaatst. Hij blijft daar tot 886, de datum van zijn dood. Hij was volgens de Kroniek van Adémar van Chabannes benoemd om de lokale wanorde te verhelpen en de Noormannen in toom te houden. Vanaf 868 laat hij de stadsmuren van Angoulème herbouwen.

Hij trouwt met Regelinde, de zus van Willem van Toulouse, dochter van Bernard van Septimanië en zijn vrouw Dhuoda. Als laatste voorbeeld van een koninklijke wil die een bestuurder aan een regio oplegt, draagt hij zijn titels en de bijbehorende bezittingen over aan zijn kinderen. Deze oudste tak sterft uit rond 975.
Geschiedenis van de heerlijkheid en het prinsdom Marcillac.
Marcillac was van de 9e tot de 18e eeuw de zetel van een belangrijke heerlijkheid, die aan het begin van de 16e eeuw een prinsdom werd. Een leengoed van Karolingische stichting.
Het leengoed Marcillac is gesticht door graaf Vulgrin I, die in de laatste maanden van het jaar 866 het bevel over de provincies Angoumois, Saintonge en Périgord kreeg van zijn naaste verwant Karel de Kale, koning van Aquitanië.
Om weerstand te bieden aan de invallen van de Noormannen, waarvan de opeenvolgende invallen aanzienlijke verwoestingen in de vallei van de Charente hadden veroorzaakt, liet Vulgrin I rond 867 het kasteel van Marcillac bouwen en vertrouwde hij de bewaking ervan toe aan zijn schoonzoon en plaatsvervanger, burggraaf Ramnoul. Deze laatste was de grondlegger van een burggraaflijn die tot het eerste derde deel van de 12e eeuw voortduurde.
Hoewel ze de mogelijkheid hadden om hun voorrechten in het hele graafschap Angoumois te laten gelden, hebben de opvolgers van Ramnoul, van wie de functies voornamelijk gericht waren op de verdediging van de gebieden die onder de autoriteit van de graven van Angoulême vielen, voornamelijk hun macht uitgeoefend in de directe omgeving van Marcillac. Het was echter in de gevechten tegen de graaf van Périgord dat de twee oudste zonen van Ramnoul, Alduin en Lambert, de dood zouden vinden. Oldéric, de derde zoon van Ramnoul, zou uiteindelijk met instemming van de graaf van Angoulême, Guillaume I Taillefer, zijn opvolger worden. De functie van burggraaf zou uiteindelijk worden afgeschaft door de graven van Angoulême, die enige terughoudendheid hadden om hun vertrouwen te geven aan deze turbulente vazallen.
De geschiedenis van de erfgenamen van Ramnoul is zeker niet vreemd aan het wantrouwen dat de graven Taillefer konden ontwikkelen jegens de bezitters van de heerlijkheid Marcillac. Oldéric, die de vaderlijke rechten op de burggraafschap Marcillac had geërfd, had zelf drie kinderen, Guillaume, Odolric en Aldoin, aan wie het kasteel van Ruffec was nagelaten. Dit bezit zou het onderwerp zijn van gewelddadige onenigheden tussen de drie broers. Het wapen van de TAILLEFER van Angoumois.
De kroniekschrijver Adémar de Chabannes, monnik van de abdij van Saint-Cybard d'Angoulême aan het begin van de 11e eeuw, heeft de tragische gebeurtenissen beschreven die de twee oudste zonen van Oldéric tegenover hun jongste broer stelden en toont met welke autoriteit graaf Guillaume III Taillefer gerechtigheid wilde laten heersen in zijn graafschap:.
"Guillaume, burggraaf van Marcillac en zijn broer Odolric waren al lange tijd in hevig conflict met hun broer Aldoin, vanwege het kasteel van Ruffec. Graaf Guillaume verzoende hen, en ze zwoeren een wederzijdse vrede en verbonden zich op het lichaam van Saint-Cybard [...] Guillaume en Odolric hadden Aldoin verraderlijk uitgenodigd in de eerste week van Pasen, nadat hij had gegeten en onder hun dak was ingeslapen, zonder hem de tijd te geven om uit bed te springen, grepen ze hem, sneden zijn tong af en staken zijn ogen uit; vervolgens heroverden ze Ruffec. Teruggekeerd van een pelgrimstocht naar Rome, besloot graaf Guillaume een zo enorme goddeloosheid te wreken. Met de hulp van hertog Guillaume belegerde hij Marcillac, stak het in brand, liet de verraders leven en hun ledematen, maar beroofde hen van al hun eer. Hij liet Ruffec aan Aldoin, voldoende gestraft door zijn blindheid.".
Zoals de tekst van Adémar de Chabannes ons laat horen, werden de twee verraders volledig van hun bezittingen beroofd en moesten ze hun leven te danken hebben aan de genade van hun leenheer. De heerlijkheid Marcillac zou worden teruggegeven aan de zoon van Alduin de blinde, Alduin II, als compensatie voor de geleden schade. De eerste versterking van de 9e eeuw.
Het eerste kasteel van Marcillac was, zoals de meeste versterkingen gebouwd in de 9e en 10e eeuw, waarschijnlijk gevormd uit een motte, bestaande uit aarde en puin, waarop een houten toren was gebouwd. Deze motte was verbonden met een voorhof omgeven door een talud met een palissade erbovenop, alles omgeven door een gracht. De residentie van de kasteelheer en de huishoudelijke gebouwen bevonden zich binnen deze beschermde ruimte. Pas in de loop van de 12e eeuw werden de houten en aardse constructies vervangen door een donjon en een kasteel gebouwd van stevige stenen blokken.
De gevechten die voorafgingen aan de inname van het kasteel van Marcillac door de soldaten van graaf Guillaume III Taillefer, aan het begin van de 11e eeuw, hadden waarschijnlijk plaatsgevonden in een veld aan de voet van de feodale motte, deze locatie droeg nog steeds de naam "Pré bataillé" op het oude kadaster. De zouthandel in de 12e eeuw.
De geschiedenis van de erfgenamen van Ramnoul is zeker niet vreemd aan het wantrouwen dat de graven Taillefer konden ontwikkelen jegens de bezitters van de heerlijkheid Marcillac. Oldéric, die de vaderlijke rechten op de burggraafschap Marcillac had geërfd, had zelf drie kinderen, Guillaume, Odolric en Aldoin, aan wie het kasteel van Ruffec was nagelaten. Dit bezit zou het onderwerp zijn van gewelddadige onenigheden tussen de drie broers. Het wapen van de TAILLEFER van Angoumois.
De kroniekschrijver Adémar de Chabannes, monnik van de abdij van Saint-Cybard d'Angoulême aan het begin van de 11e eeuw, heeft de tragische gebeurtenissen beschreven die de twee oudste zonen van Oldéric tegenover hun jongste broer stelden en toont met welke autoriteit graaf Guillaume III Taillefer gerechtigheid wilde laten heersen in zijn graafschap:.
"Guillaume, burggraaf van Marcillac en zijn broer Odolric waren al lange tijd in hevig conflict met hun broer Aldoin, vanwege het kasteel van Ruffec. Graaf Guillaume verzoende hen, en ze zwoeren een wederzijdse vrede en verbonden zich op het lichaam van Saint-Cybard [...] Guillaume en Odolric hadden Aldoin verraderlijk uitgenodigd in de eerste week van Pasen, nadat hij had gegeten en onder hun dak was ingeslapen, zonder hem de tijd te geven om uit bed te springen, grepen ze hem, sneden zijn tong af en staken zijn ogen uit; vervolgens heroverden ze Ruffec. Teruggekeerd van een pelgrimstocht naar Rome, besloot graaf Guillaume een zo enorme goddeloosheid te wreken. Met de hulp van hertog Guillaume belegerde hij Marcillac, stak het in brand, liet de verraders leven en hun ledematen, maar beroofde hen van al hun eer. Hij liet Ruffec aan Aldoin, voldoende gestraft door zijn blindheid.".
Zoals de tekst van Adémar de Chabannes ons laat horen, werden de twee verraders volledig van hun bezittingen beroofd en moesten ze hun leven te danken hebben aan de genade van hun leenheer. De heerlijkheid Marcillac zou worden teruggegeven aan de zoon van Alduin de blinde, Alduin II, als compensatie voor de geleden schade. De eerste versterking van de 9e eeuw.
Het eerste kasteel van Marcillac was, zoals de meeste versterkingen gebouwd in de 9e en 10e eeuw, waarschijnlijk gevormd uit een motte, bestaande uit aarde en puin, waarop een houten toren was gebouwd. Deze motte was verbonden met een voorhof omgeven door een talud met een palissade erbovenop, alles omgeven door een gracht. De residentie van de kasteelheer en de huishoudelijke gebouwen bevonden zich binnen deze beschermde ruimte. Pas in de loop van de 12e eeuw werden de houten en aardse constructies vervangen door een donjon en een kasteel gebouwd van stevige stenen blokken.
De gevechten die voorafgingen aan de inname van het kasteel van Marcillac door de soldaten van graaf Guillaume III Taillefer, aan het begin van de 11e eeuw, hadden waarschijnlijk plaatsgevonden in een veld aan de voet van de feodale motte, deze locatie droeg nog steeds de naam "Pré bataillé" op het oude kadaster. De zouthandel in de 12e eeuw.
De vallei van de Charente profiteerde halverwege de 12e eeuw van de groei van de zoutziederijen aan de Saintonge-kusten. Het grootste deel van het zouttransport ging stroomopwaarts de Charente op, die bevaarbaar was tot Angoulême. Maar een secundair verkeer naar Limousin vond plaats via de oude zoutweg die sinds de vroege middeleeuwen bestond. De heerlijkheid Marcillac, gelegen aan de rechteroever van de Charente, op het punt waar deze zoutweg de rivier overstak, wordt in 1050 vermeld als een plaats waar tolrechten werden geheven op het transport van zout in Angoumois; dit was ook het geval in Xambes, aan de tegenoverliggende oever van de rivier, die in de kronieken wordt genoemd in 1080 en 1099. Van de 12e tot de 17e eeuw de tegenslagen van het kasteel van Marcillac.
Aan het einde van de 11e of het begin van de 12e eeuw werd het kasteel van Marcillac, op bevel van Alduin II, zoon van Alduin de blinde, herbouwd met stevige materialen (gehouwen stenen en puin). Maar in de 14e eeuw kwam dit stevige gebouw helaas in verval door de gewelddadige gevechten die tijdens de Honderdjarige Oorlog plaatsvonden tussen de soldaten die trouw waren aan de koning van Frankrijk en degenen die de belangen van de Plantagenets verdedigden in deze grensregio die toen het Angoumois vormde.


--- : Notes individuelles Vulgrin Ier, qui vécut au IXe siècle, est le premier comte héréditaire de l'Angoumois (comtes d?'Angoulême) de 866 à sa mort, en 886. Ce comté reste dans sa descendance pendant près de 450 ans. Il est le fils de Vulfard, Comte de Flavigny et de Suzanne, fille de Bégon de Paris. Son frère Hilduin est abbé de Saint-Denis de 814 à 840. Bien qu'étranger au pays, Vulgrin est placé en 866 à la tête des comtés d'Angoumois et de Périgord par Charles le Chauve. Il y reste jusqu'en 886, date de sa mort. Il avait été nommé, d'après la Chronique d'Adémar de Chabannes, pour remédier aux désordres locaux et contenir les Normands. Dès 868, il fait reconstruire les remparts d'Angoulème.

 Il épouse Regelinde, soeur de Guillaume de Toulouse, fille de Bernard de Septimanie et de son épouse Dhuoda.
 Dernier exemple d'une volonté royale imposant un administrateur à une région, il transmet ses titres et les biens qui en relèvent à ses enfants.
Cette branche aînée s'éteint vers 975.

Histoire de La seigneurie et la principauté de Marcillac.

Marcillac a été, du IXème au XVIIIème siècle, le siège d'une importante seigneurie, devenue principauté au début du XVIème siècle. Un fief de fondation carolingienne.

Le fief de Marcillac doit sa fondation au comte Vulgrin Ier, qui avait reçu dans les derniers mois de l'année 866 le commandement pour les provinces d'Angoumois, de Saintonge et de Périgord de son proche parent Charles le Chauve, roi d'Aquitaine.

Afin de résister aux incursions des Normands, dont les raids successifs avaient eu pour conséquences d'entrainer d'importants ravages dans la vallée de la Charente, Vulgrin Ier fit construire vers 867 le château fort de Marcillac et il en confia la garde à son gendre et adjoint, le vicomte Ramnoul. Ce dernier fut à l'origine d'une lignée vicomtale qui se poursuivit jusqu'au premier tiers du XIIème siècle.

Vers la fin du IXème siècle les fondations de nouveaux établissements d'origine séculière ou ecclésiastique furent nombreuses autour de Marcillac. Il en est ainsi de la fondation d'un prieuré dépendant de l'abbaye de Saint Cybard d'Angoulême, situé dans le faubourg de Saint Michel, dominant la vallée de la Charente. Cette édification et l'installation de chanoines en cet endroit avaient été visiblement décidé en complémentarité de l'édification de la motte féodale de Marcillac par le comte Vulgrin Ier d'Angoulême, à une époque ou la noblesse d'Angoumois avait entrepris de s'opposer avec détermination aux incursions normandes dans la haute vallée de la Charente. La donation faite par les sieurs Hugues et Géraud Arnaud, au chapitre cathédral d'Angoulême au mois de juin 879, de leur métairie située dans le faubourg de Pontroux, venait compléter ce dispositif qui amplifiait en un secteur prépondérant pour la défense du territoire la complémentarité du comté, de l'évêché et de la plus grande abbaye de l'Angoumois. De 867 au début du XIIème siècle, une dépendance du comté de l'Angoumois.

Bien qu'ils aient eu la possibilité de faire valoir leurs prérogatives dans l'ensemble du comté d'Angoumois, les successeurs de Ramnoul, dont les fonctions avaient prioritairement pour objet la défense des territoires soumis à l'autorité des comtes d'Angoulême, ont exercé principalement leur pouvoir dans les environs immédiats de Marcillac. C'est pourtant dans les combats qui les opposaient au comte du Périgord que les deux fils ainés de Ramnoul, Alduin et Lambert, devaient trouver la mort. Oldéric, troisième fils de Ramnoul, devait finalement lui succéder avec l'assentiment du comte d'Angoulême, Guillaume Ier Taillefer. La fonction de Vicomte devait finalement être abrogée par les comtes d'Angoulême, ces derniers ayant quelque réticence à donner leur confiance à ces turbulents vassaux.

L'histoire des héritiers de Ramnoul n'est certainement pas étrangère au sentiment de méfiance qu'ai pu développer les comtes Taillefer à l'égard des possesseurs de la seigneurie de Marcillac. Oldéric, qui avait hérité des droits paternels sur la vicomté de Marcillac, eu lui même trois enfants, Guillaume, Odolric et Aldoin, auquel avait été légué le château de Ruffec. Cette possession devait être l'objet de violentes discordes entre les trois frères. Le blason des TAILLEFER d'Angoumois.

Le chroniqueur Adémar de Chabannes, moine de l'abbaye de Saint-Cybard d'Angoulême au début du XIème siècle, a relaté les évènements tragiques qui opposèrent les deux fils ainés d'Oldéric à leur plus jeune frère et montre avec quelle autorité le comte Guillaume III Taillefer tenait à faire régner la justice dans son comté :.

"Guillaume, vicomte de Marcillac et son frère Odolric étaient en violent conflit depuis longtemps avec leur frère Aldoin, à cause du château de Ruffec. Le comte Guillaume les réconcilia, et ils jurèrent une paix mutuelle et s'allièrent sur le corps de Saint-Cybard [...] Guillaume et Odolric ayant traîtreusement invité Aldoin la première semaine de Pâques, après qu'il eût mangé et se fût endormi sous leur toit, sans lui laisser le temps de sauter du lit, ils s'en saisirent, lui coupèrent la langue et lui crevèrent les yeux; puis ils récupérèrent Ruffec. Revenu d'un pèlerinage à Rome, le comte Guillaume décida de venger une si énorme impiété. Avec l'aide du duc Guillaume, il assiégea Marcillac, l'incendia, laissa la vie et leurs membres aux traîtres, mais les priva de tout leur Honneur. Il laissa Ruffec à Aldoin assez puni par sa cécité.".

Comme le texte d'Adémar de Chabannes nous le donne à entendre, les deux félons furent dépossédés de la totalité de leurs biens et ne durent qu'a la mansuétude de leur suzerain de garder la vie sauve. La seigneurie de Marcillac devait être remise en possession au fils d'Alduin l'aveugle, Alduin II, en dédommagement des préjudices subits. La première fortification du IXème siècle.

Le premier château de Marcillac était, comme la plupart des fortifications construites aux IXème et Xème siècles, vraisemblablement formé d'une motte, constituée de terre et de pierrailles, sur laquelle était édifiée une tour en bois. Cette motte était associée à une basse-cour clôturée par un talus surmonté d'une palissade, le tout entouré d'un fossé. La résidence du châtelain et les édifices domestiques se trouvaient réunis à l'intérieur de cette espace protégé. Ce n'est que dans le courant du XIIème siècle que les constructions de bois et de terre furent remplacées par un donjon et un château construit de solides blocs de pierres.

Les combats ayant précédés la prise du château de Marcillac par les hommes d'armes du comte Guillaume III Taillefer, au début du XIème siècle, avaient vraisemblablement eu lieu dans un champ situé au pied de la motte féodale, cet emplacement portait encore sur l'ancien cadastre le nom de "Pré bataillé". Le commerce du sel au XIIème siècle.

La vallée de la Charente bénéficiât au milieu du XIIème siècle de l'essor des salines des côtes saintongeaises. La plus grande partie des transports de sel remontaient la Charente, navigable jusqu'à Angoulême. Mais un trafic secondaire vers le Limousin s'effectuait par le vieux chemin saunier qui existait depuis le haut Moyen-âge. La seigneurie de Marcillac, situé sur la rive droite de la Charente, au point où cette voie du sel franchissait le fleuve, est attestée en 1050 comme un lieu d'acquittement des droits de péage sur le transport du sel en Angoumois; c'était également le cas de Xambes, sur la rive opposée du fleuve, qui est nommé dans les chroniques en 1080 et 1099. Du XIIème au XVIIème siècle les déboires du château de Marcillac.

A la fin du XIème ou au début du XIIème siècle, le château de Marcillac, fut reconstruit en matériaux solides (pierres de taille et moellons) sur ordre de Alduin II, fils d'Alduin l'aveugle. Mais, au XIVème siècle, cette solide bâtisse sortie malheureusement ruinée des violents combats qui opposèrent pendant la Guerre de Cent Ans les hommes d'armes fidèles au roi de France et ceux qui défendaient les intérêts des Plantagenets dans cette région frontalière que formait alors l'Angoumois.

Le château de Marcillac fut à nouveau rebâti par Jean de la Rochefoucauld (1435 - 1471), seigneur de La Rochefoucauld, de Marcillac, de Montignac, de Blanzac, de Marthon et de Thouriers, époux de Marguerite, dame de Verteuil, de Barbezieux, de Blenac, de Mussidan, de Montendre, de Montguyon, de Coiron et de Roissac, fille de Jean seigneur de Verteuil.

Mais ce nouvel édifice, reconstruit dans l'essor qui avait suivit la fin des hostilités de la Guerre de Cents ans, fut également victime des assauts du temps. Le mauvais entretien, les déboires résultant des Guerres de Religions et le désintérêt progressif des princes de Marcillac pour cette résidence somme toute secondaire pour la famille de La Rochefoucauld, ont finalement réussi à venir à bout des vieux murs de l'édifice, plus surement que ne l'auraient fait les assauts des hommes.

Il ne reste plus aujourd'hui du château de Marcillac qu'un monticule couvert d'arbustes et de broussailles qui rappelle encore la forme du tertre castral d'origine. Seigneurie et principauté, affirmation du pouvoir des grands seigneurs de l'Angoumois.

La seigneurie de Marcillac continua de dépendre du domaine des comtes d'Angoulême jusqu'à la fin du XIème siècle, c'est à cette époque qu'elle fut incluse dans les possessions de la maison de Rancon. Geoffrey VI, dernier représentant de la famille de Rancon à Marcillac, laissa suite à son décès survenu en 1263, l'usufruit de ses domaines à son épouse Isabelle de Lusignan, mais il légua la nue propriété au sieur Guillaume de Saint-Maur (ou Sainte-Maure). Blason de Amauri de Craon.

Suite à son mariage avec Amauri de Craon, Isabeau de Saint-Maur apporta en dot la seigneurie de Marcillac parmi les possessions de son époux. La famille de Craon resta maîtresse de la seigneurie de Marcillac jusqu'en l'année 1389.

Fichier:Blason la rochefoucauld.svg Les terres de Marcillac entrèrent enfin dans le domaine de la puissante famille de La Rochefoucauld, suite au mariage de Guy VIII de La Rochefoucauld et de Marguerite de Craon (1370-vers 1430), Dame de Montbazon & Sainte-Maure, fille de Guillaume II de Craon et de Jeanne de Montbazon. Guy VIII de La Rochefoucauld (1355-1427), fils de Aimery III de La Rochefoucauld et de Rogette de Grailly, portait le titre de seigneur de La Rochefoucauld ; il fut gouverneur de l'Angoumois, conseiller et Chambellan des rois Charles V, Charles VI et Philippe le Hardi.

Le comte d'Angoulême, Jean d'Orléans, reprise en main le comté d'Angoumois en 1446, suite à sa libération après une longue captivité en Angleterre, où il avait été retenu comme otage de 1412 à 1445. Le comte Jean, qui s'employa à réuni d'anciennes seigneuries au domaine comtal, se porta acquéreur vers 1447 de la seigneurie de Marcillac.

A la mort du comte Jean en 1467, son fils Charles d'Orléans hérita de l'Angoumois, mais ce jeune comte n'avait pas encore atteint sa majorité et la gestion du comté fut confiée au duc Jean Ier, seigneur de La Rochefoucauld, nommé gouverneur de l'Angoumois par le roi Louis XI, il était considéré par les chroniqueurs comme "le plus puissant de tous les vassaux du comte d'Angoulême pour être gouverneur de la personne et tuteur des biens de Charles d'Orléans". Suite au décès du comte Jean d'Orléans, le duc Jean Ier de La Rochefoucauld réussi à réintégrer la seigneurie de Marcillac dans les possessions de la famille de La Rochefoucauld.

Les batailles de la Guerre de Cents Ans avaient pris fin en Angoumois en l'année 1453 avec la prise de Chalais par les troupes du roi de France, mais les nombreux combats, pillages et destructions de toutes sortes avaient entrainé un dépeuplement des campagne ainsi qu'une extrême diminution de l'activité économique. Les années qui suivirent la fin du conflit furent mises à profit par les seigneurs du comté pour encourager le repeuplement et la remise en culture des terres laissées à l'abandon. De nombreux avantages furent offerts aux paysans qui voudraient remettre les terres en culture. Ainsi le seigneur Jean Ier de La Rochefoucauld fit publier une ordonnance par laquelle il garantissait que tous ceux qui viendraient demeurer dans sons duché recevraient des terres à labourer et qu'ils ne devraient laisser que le produit du dixième sillon au seigneur. Les nouveaux laboureurs venus des contrées environnantes, Poitou, Vendée, Limousin, furent nombreux à s'installer.

Le repeuplement des campagnes de l'Angoumois provoqua un prompt regain économique qui fut à l'origine de nouveaux profits. Cette prospérité retrouvée les seigneurs à formuler de nouvelles exigences. En l'an 1464, le seigneur de La Rochefoucauld voulu réclamer la moitié du produit des vendanges et la sixième part des récoltes des terres labourées aux paysans de Marcillac. Ces derniers furent contraints d'engager un long procès devant le Parlement de Bordeaux, contre ce seigneur devenus trop exigeant. Le mécontentement entrainé par ces requêtes trop élevées fut à l'origine de nouveaux déplacement de population, les laboureurs n'hésitants pas à partir pour une nouvelle seigneurie où on leurs offrirait des avantages et des garanties plus tentantes. Ainsi des gens d'Oradour, de la châtellenie de Marcillac, viendront s'installer près d'Angoulême à Argence, fief de la famille Tison.

Le descendant ainé de la famille de la Rochefoucauld porta, à compter du duc François II de La Rochefoucauld (1494-1533), le titre de prince de Marcillac, suite à l'autorisation qui lui en avait été faite par François Ier, d'origine cognaçaise, qui était devenu comte d'Angoumois en 1496 et roi de France en 1515.

Le fief de Marcillac était autrefois très étendu et allait même au delà des limites de l'actuel département de Charente. Les terroirs des anciennes châtellenies ou paroisses d'Aigre, Amberac, Anville, Barbezière, Champagne-Mouton, La Chapelle, Chebrac, Coulonge, Gourville, Lanville, Luxé, Matha (en Saintonge), Mons, Montignac, Oradour, Saint-Genis d'Hiersac, Renville-Breuillaud, Sonneville, Verdille, Villejoubert, Vouharte, ont dépendu jusqu'à la Révolution de la principauté de Marcillac.

En 1732, les seigneuries de Marcillac, Anville, Génac et Ambérac devaient être directement unies au duché de La Rochefoucauld. Ce changement devait être toutefois annulé en 1765, car ces adjonctions furent à nouveau dissociées du duché.

La famille de La Rochefoucauld devait conserver la suzeraineté sur la terre de Marcillac jusqu'en 1792.

Regelinde de Toulouse (Regelindis de Septinië, Regelinde de Septimanie, Regelinde Sancia de Rouergue).
Sancie, ook bekend als Regelindis of Roselinde van Septimanië, wordt verondersteld de dochter te zijn van Bernard, graaf van Autun en markies van Septimanie, en zijn vrouw Dhuoda. Haar geboorte wordt geschat tussen 842 en 844. .

Volgens de Chronique d'Adémar de Chabannes was Sancie de zus van "Willelmi Tolosani" en verkreeg haar echtgenoot Vulgrin de stad Agen via haar. De identiteit van "Willelmi Tolosani" blijft echter onduidelijk. De Histoire Générale de Languedoc suggereert dat hij Guillaume, graaf van Bordeaux, was, en dat Sancie de dochter was van Bernard en Doda. Dit is echter onzeker, aangezien Guillaume slechts kort graaf van Toulouse zou zijn geweest. .

Daarnaast lijkt het vreemd dat de relatie met haar vader Bernard, een prominente figuur, niet werd benadrukt in de bron. Er is geen andere graaf van Toulouse genaamd Guillaume geïdentificeerd in de 9e eeuw. Als Sancie inderdaad de dochter van Bernard en Doda was, zou ze geboren moeten zijn tussen 842 en 844, zoals blijkt uit het handboek van Dhuoda, waarin staat dat hun tweede zoon Bernard het tweede kind van zijn moeder was.

Uit dit huwelijk een zoon:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Guillame*864  †920  56


Foucher I de Limoges
 
Foucher I de Limoges, geb. circa 885, Vicomte de Limoges, 1° Vicomte de Ségur, ovl. in 948.


Foucher I de Limoges.
Foucher de Limoges (1e van Ségur), vanaf 930 burggraaf van Ségur (-Le-Château), trouwde met Christine (of Dina van Chanac?). .

Vanaf de 9e eeuw waren de heren van Ségur burggraafschappen van Limoges. Als vazallen van de koning van Engeland speelden ze een actieve rol in de oorlogen. Het kasteel van Ségur werd uiteindelijk op Paasdinsdag 1177 verwoest door Richard Leeuwenhart.

tr. in 900
met

Christine ou Dina dite de Castelnau-le-Lez de Chanac, geb. Chanac [Frankrijk] in 885, ovl. na 935.

 


Christine ou Dina dite de Castelnau-le-Lez de Chanac.
Het kasteel van Chanac.

De donjon is een overblijfsel van een oude burcht. Er zijn twee hypothesen over de bouw ervan: .

Een eerste burcht gebouwd in 1194 door Béranger IV, koning van Aragón. .

Een kasteel gebouwd door bisschop Guillaume IV de Peyre in 1220. .
De toren van Chanac werd voltooid in de 13e eeuw en werd gedeeltelijk gesloopt in de 18e eeuw. Het bevindt zich bovenop de heuvel van Chanac en biedt een adembenemend uitzicht op het Sacré-Cœur. Vermoedelijk begon de bouw van de vesting tussen 1194 en 1213 voor de koning van Aragón en werd deze vanaf 1213 voortgezet door de bisschop van Mende, die toen eigenaar van het gebied was. Tijdens de godsdienstoorlogen werd er hevig om gevochten. De vesting werd later eigendom van de bisschoppen van Mende, die het ombouwden tot een "plezierkasteel".

Andere gebouwen: .

De Sint-Jan-de-Doperkerk.

De klokkentoren van het kasteel. .

De donjon. Het kasteel van Ressouches.

Gebouwd tussen de 14e en de 19e eeuw, is dit kasteel eigendom van de familie Dupont de Ligonnès. Hun wapens zijn te zien in de kapel van het kasteel. Het kasteel is tegenwoordig een privé-eigendom en nog steeds in handen van deze familie. .

De Sint-Jan-de-Doperkerk Gebouwd in de 18e eeuw, is deze kerk de traditionele plaats voor de zondagsmis. Het is ook de plek waar religieuze ceremonies zoals begrafenissen en communies worden gehouden.

Andere versterkte bouwwerken.

Het versterkte complex van Villard.

Chanac is de geboorteplaats van prominente figuren, zoals de familie Dupont de Ligonnès, die eigenaar was van het kasteel van Ressouches. Verschillende leden van deze familie liggen begraven op de begraafplaats van Chanac. Janine Bardou, burgemeester van de gemeente van 1973 tot 1995, was ook een bekende figuur. Ze was senator en voorzitter van de algemene raad van Lozère van 1985 tot 1994. .

Midden jaren 80 vestigde de familie van de cabaretière Claudia Tagbo, afkomstig uit Ivoorkust, zich gedurende twee jaar in Chanac. Wapen van Chanac .

Het blazoen luidt: Gevierendeeld: in het eerste en vierde veld rood met drie gouden rozen, in het tweede en derde veld zes keer gedeeld van goud en blauw; in het hart een zilveren schild met een zwarte adelaar.

Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Foucher*905 Ségur-Le-Château [Frankrijk] †950  45


Christine ou Dina dite de Castelnau-le-Lez de Chanac
 
Christine ou Dina dite de Castelnau-le-Lez de Chanac, geb. Chanac [Frankrijk] in 885, ovl. na 935.


Christine ou Dina dite de Castelnau-le-Lez de Chanac.
Het kasteel van Chanac.

De donjon is een overblijfsel van een oude burcht. Er zijn twee hypothesen over de bouw ervan: .

Een eerste burcht gebouwd in 1194 door Béranger IV, koning van Aragón. .

Een kasteel gebouwd door bisschop Guillaume IV de Peyre in 1220. .
De toren van Chanac werd voltooid in de 13e eeuw en werd gedeeltelijk gesloopt in de 18e eeuw. Het bevindt zich bovenop de heuvel van Chanac en biedt een adembenemend uitzicht op het Sacré-Cœur. Vermoedelijk begon de bouw van de vesting tussen 1194 en 1213 voor de koning van Aragón en werd deze vanaf 1213 voortgezet door de bisschop van Mende, die toen eigenaar van het gebied was. Tijdens de godsdienstoorlogen werd er hevig om gevochten. De vesting werd later eigendom van de bisschoppen van Mende, die het ombouwden tot een "plezierkasteel".

Andere gebouwen: .

De Sint-Jan-de-Doperkerk.

De klokkentoren van het kasteel. .

De donjon. Het kasteel van Ressouches.

Gebouwd tussen de 14e en de 19e eeuw, is dit kasteel eigendom van de familie Dupont de Ligonnès. Hun wapens zijn te zien in de kapel van het kasteel. Het kasteel is tegenwoordig een privé-eigendom en nog steeds in handen van deze familie. .

De Sint-Jan-de-Doperkerk Gebouwd in de 18e eeuw, is deze kerk de traditionele plaats voor de zondagsmis. Het is ook de plek waar religieuze ceremonies zoals begrafenissen en communies worden gehouden.

Andere versterkte bouwwerken.

Het versterkte complex van Villard.

Chanac is de geboorteplaats van prominente figuren, zoals de familie Dupont de Ligonnès, die eigenaar was van het kasteel van Ressouches. Verschillende leden van deze familie liggen begraven op de begraafplaats van Chanac. Janine Bardou, burgemeester van de gemeente van 1973 tot 1995, was ook een bekende figuur. Ze was senator en voorzitter van de algemene raad van Lozère van 1985 tot 1994. .

Midden jaren 80 vestigde de familie van de cabaretière Claudia Tagbo, afkomstig uit Ivoorkust, zich gedurende twee jaar in Chanac. Wapen van Chanac .

Het blazoen luidt: Gevierendeeld: in het eerste en vierde veld rood met drie gouden rozen, in het tweede en derde veld zes keer gedeeld van goud en blauw; in het hart een zilveren schild met een zwarte adelaar.

tr. in 900
met

Foucher I de Limoges, zn. van Hildegaire I de Limoges (2e Vicomte de Limoges 916- ca.940) en Thetberge d'Aurillac (Comtesse), geb. circa 885, Vicomte de Limoges, 1° Vicomte de Ségur, ovl. in 948.

 


Foucher I de Limoges.
Foucher de Limoges (1e van Ségur), vanaf 930 burggraaf van Ségur (-Le-Château), trouwde met Christine (of Dina van Chanac?). .

Vanaf de 9e eeuw waren de heren van Ségur burggraafschappen van Limoges. Als vazallen van de koning van Engeland speelden ze een actieve rol in de oorlogen. Het kasteel van Ségur werd uiteindelijk op Paasdinsdag 1177 verwoest door Richard Leeuwenhart.

Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Foucher*905 Ségur-Le-Château [Frankrijk] †950  45


Adaltrude d'Auvergne
Adaltrude d'Auvergne.

  • Vader:
    Gerhard graaf van Auvergne, geb. Clermont-Ferrand [Frankrijk] in 800, graaf van Auvergne, raadgever koning Pippijn I, ovl. Fontenoy [Frankrijk] op 29 jun 841, begr. Aurillac [Frankrijk] op 31 jul 841, tr. met

tr.
met

Foulques I de Rouergue de Limoges, zn. van Raimund I van Toulouse (graaf van Toulouse) en Bertha van Reims (Dame de Roucy), geb. Limoges [Frankrijk] in 830, 2e Vicomte de Limoges, ovl. circa 886.

Uit dit huwelijk 3 kinderen, waaronder:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Hildegaire I*850 Limoges [Frankrijk] †937 Limoges [Frankrijk] 86


Ramulphe de Turenne
Ramulphe de Turenne.

tr. Castelnau-Montratier [Frankrijk]
met

Hélis ou Adélaïde de Castelnau, dr. van Bernard II Frotaire Baron de Castelnau (Baron de Castelnau et de Bretenoux du chef de son épouse) en Godelinde de Bretenoux (Dame de Bretenoux), geb. Castelnau-Tursa [Frankrijk] (te Castelnau-Tursan [Frankrijk]) in 858, Dame de Beaulieu et de Gagnac, tr. (1) met haar neef Robert II (Robert Le Vieil) de Turenne. Uit dit huwelijk een dochter.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Robert*853 Limoges [Frankrijk]    


Godefred I de Cahors
Godefred I de Cahors, geb. in 805, Comte de Cahors de 843 à 852, ovl. in 866.

  • Vader:
    Rodulf Raoul dit de Turenne (Rodulf Raoul) de Quercy (Raoul dit de Cahors de Turenne), zn. van Immon de Turenne de Quercy (Comte de Cahors de Quercy et de Turenne) en Ayga du Perigord (Noble.Comtesse d'Autun, descendante du roi DAVID), geb. Cahors [Frankrijk] in 780, Comte de Cahors, de Turenne et de Quercy - Protecteur laïc de l'Abbaye de Tulle (Comte de Turenne Quercy 824 abbé laïque de Tulle, Comte de Cahors 823), ovl. Turenne [Frankrijk] in 843, begr. Sarrazac [Frankrijk] in 853, hij krijgt geen kinderen, tr. (2) met zijn achternicht Ayga d'Autun. Uit dit huwelijk een zoon, tr. (1) met
  • Moeder:
    Aïga de Bourges (Aïga de Poiters, Aïga d' Aquitaine, Aïga du Perigord), geb. Bourges (F) [Frankrijk] circa 785, Religieuse à Saint-Benoit de Sarrazac, ovl. Cahors [Frankrijk].

tr.
met

Gerberge d'Igerac, geb. circa 815, ovl. na 878.

Uit dit huwelijk 2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Godefroi*830 Cahors [Frankrijk] †898  68
Ramulphe     


Gerberge d'Igerac
Gerberge d'Igerac, geb. circa 815, ovl. na 878.

tr.
met

Godefred I de Cahors, zn. van Rodulf Raoul dit de Turenne de Quercy (Comte de Cahors, de Turenne et de Quercy - Protecteur laïc de l'Abbaye de Tulle) en Aïga de Bourges (Religieuse à Saint-Benoit de Sarrazac), geb. in 805, Comte de Cahors de 843 à 852, ovl. in 866.

Uit dit huwelijk 2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Godefroi*830 Cahors [Frankrijk] †898  68
Ramulphe     


Odolric I de Marcillac
 
Odolric I de Marcillac, geb. circa 885, ovl. in 944.

 

tr.
met

Engelberte , geb. circa 895.

Uit dit huwelijk 2 kinderen, waaronder:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Emma*908 Marcillac-Vallon [Frankrijk]    


Aïga de Bourges
Aïga de Bourges (Aïga de Poiters, Aïga d' Aquitaine, Aïga du Perigord), geb. Bourges (F) [Frankrijk] circa 785, Religieuse à Saint-Benoit de Sarrazac, ovl. Cahors [Frankrijk].

Aïga de Bourges (Aïga de Poiters, Aïga d' Aquitaine, Aïga du Perigord).
Bourges van de Merovingen tot de Capetingers .

De Merovingische periode laat maar weinig sporen achter. De stad, die deel uitmaakte van het koninkrijk Aquitaine, werd in 731 door Karel Martel ingenomen, maar onmiddellijk terugveroverd door Eudes van Aquitaine. Pepijn de Eerste bestormde de stad in 762, vernietigde de stadsmuren en bracht Bourges onder in het koninklijke domein onder toezicht van zijn graven. De Karolingische periode daarentegen kende meer bloei, te oordelen naar de sporen die zijn achtergelaten, hoewel deze weinig bekend zijn. In deze tijd werden veel gebouwen gebouwd, wat wijst op een sociale, politieke en religieuze herorganisatie. Uit deze periode stamt de bouw van een Hôtel-Dieu en de eerste kathedraal van Bourges, op de plek van de huidige kathedraal, door Raoul de Turenne. Van dit gebouw blijft een Merovingische crypte over onder het koor van het huidige gebouw. Er wordt ook een paleis gebouwd op de plaats van de huidige prefectuur. Veel abdijen werden opgericht met steun van de koninklijke macht, zoals de abdij van Saint-Ambroix. Een eerste golf van kerken werd gebouwd, zoals de kerk van Saint-Paul. .

In de twaalfde eeuw was Bourges de hoofdstad van een burggraafschap, tot de laatste burggraaf, Eudes d’Arpin, in 1101 zijn lenen voor 60.000 gouden sous aan de koning van Frankrijk verkocht om zijn kruistocht te financieren. Bourges werd zo onderdeel van het koninklijke domein, eigendom van de Kroon. Aartsbisschop Aimoin richtte in 1038 een diocesane vereniging op waarin alle mannen boven de vijftien jaar trouw zwoeren aan de Vrede van God. Hoewel dit weinig succesvol was, werd het in de twaalfde eeuw vervangen door een efficiënte diocesane gemeente, die al vóór 1108 bestond. Haar militie dwong in 1149 Renaud de Graçay het kasteel van Saint-Palais op te geven. Religieus belang en architectonische bloei.

De stad beleefde in deze tijd een nieuw gouden tijdperk, rond de bouw van de kathedraal en een nieuwe stadsomwalling onder leiding van koning Filips Augustus. Bourges was een belangrijk religieus centrum, hoewel het geen pelgrimsoord was. Veel invloedrijke geestelijken kwamen en gingen, sommigen met schitterende carrières tot zelfs het pauselijk ambt. De rivaliteit tussen lokale families zoals La Châtre en Sully, nauw verbonden met de koning, droeg bij aan het streven naar uitzonderlijke architectuur. Toen een stormnacht leidde tot een verwoestende brand in de kathedraal, besloot men in 1192 de bouw van een nieuwe kathedraal, gebaseerd op een origineel ontwerp. Deze kathedraal werd een zichtbaar manifest van de macht van de Berrichonse kerk, evenals van de Capetingse monarchie. .

Van 1192 tot het midden van de vijftiende eeuw hield dit ambitieuze project de stad volledig in zijn greep. Grote branden in 1252 en 1353 stimuleerden de wederopbouw en de architectonische aanpassing van de stad rondom de ongeschonden kathedraal.

tr.
met

Rodulf Raoul dit de Turenne (Rodulf Raoul) de Quercy (Raoul dit de Cahors de Turenne), zn. van Immon de Turenne de Quercy (Comte de Cahors de Quercy et de Turenne) en Ayga du Perigord (Noble.Comtesse d'Autun, descendante du roi DAVID), geb. Cahors [Frankrijk] of Montauban [82,fra] in 780, Comte de Cahors, de Turenne et de Quercy - Protecteur laïc de l'Abbaye de Tulle (Comte de Turenne Quercy 824 abbé laïque de Tulle, Comte de Cahors 823), ovl. Turenne [Frankrijk] Sarrazac [24,fra]of in 843, begr. Sarrazac [Frankrijk] in 853, hij krijgt geen kinderen, tr. (2) met zijn achternicht Ayga d'Autun. Uit dit huwelijk een zoon.

Rodulf Raoul dit de Turenne de Quercy (Raoul dit de Cahors de Turenne).
Turenne, gelegen in het zuiden van Limousin tussen Tulle en Sarlat, was het centrum van een burggraafschap met dertien heerlijkheden. In 767 veroverde Pepijn de Korte de stad en vestigde er een Franse kolonie. De heren van Turenne breidden hun domeinen geleidelijk uit, met steun van de hertogen van Aquitanië en de graven van Limousin. .
Raoul, ook bekend als Rodulphe, werd in 824 door koning Lodewijk de Vrome benoemd tot graaf van Turenne. Hij was ook lekenabt van Tulle. Hoewel hij de titel van graaf van Quercy kreeg, had hij geen bestuurlijke macht over de provincie. In 839 leidde Lodewijk de Vrome een leger tegen de opstandige Aquitaniërs, waarbij Raoul zijn kasteel in Turenne moest opgeven. Hij werd uiteindelijk begraven in de kerk van Genez in Sarrazac, Quercy.

Raoul en zijn vrouw Aygua (of Aygana), dochter van graaf Imon van Périgord, schonken eigendommen aan hun kinderen en aan de kerk van Sarrazac. In 844 stichtte Raoul het eerste vrouwenklooster in Sarrazac.

Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Godefred I*805  †866  61
Hildegarde*825     


Ayga d'Autun
Ayga d'Autun, geb. in 785, ovl. in 857.

tr. voor 800
met

Rodulf Raoul dit de Turenne (Rodulf Raoul) de Quercy (Raoul dit de Cahors de Turenne), zn. van Immon de Turenne de Quercy (Comte de Cahors de Quercy et de Turenne) en Ayga du Perigord (Noble.Comtesse d'Autun, descendante du roi DAVID), geb. Cahors [Frankrijk] of Montauban [82,fra] in 780, Comte de Cahors, de Turenne et de Quercy - Protecteur laïc de l'Abbaye de Tulle (Comte de Turenne Quercy 824 abbé laïque de Tulle, Comte de Cahors 823), ovl. Turenne [Frankrijk] Sarrazac [24,fra]of in 843, begr. Sarrazac [Frankrijk] in 853, hij krijgt geen kinderen, tr. (1) met Aïga de Bourges (Aïga de Poiters, Aïga d' Aquitaine, Aïga du Perigord). Uit dit huwelijk 4 kinderen.

Rodulf Raoul dit de Turenne de Quercy (Raoul dit de Cahors de Turenne).
Turenne, gelegen in het zuiden van Limousin tussen Tulle en Sarlat, was het centrum van een burggraafschap met dertien heerlijkheden. In 767 veroverde Pepijn de Korte de stad en vestigde er een Franse kolonie. De heren van Turenne breidden hun domeinen geleidelijk uit, met steun van de hertogen van Aquitanië en de graven van Limousin. .
Raoul, ook bekend als Rodulphe, werd in 824 door koning Lodewijk de Vrome benoemd tot graaf van Turenne. Hij was ook lekenabt van Tulle. Hoewel hij de titel van graaf van Quercy kreeg, had hij geen bestuurlijke macht over de provincie. In 839 leidde Lodewijk de Vrome een leger tegen de opstandige Aquitaniërs, waarbij Raoul zijn kasteel in Turenne moest opgeven. Hij werd uiteindelijk begraven in de kerk van Genez in Sarrazac, Quercy.

Raoul en zijn vrouw Aygua (of Aygana), dochter van graaf Imon van Périgord, schonken eigendommen aan hun kinderen en aan de kerk van Sarrazac. In 844 stichtte Raoul het eerste vrouwenklooster in Sarrazac.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Robert I*802  †868  66


Robert I de Quercy
Robert I de Quercy, geb. in 802, ovl. in 868.

  • Vader:
    Rodulf Raoul dit de Turenne (Rodulf Raoul) de Quercy (Raoul dit de Cahors de Turenne), zn. van Immon de Turenne de Quercy (Comte de Cahors de Quercy et de Turenne) en Ayga du Perigord (Noble.Comtesse d'Autun, descendante du roi DAVID), geb. Cahors [Frankrijk] in 780, Comte de Cahors, de Turenne et de Quercy - Protecteur laïc de l'Abbaye de Tulle (Comte de Turenne Quercy 824 abbé laïque de Tulle, Comte de Cahors 823), ovl. Turenne [Frankrijk] in 843, begr. Sarrazac [Frankrijk] in 853, hij krijgt geen kinderen, tr. (1) met Aïga de Bourges (Aïga de Poiters, Aïga d' Aquitaine, Aïga du Perigord). Uit dit huwelijk 4 kinderen. tr. (2) voor 800 met


Thierry II d'Autun
Thierry II d'Autun, geb. Narbonne [Frankrijk] in 755, ovl. in 804.

tr.
met

Aude de Laon, dr. van Charibert graaf van Laon (graaf van Laon) en Gisèle comtesse d'Autrasië d'Aquitanië, tr. (1) met haar achterneef Thierry II d'Autun. Uit dit huwelijk 2 kinderen.

Uit dit huwelijk 2 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Ayga*785  †857  72