Cees Hagenbeek
Wevia Duvelina Avelina uit Denemarken
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Cees (Cornelis Hendrik) Boer
Kwartierstaat van Cees Pronk
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Kees (Cornelis) van Spronsen
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eduard von Saher
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Maarten Rol arts
Kwartierstaat van Magda (Magdalena) Breedveld
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van Mechelien (Mechelina) Mezach
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek
Kwartierstaat van Olga Broersma
Kwartierstaat van Truus (Geertruida Yvonne) Popma

Wevia Duvelina Avelina uit Denemarken (Wevia Aveline Duceline de Crépon, Avalina Wevia Duceline Améline Aveline Woerta de Normandie, Avalina Wevia Duceline d' Arques), geb. te Longueville-Sur-Scie [Frankrijk] in 968, Dame de Vaudreuil, ovl. te Pont-Audemer in 1024.

 

tr.
met

Osborne Thorold de Pont-Audemer (Osborne Thorold Giffard de Bolbec), zn. van Torf (of Forfulus) 'Le Riche' de Pont Audemer en Ertemberge de Bricquebec (Dame de Briquebec), geb. te Bolbec [Frankrijk] in 960, Seigneur de Pont-Audemer de Torcy, ovl. te Longueville [Frankrijk] na 1040 (1039), begr. te Bolbec [Frankrijk] in 1039, tr. (1) met Sibel Senfria Sainsfrida de Crepon (Sibel Senfria Sainsfrida d' Arques-la-Bataille, Sibel Senfria Sainsfrida de la Haye du Puits), dr. van Herbastus uit Denemarken (Seigneur d'Arques. Prince van Denemarken) en Gyrithe (Cyrid Gyrithe Gunnhild Olafsdottir) d'Uppsala (koningin van Denemarken). Uit dit huwelijk 2 dochters.

Osborne Thorold de Pont-Audemer (Osborne Thorold Giffard de Bolbec).
Dynastie des Upplandings de Suède, Lord de Giffard (76), Sire de Pont-Audemer (27), Sire de Tor de Saint-Vaast d’Equiqueville - 1er Seigneur de Bolbec, Seigneur d'Harcourt et de Longueville-le-Giffard.

Uit dit huwelijk 4 kinderen:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Humphrey*990 Pont-Audemer †1044 St.Pierre-de-Preaux [Frankrijk] 54
Josceline*982     
Gauthier I*1002 Longueville-Sur-Scie [Frankrijk] †1084 Mortemer [Frankrijk] 82
Gerard*984 Longueville-Sur-Scie [Frankrijk] †1045  61


Galeran III de Meulan
 
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eduard von Saher
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Magda (Magdalena) Breedveld
Kwartierstaat van Mechelien (Mechelina) Mezach
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders

Galeran III (Waleran) Comte de Meulan, geb. circa 990, ovl. op 14 okt 1069.

 
 

tr.
met

Oda de Conteville, dr. van Jean de Conteville (Baron de Tonsburgh Earl of Comwyn Chevalier) en Arlette de Bayeux, geb. te Conteville [Frankrijk] in 994, ovl. te Meulan [Frankrijk] op 16 jun 1033.

 

Uit dit huwelijk een dochter:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Adelinde*1024 Meulan [Frankrijk] †1081 Le Bec-Hellouin [Frankrijk] 56


Oda de Conteville
 
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eduard von Saher
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Magda (Magdalena) Breedveld
Kwartierstaat van Mechelien (Mechelina) Mezach
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders

Oda de Conteville, geb. te Conteville [Frankrijk] in 994, ovl. te Meulan [Frankrijk] op 16 jun 1033.

  • Vader:
    Jean de Conteville, geb. te Conteville [Frankrijk] circa 992, Baron de Tonsburgh Earl of Comwyn Chevalier, ovl. te Conteville [Frankrijk] in 1012, begr. te Saint-Quentin [Frankrijk], tr. met
 
 

tr.
met

Galeran III (Waleran) Comte de Meulan, zn. van Hugues I de Meulan en Alix Oda de Valois de Vexin, geb. circa 990, ovl. op 14 okt 1069.

 


Richard Thurstan de la Haye du Puits Bertrand de Briquebec.
Ecuyer, Seigneur de Bricquebec (Manche), Seigneur de Montfort (Montfort-sur-Risle - Eure), Seigneur de La Haye du Puits et de Lessay.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Adelinde*1024 Meulan [Frankrijk] †1081 Le Bec-Hellouin [Frankrijk] 56



Bronnen:
1.NRC Handelsblad, plaats: Amsterdam, veld 1: dagblad, veld 3: Vlaamse Mediahuis, veld 4: Bart Funnekotter (NRC)

Hugues I de Meulan
 
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Cees (Cornelis Hendrik) Boer
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs Jasper (Jasper Jan) Pierik
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Kees (Cornelis) van Spronsen
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eduard von Saher
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Maarten Rol arts
Kwartierstaat van Magda (Magdalena) Breedveld
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van Mechelien (Mechelina) Mezach
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek
Kwartierstaat van Olga Broersma

Hugues I de Meulan, geb. in 980, ovl. op 31 aug 1005.

 

tr. circa 990
met

Alix Oda (Oda) de Valois de Vexin, dr. van Gauthier II dit le Blanc d'Amiens (Ecuyer - schildknaap) en Alis (Adele Adèle dite du Vermandois) de Senlis (Comtesse de Senlis, comtesse de Crépy en Valois), geb. te Saint-Clair-sur-Epte [Frankrijk] circa 975, ovl. na 1030.

 

Uit dit huwelijk een zoon:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Galeran*990  †1069  79


Alix Oda de Valois de Vexin
 
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Cees (Cornelis Hendrik) Boer
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs Jasper (Jasper Jan) Pierik
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Kees (Cornelis) van Spronsen
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eduard von Saher
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Maarten Rol arts
Kwartierstaat van Magda (Magdalena) Breedveld
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van Mechelien (Mechelina) Mezach
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek
Kwartierstaat van Olga Broersma

Alix Oda (Oda) de Valois de Vexin, geb. te Saint-Clair-sur-Epte [Frankrijk] circa 975, ovl. na 1030.

  • Vader:
    Gauthier II dit le Blanc d'Amiens (de Valois - de Vexin) (Walter II van Vexin), zn. van Gauthier I d'Amiens (Comte d'Amiens et de Vexin et Valois 965 - Seigneur de Crépy-en-Valois) en Adele van Anjou (Comtesse de Vexin), geb. te Amiens [Frankrijk] in 950, ged. te Amiens [Frankrijk] in 970, Ecuyer - schildknaap (Seigneur et comte d'Amiens, seigneur de Dreuil et de la Chaussée-Triancourt), ovl. te Amiens [Frankrijk] circa 1017, tr. te Senlis [Frankrijk] circa 975 met
 

tr. circa 990
met

Hugues I de Meulan, zn. van Galerand II de Meulan (graaf van Meulan) en Legiarde Liegarde de Chartres, geb. in 980, ovl. op 31 aug 1005.

 

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Galeran*990  †1069  79


Robert de Meulan
 
in
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Cees (Cornelis Hendrik) Boer
Kwartierstaat van Cees Pronk
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs Jasper (Jasper Jan) Pierik
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Kees (Cornelis) van Spronsen
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Maarten Rol arts
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek
Kwartierstaat van Olga Broersma

Robert de Meulan, geb. te Amiens [Frankrijk] circa 950, ovl. te Dreuil-lès-Amiens [Frankrijk] circa 1037.

 
  • Moeder:
    Hildegarde Baudouinides, geb. te Gent [België] circa 934, ovl. te Meulan [Frankrijk] op 15 apr 990, begr. te Meulan [Frankrijk].


Marie Dumont
in
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Cees (Cornelis Hendrik) Boer
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs Jasper (Jasper Jan) Pierik
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Kees (Cornelis) van Spronsen
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eduard von Saher
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Maarten Rol arts
Kwartierstaat van Magda (Magdalena) Breedveld
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek
Kwartierstaat van Olga Broersma

Marie Dumont.

tr.
met

Jean Carpentier.

Uit dit huwelijk 2 zonen:


 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Charles*1613 Valenciennes [Frankrijk] †1673 Leiden 6014 
Martin*1618 Valenciennes [Frankrijk]    


Diarmaid Macmurchada Ri Laigin
in
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek

Diarmaid Macmurchada Ri Laigin (Diarmait na-nGall MacMurchada), geb. te Leinster [Ierland] op 26 jun 1110, koning van Leinster 1126-1170, ovl. te Ferns [Ierland] op 1 mei 1171, begr. te Chapter House [Groot Brittanië] in 1171.

Diarmaid Macmurchada Ri Laigin.
Dermot MacMurrogh, im Exil, sein Erbe ist Gilbert de Clare, Strongbow.

58th and last King of Leinster, 78th King of Leinster, King of Leinster, King of Leinster Ireland, Rí Laighin.
.
Diarmaid Mac Murchadha (later bekend als Diarmaid na nGall of "Dermot van de Vreemdelingen"), verengelst als Dermot MacMurrough (1110 - 1 mei 1171), was een koning van Leinster in Ierland. Verdreven als koning van Leinster in 1166, zocht hij militaire bijstand van koning Hendrik II van Engeland om zijn koninkrijk te heroveren. In ruil daarvoor zwoer MacMurrough trouw aan Hendrik, die troepen stuurde ter ondersteuning. Als verdere dank voor zijn herstel, werd MacMurrough's dochter Aoife uitgehuwelijkt aan Richard de Clare, de 2e Graaf van Pembroke en een Cambro-Normandische heer, bekend als "Strongbow". Hendrik II ondernam toen een grotere tweede invasie in 1171 om zijn controle over Strongbow te verzekeren. Vanaf dat moment werden delen of heel Ierland geregeerd door de vorsten van Engeland. .

Mac Murchadha werd geboren in 1110, een zoon van Donnchadh, koning van Leinster en Dublin; hij was een afstammeling van Brian Boru. Zijn vader werd in 1115 gedood in de strijd door Dublin Vikingen en werd begraven in Dublin, samen met het lichaam van een hond - dit werd als een enorme belediging beschouwd.

Mac Murchadha had twee echtgenotes (zoals toegestaan onder de Brehon-wetten), de eerste van wie, Mór Uí Thuathail, de moeder was van Aoife van Leinster en Conchobhar Mac Murchadha. Bij Sadhbh van Uí Fhaoláin had hij een dochter genaamd Órlaith die trouwde met Domhnall Mór, koning van Munster. Hij had twee legitieme zonen, Domhnall Caomhánach (overleden in 1175) en Éanna Ceannsealach (geblindeerd in 1169). .

Na de dood van zijn oudere broer, werd Mac Murchadha onverwachts koning van Leinster. Dit werd tegengewerkt door de toenmalige Hoge Koning van Ierland, Toirdelbach Ua Conchobair, die vreesde (terecht) dat Mac Murchadha een rivaal zou worden. Toirdelbach stuurde een van zijn geallieerde koningen, de strijdlustige Tigernán Ua Ruairc (Tiernan O'Rourke), om Leinster te veroveren en de jonge Mac Murchadha te verdrijven. Ua Ruairc begon een brute campagne waarbij het vee van Leinster werd afgeslacht om de inwoners van de provincie uit te hongeren. Mac Murchadha werd van zijn troon verdreven, maar kon deze in 1132 heroveren met de hulp van de clans van Leinster. Daarna volgden twee decennia van een ongemakkelijke vrede tussen Ua Conchobair en Diarmaid. In 1152 hielp hij zelfs de Hoge Koning om het land van Ua Ruairc te plunderen, die toen een afvallige was geworden. .

Mac Murchadha zou ook Ua Ruairc's vrouw Dearbhforghaill hebben "ontvoerd" samen met al haar meubels en goederen, met de hulp van Dearbhforghaill's broer, een toekomstige pretendent van het koningschap van Meath. Er werd gezegd dat Dearbhforghaill niet echt een onwillige gevangene was en dat ze enkele jaren in comfort bij MacMurrough in Ferns verbleef. Haar hoge leeftijd suggereert dat ze misschien een vluchteling of een gijzelaar was. Wat de realiteit ook was, de "ontvoering" werd gegeven als een verdere reden voor vijandschap tussen de twee koningen.

Na de dood van de beroemde Hoge Koning Brian Boru in 1014, was Ierland bijna twee eeuwen lang in voortdurende burgeroorlog. Na de val van de O'Brien-familie (afstammelingen van Brian Boru) van de Ierse troon, vochten de verschillende families die de vier provincies van Ierland regeerden voortdurend met elkaar om de controle over heel Ierland. In die tijd was Ierland als een federaal koninkrijk, en geen eenheidsstaat, met vijf provincies (Ulster, Leinster, Munster en Connaught samen met Meath, dat de zetel was van de Hoge Koning) die elk werden geregeerd door koningen die allemaal loyaal of op zijn minst respectvol zouden moeten zijn tegenover de Hoge Koning van Ierland.

Hij sponsorde ook de succesvolle carrière van kerkman Sint Laurentius O'Toole (Lorcan Ua Tuathail). Hij trouwde met O'Toole's halfzus Mor in 1153 en zat de synode van Clane voor in 1161 toen O'Toole werd geïnstalleerd als aartsbisschop van Dublin.

In 1166 was de nieuwe Hoge Koning van Ierland en Mac Murchadha's enige bondgenoot, Muircheartach Ua Lochlainn, gevallen, en een grote coalitie onder leiding van Tighearnán Ua Ruairc (Mac Murchadha's aartsvijand) marcheerde naar Leinster. Ua Ruairc en zijn bondgenoten veroverden Leinster met gemak, en Mac Murchadha en zijn vrouw ontsnapten ternauwernood met hun leven. Mac Murchadha vluchtte naar Wales en vandaar naar Engeland en Frankrijk om de toestemming van koning Hendrik II van Engeland te krijgen om soldaten te rekruteren om mee terug te nemen naar Ierland en zijn koningschap terug te winnen. Bij zijn terugkeer naar Wales hielp Robert Fitzstephen hem een huurlingenleger van Normandische en Welshe soldaten te organiseren, waaronder Richard de Clare, 2e Graaf van Pembroke, alias Strongbow.

In zijn afwezigheid was Ruaidhrí Ua Conchobhair (zoon van Mac Murchadha's voormalige vijand, Hoge Koning Toirdhealbhach) de nieuwe Hoge Koning van Ierland geworden. Mac Murchadha plande niet alleen om Leinster te heroveren, maar ook om de Uí Conchobhair-clan te verdrijven en zelf Hoge Koning van Ierland te worden. Hij heroverde snel Dublin, Ossory en de voormalige Vikingnederzetting Waterford, en had binnen korte tijd heel Leinster weer onder controle. Hij marcheerde toen naar Tara (toen de hoofdstad van Ierland) om Ruaidhrí te verdrijven. Mac Murchadha gokte dat Ruaidhrí de gijzelaars van Leinster niet zou schaden (inclusief Mac Murchadha's oudste zoon, Conchobhar Mac Murchadha). Echter, Ua Ruairc dwong zijn hand en ze werden allemaal gedood.

Diarmaid's leger verloor toen de slag. Hij stuurde een bericht naar Wales en smeekte Strongbow om zo snel mogelijk naar Ierland te komen. Strongbow's kleine leger landde in Wexford met Welshe en Normandische cavalerie en veroverde zowel Waterford als Wexford. Ze namen toen Dublin in. MacMurrough was verwoest na de dood van zijn zoon, Domhnall, trok zich terug in Ferns en stierf enkele maanden later. .

Strongbow trouwde met Dermot's dochter Aoife van Leinster in 1170, aangezien zij een grote erfgename was, en als gevolg daarvan werd een groot deel van zijn (en zijn volgelingen') land hem toegekend volgens de Ierse Brehon-wet, en later herbevestigd volgens Normandische wet. Het huwelijk werd verbeeld en geschilderd in de Romantische stijl in 1854 door Daniel Maclise.

In Ierse geschiedenisboeken geschreven na 1800, in de tijd van het nationalisme, werd Diarmaid Mac Murchadha vaak gezien als een verrader, maar zijn bedoeling was niet om een Engelse invasie van Ierland te helpen, maar eerder om Hendrik's hulp te gebruiken om zelf Hoge Koning van Ierland te worden. Hij had geen idee van Hendrik II's ambities in Ierland. In zijn tijd was politiek gebaseerd op dynastieën en werd Ierland niet geregeerd als een eenheidsstaat. Op zijn beurt beschouwde Hendrik II zichzelf niet als Engels of Normandisch, maar Frans, en reageerde slechts op de realiteiten ter plaatse. .

Gerald van Wales, een Cambro-Normandische historicus die Ierland bezocht en wiens ooms en neven prominente soldaten waren in het leger van Strongbow, zei over Mac Murchadha: .

"Nu was Dermot een man groot van gestalte en fors van postuur; een soldaat wiens hart in het gevecht lag, en moedig onder zijn eigen volk. Van het vaak schreeuwen van zijn strijdkreet was zijn stem hees geworden. Een man die liever door allen gevreesd dan door iemand geliefd wilde worden. Iemand die zijn grotere vazallen zou onderdrukken, terwijl hij mannen van lage afkomst tot hoge positie verhief. Een tiran voor zijn eigen onderdanen, hij werd gehaat door vreemden; zijn hand was tegen iedereen, en ieders hand tegen hem.

" Na de succesvolle invasie van Strongbow, ondernam Hendrik II een tweede en grotere invasie in 1171 om zijn controle over zijn Normandische onderdanen te verzekeren, wat slaagde. Toen accepteerde hij de onderwerping van de Ierse koningen in Dublin. Hij zorgde er ook voor dat zijn morele aanspraak op Ierland, verleend door de pauselijke bul Laudabiliter in 1154, in 1172 werd herbevestigd door paus Alexander III en door een synode van alle Ierse bisschoppen in Cashel. Hij voegde "Heer van Ierland" toe aan zijn vele andere titels. .

Verdrijving van Ua Conchobhair Ua Conchobhair werd snel verdreven, eerst als Hoge Koning en uiteindelijk als koning van Connaught. Proberend zijn provinciale koninkrijk te heroveren, wendde hij zich tot de Engelsen, zoals Mac Murchadha eerder had gedaan. Het Heerschap controleerde direct een klein gebied in Ierland rondom de steden Dublin en Waterford, terwijl de rest van Ierland werd verdeeld tussen Normandische en Welshe baronnen. Het Verdrag van Windsor in 1174, bemiddeld door Sint Laurentius O'Toole met Hendrik II, formaliseerde de onderwerping van de Gaelische clans die lokale controle behielden, zoals de Uí Conchobhair die Connacht behielden en de Uí Néill die het grootste deel van Ulster behielden. .

Dermot's nakomelingen bleven delen van Leinster regeren tot de herovering van Ierland door de Tudors in de 16e eeuw. Tegenwoordig leven ze voort met de achternaam "MacMurrough Kavanagh" in Borris in Co. Carlow en in Maresfield, East Sussex, als een van de weinige overlevende "Chiefs of the name".

tr.
met

Mor Ingen Muirchertaig ó Tuathail (Mór Ni Thuathail), geb. te Castledermot [Ierland], Queen-consort of Leinster, Queen Consort of Leinster, ovl. te Loch Garman [Ierland] op 10 mei 1191, begr. te Wexford [Ierland] in 1191.

Mor Ingen Muirchertaig ó Tuathail (Mór Ni Thuathail).
Mac Murchada, Diarmait (MacMurrough, Dermot) (gest. 1171), Gaelische heer, was de zoon van Donnchad, die zelf de zoon was van Murchad (qv) (een zoon van Diarmait (qv), zoon van Donnchad Máel na mBó (qv)), van wie de familienaam 'Mac Murchada' afkomstig is.

Zijn moeder was Órlaith, dochter van Gilla Míchíl van Uí Bráenáin. Hij werd als pleegkind opgevoed bij een andere Leinster familie, Uí Cháellaide, met wie hij nauwe banden bleef onderhouden. Zijn eigen huwelijken waren eveneens binnen Leinster gesitueerd. Zijn eerste vrouw was Sadb, dochter van Cerball, zoon van Fáelán van Uí Fháeláin; hun huwelijk, rond 1132, getuigt - zoals Marie Therese Flanagan heeft voorgesteld - van Mac Murchada's pogingen om noordwaarts uit te breiden voorbij zijn eigen kerngebied Uí Chennselaig.

Van hun twee bekende kinderen werd Órlaith rond 1168 uitgehuwelijkt aan Domnall Mór Ua Briain (qv), die een nuttige bondgenoot voor haar vader bleek te zijn, vooral in zijn strijd tegen de Osraige. Laatstgenoemden waren verantwoordelijk voor de dood van Órlaiths broer, Donnchad, al is niet precies bekend wanneer.

Conchobar, Diarmaits zoon bij Mór, dochter van Muirchertach Ua Tuathail (qv) van Uí Muiredaig, met wie hij rond 1152 trouwde, werd eveneens gedood; als gijzelaar in handen van Ruaidrí Ua Conchobair (qv) werd hij in 1170 vermoord nadat zijn vader Mide was binnengevallen. Zijn zus, Diarmaits dochter bij Mór, was Aífe (qv), die door haar vader werd weggegeven aan Richard fitz Gilbert de Clare (qv) (Strongbow).

Drie verdere kinderen van Diarmait zijn vermeld, hoewel hun moederlijke afkomst niet bekend is: Domnall Cáemánach Mac Murchada (qv), die hem mogelijk korte tijd opvolgde als koning van Uí Chennselaig; hij stierf in 1175. Een andere zoon, Énna, was eveneens politiek actief en was getuige van een oorkonde van zijn vader in 1162. Hij werd in 1166 gevangengenomen en twee jaar later door Donnchad (qv), zoon van Gilla Pátraic van Osraige, verblind, in een poging om een heropleving van Diarmaits macht te verhinderen. Een dochter, Derbfhorgaill, was gehuwd met een koning van Uí Dúnchada in noordelijk Leinster.

Derbfhorgaill deelt haar naam met de vrouw met wie Diarmait het meest berucht wordt geassocieerd: Derbfhorgaill (qv), echtgenote van Tigernán Ua Ruairc (qv), wier ontvoering door Diarmait in 1152 in de zeventiende eeuwse compilatie, de Annals of Clonmacnoise, wordt verklaard als zijnde 'om zijn onverzadigbare, vleselijke en overspelige lust te bevredigen'.

Ontvoeringen en militaire campagnes, 1132-52 Het is zijn hunkering naar macht die het duidelijkst naar voren komt in de annalistische bronnen, hoewel het eveneens als ontvoerder is dat hij daarin voor het eerst verschijnt. In 1132 voerde hij de abdis van Kildare weg, waarbij haar klooster in brand werd gestoken en 140 (of 170) mensen werden gedood. Dit kan zijn eerste daad als koning van Leinster zijn geweest, als de regeerperiode van 40 jaar die hem in het Book of Ballymote wordt toegeschreven correct is; het meer partijdige Book of Leinster kent hem een iets langere regeerperiode van 46 jaar toe. De verwarring kan erop wijzen dat zijn koningschap werd betwist en dat er een rivaliserende aanspraakmaker, Máel Sechnaill Mac Murchada, bestond, zoals Donnchadh Ó Corráin heeft opgemerkt. Zijn dood in 1133 door Diarmaits trouwe bondgenoot, Augaire Ua Tuathail, kan de interne oppositie tegen Diarmaits heerschappij hebben gesust; hoe dan ook, in de daaropvolgende jaren was hij in staat zijn macht buiten zijn eigen thuisgebied uit te breiden.

Het naburige Osraige was als eerste het doelwit van zijn ambitie; zij weerstonden Diarmait één keer in 1134, maar zij en hun Waterford bondgenoten, volgens sommige bronnen geholpen door Conchobar Ua Briain (qv), koning van Tuadmumu (Thomond), werden later datzelfde jaar door hem verslagen in een andere aanval. Diarmait kan de steun van de Noormannen van Dublin hebben gehad, wat op enige mate van controle over de Ostmannen wijst; inderdaad kennen de Annals of Clonmacnoise hem de titel 'koning van de Denen en Leinster' toe tijdens een inval in Mide in 1136. De Dubliners stonden het jaar daarop opnieuw aan zijn zijde tegen hun verwanten uit Waterford, in welke confrontatie hij ook kon rekenen op de steun van de koning van Thomond, die zich vervolgens aan hem onderwierp.

Diarmaits macht was echter verre van veilig, en Seán Duffy suggereert dat een andere aanval door de Dubliners op Waterford in 1140, ditmaal handelend op eigen initiatief, 'bewijs kan zijn van Mac Murchada's verslappende controle'. In een poging zijn gezag te doen gelden liet hij het jaar daarop zeventien edelen uit Leinster verblinden en doden. Pogingen om zijn suprematie verder uit te breiden brachten hem in contact met zijn steeds machtiger tijdgenoten, tegen wie hij niet altijd kon opwegen. In 1149 onderwierp hij zich in Dublin aan de noordelijke heerser, Muirchertach Mac Lochlainn (qv); twee jaar later was hij een bondgenoot van Tairdelbach Ua Conchobair (qv), koning van Connacht, in de slag bij Móin Mór. Beide leiders kunnen ook betrokken zijn geweest bij de beruchte expeditie naar Mide in 1152, waarin de ontvoering van Derbfhorgaill door Diarmait plaatsvond. Als dochter van Murchad Ua Máelshechlainn (qv) kan zij goed als politiek speelstuk zijn gebruikt in de strijd van haar broer, Máel Sechnaill, heerser van Mide, tegen haar echtgenoot, Tigernán Ua Ruairc van Bréifne, wiens pogingen om oostwaarts Mide binnen te dringen al lang werden opgemerkt. Of Mac Murchada's verwerving van Derbfhorgaill hem enige mate van controle in Mide opleverde, is een andere kwestie; zo ja, dan zou dat zijn geweest met instemming van Mac Lochlainn, die in de daaropvolgende jaren zijn machtigste patroon zou worden.

De strijd om Dublin, 1156-66 In 1156 nam Mac Lochlainn Diarmaits gijzelaars, en schonk hem in ruil daarvoor Leinster. Dit kan ook Dublin hebben omvat, aangezien de Ostmannen het jaar daarop zij aan zij vochten met de mannen van Leinster en Mide tegen Ua Ruairc. Bovendien werd zijn macht daar aanzienlijk geacht: een contemporaine annalist vermeldt zijn plundering van de Hiberno Noorse inwoners in 1162 en zijn daaropvolgende verwerving van nert mór … forro ('grote macht … over hen'), amail na rogabhadh reimhe o cein mhóir ('zoals niet eerder voor lange tijd was verkregen') (AU). Zijn onafhankelijkheid was zodanig dat hij land kon schenken binnen Fine Gall aan zijn pleegverwant en geestelijk biechtvader, bisschop Áed Ua Cáellaide (qv), en hij wordt rex Dubliniae (koning van Dublin) genoemd in de contemporaine oorkonde. Een verdere aanwijzing van zijn macht kan de benoeming van zijn zwager, Lorcán Ua Tuathail (qv), tot aartsbisschop van Dublin in 1162 zijn.

Niet verrassend waren er andere pretendenten voor de troon van Dublin, van wie één, Ruaidrí Ua Conchobair, samen met zijn bondgenoten Tigernán Ua Ruairc en Diarmait Ua Máelshechlainn, in 1166 met geweld de controle van Mac Murchada overnam, co tucsat Gaill rige do Ruaidhri ocus co tucsan da fiched cét bó do Gallaib ('en de Ostmannen schonken het koningschap aan Ruaidrí en laatstgenoemde schonk 4.000 koeien aan de Ostmannen') (A. Tig.). Gedwongen te vluchten, stak Diarmait zijn eigen bolwerk Ferns in brand in plaats van het aan zijn vijanden over te geven, waarbij hij pragmatisch gijzelaars aan de koning van Connacht aanbood. De moord op zijn belangrijkste bondgenoot, Mac Lochlainn, in hetzelfde jaar liet hem geïsoleerd achter. .

Misbruik makend van zijn precaire situatie vielen vijanden dichter bij huis hem aan, Laigin ocus Goill do impodh for Mac Murchadha 'na chintaib fein ('Leinstermannen en Ostmannen die zich tegen Mac Murchada keerden vanwege zijn eigen wandaden'), in de woorden van de Tigernach annalist, duidelijk niet sympathiek tegenover zijn zaak. In de verdediging doodde hij de gijzelaars van Uí Fháeláin en Uí Fháilgi, wellicht als vergelding voor hun aanbieden van gijzelaars aan Diarmait Ua Máelshechlainn. Het mocht niet baten: Ua Máelshechlainn, samen met Ua Ruairc en Mac Murchada's vroegere onderdanen, de Noormannen van Dublin, do dighail mna Huí Ruairc fair ('om wraak te nemen op hem voor de vrouw van Ua Ruairc'), volgens dezelfde kroniekschrijver, in een duidelijke verwijzing naar zijn ontvoering van Derbfhorgaill veertien jaar eerder, vernielden zijn stenen huis in Ferns en verwoestten de nederzetting. Bovendien verbannen zij de heerser van Leinster over zee.

Alliantie met de Cambro Normandiërs, 1167-71 De relatieve eenvoud van zijn daaropvolgende reis, eerst naar Bristol en daarna naar Aquitanië, waar hij een audiëntie kreeg van Hendrik II (qv), suggereert dat Mac Murchada reeds contacten in het buitenland had. In dit verband moet worden opgemerkt dat een vloot uit Dublin - toen onder Diarmaits controle - het jaar daarvoor door de Engelse koning was ingezet in een campagne tegen Wales, wat wijst op ten minste een indirecte relatie tussen de twee mannen. Wat de precieze reden ook was, zijn verzoek om hulp wierp vruchten af; zijn relatie met Strongbow dateert uit deze tijd. Deze graaf van Pembroke behoorde echter niet tot de socraidi Gall ocus Saxanach ocus ridiredh ('de stoet van vreemdelingen, Saksen en ridders') die een herboren Mac Murchada vergezelden op zijn terugreis naar Ierland in augustus 1167, precies een jaar na zijn gedwongen ballingschap (A. Tig.).

Ondanks deze versterkingen was de koning van Leinster niet in staat een aanval te weerstaan van Ruaidrí Ua Conchobair, bijgestaan door zijn gebruikelijke bondgenoten, Ua Ruairc, Ua Máelshechlainn en de Noormannen van Dublin, co tanic Mac Murcadha a teach ríg Erenn ('en Mac Murchada onderwierp zich aan de koning van Ierland [Ua Conchobair]'), waarbij hij gijzelaars van Uí Chennselaig aan hem gaf en 100 ounces goud betaalde aan Ua Ruairc i llógh a mna ('als compensatie voor zijn vrouw') (A. Tig.).

Zijn positie verbeterde met de komst van een grotere groep Cambro Normandiërs twee jaar later, en vooral nadat Strongbow in 1170 op het toneel verscheen. Een aanval op Osraige door Mac Murchada en zijn buitenlandse bondgenoten in 1169 kan hebben gediend als vergelding voor het verblinden van zijn zoon Énna door Donnchad, zoon van Gilla Pátraic, het jaar daarvoor. In 1170, nadat Waterford en Wexford waren veroverd door Strongbow en Robert fitz Stephen (qv), veroverde Mac Murchada Dublin met hun hulp, voordat hij opnieuw de gebieden van oude vijanden, Uí Fháeláin en Osraige, plunderde. Ambitieus als altijd trok hij verder Mide binnen, waar Diarmait Ua Máelshechlainn's opvolger, Domnall Brégach, zich aan hem onderwierp: hij had opnieuw het hoogtepunt van zijn vroegere macht bereikt, zoals Thomas Charles Edwards heeft aangetoond (Ireland, 9).

Zoals te verwachten viel, reageerde Ua Conchobair door gijzelaars van Uí Chennselaig te doden, waaronder Mac Murchada's zoon Conchobar, die als rígdamna Lagen ('troonopvolger van Leinster') een van zijn mogelijke opvolgers was. De kwestie van de opvolging zou spoedig een probleem worden, aangezien Diarmait in 1171 stierf iar cind bliadne do galar etualaing ('na een jaar van ondraaglijke ziekte') (A. Tig.).

Opvolging en reputatie Volgens Ierse bronnen werden hij opgevolgd door zijn zoon Domnall Cáemánach, zijn broer Murchad (qv), en door Murchads zoon Muirchertach, aangezien alle drie worden aangeduid als koningen van Uí Chennselaig in de koningslijsten van het Book of Leinster. Bovendien wordt Diarmaits zoon, die slechts vier jaar na zijn vader stierf, rí Laigen (koning van Leinster) genoemd in zijn overlijdensbericht in de Annals of Tigernach.

Daarentegen ging het koningschap van Leinster, op Diarmaits uitdrukkelijk verzoek, na zijn dood naar Strongbow, volgens Gerald van Wales (qv) in zijn laat twaalfde eeuwse werk Expugnatio Hibernica (The Conquest of Ireland), en dit wordt bevestigd in The Song of Dermot and the Earl, een verhalend gedicht in het Oudfrans, geschreven in het laatste decennium van dezelfde eeuw. Als onderdeel van de huwelijksregeling voor Diarmaits dochter Aífe is deze ongebruikelijke schenking veel besproken.

Als literair motief is het niet uniek: de Hiberno Noorse koning van Dublin, Sitriuc Silkbeard (qv), bood volgens het IJslandse verhaal Brennu Njáls saga (The Saga of Burnt Njáll) de hand van zijn moeder Gormlaith (qv) (gest. 1030) in huwelijk aan, evenals het koningschap van Ierland, aan graaf Sigur van Orkney - een verhaal dat mogelijk uit dezelfde periode stamt. Historische overwegingen kunnen eveneens aan de claim ten grondslag liggen, en Charles Edwards' suggestie dat het in feite het koningschap van Dublin was dat aan Strongbow werd aangeboden, heeft veel voor zich, aangezien Diarmaits handelen in lijn ligt met dat van eerdere heersers die belangrijke bondgenoten - meestal zonen - aanstelden in Ierlands belangrijkste stad.

Strongbow zou deze cruciale positie echter niet verkrijgen, aangezien Hendrik II zichzelf heer maakte van Dublin en van de andere kustplaatsen, Wexford en Waterford. Toch bleef Strongbow landerijen in Leinster houden onder de Engelse koning, waardoor hij werd gezien als Mac Murchada's erfgenaam in dat gebied. Dat de laatste zijn schoonzoon zijn gehele koninkrijk zou hebben aangeboden, in plaats van alleen Dublin, kan gemakkelijk zijn geclaimd (Charles Edwards, Ireland, 26-34).

Wat de precieze aard van Mac Murchada's overeenkomst met Strongbow ook was, het is deze overeenkomst - en zijn associatie met de Cambro Normandiërs in het algemeen - die achteraf zijn carrière heeft bepaald, waardoor hij bekend kwam te staan als Diarmait na nGall ('Diarmait van de vreemdelingen'). In zijn overlijdensbericht in de Annals of Tigernach wordt hij beschreven als fer buaidhirtha na Banba ocus aidhmillti Erenn ('de onruststoker en de verwoester van Ierland'), en het is zijn bijeenbrengen van vreemdelingen dat al snel specifiek werd veroordeeld.

Onder sommige van die vreemdelingen was zijn reputatie even rampzalig: Gerald van Wales, die in 1185 naar Ierland kwam met Hendrik II's zoon John (qv), beschouwde hem als een zware tiran. Daarentegen presenteert de anonieme auteur van The Song of Dermot and the Earl hem in heroïsche termen, als de edele voorvader van de Engelsen in Leinster, wiens legitimiteit de dichter wilde onderstrepen. Ook Ierse auteurs prezen hem: een marginale notitie in het Book of Leinster, geschreven bij zijn verbanning, beklaagt de gebeurtenis: uch uch a Chomdiu cid dogen ('ach ach, o Heer, wat zal ik doen'). Zijn dood iar mbúaid ongtha ocus athirgi ('na de overwinning van het heilig oliesel en de boetedoening') wordt elders in hetzelfde manuscript vermeld, en hij wordt geprezen als aird rig Laigen 7 Gall 7 urmor Erend uile ('opperkoning van Leinster en de Ostmannen, evenals van het grootste deel van Ierland') in de Banshenchas ('vrouwen leer'). Zijn gulle begiftiging van kerken en zijn faam als patroon van hervorming maakten hem geliefd in bepaalde kringen; een cisterciënzerabdij in Baltinglass en een benedictijnenabdij in Kilkenny behoren tot zijn stichtingen.

Het negatieve beeld van hem zou uiteindelijk echter de overhand krijgen, waarbij Mac Murchada in de woorden van een klassiek Ierse dichter werd voorgesteld als in diabhal dúr ('de norse duivel').

Mór werd geboren in Castledermot, Kildare, Ierland, omstreeks 1114, als dochter van Muitchertach O’Toole (O’Tuathail), koning van de Uí Muirdeaigh, en Cacht Inion Loigsig O’Morda. Haar grootouders van vaderszijde waren Gilla Comgaill O’Toole en Sadb Mael Morda O’Domnail. Haar grootouders van moederszijde waren Loigsig O’Morda, koning van Loigsig, en Gormlaith Inion Finn O’Caellaide (O’Kelly).

Een van Mórs vier halfbroers was Sint Laurentius O’Toole, aartsbisschop van Dublin, die in 1225 door paus Honorius III werd heiligverklaard. .

Rond 1140, in Lough Carmen, County Wexford, trouwde Mór als zijn eerste vrouw met koning Dermot MacMurrough van Leinster, waardoor zij koningin-gemalin van Leinster werd. Zijn tweede vrouw was Sadhbh Ní Fhaolain. In 1152 ontvoerde hij de vrouw van Tiernan O’Rourke, koning van Breifne. Zij was Derbhforghaill Ní Mhaol Seachlainn, die vaak wordt aangeduid als de derde vrouw van koning Dermot, maar zij was in werkelijkheid zijn minnares, bij wie hij verschillende kinderen had.

Samen kregen Dermot en Mór ongeveer drie kinderen: .

Conchobhar MacMurrough (overleden 1167) .

Aoife van Leinster (1145–1188), gehuwd met Richard de Clare, 2e graaf van Pembroke, in de geschiedenis bekend als Strongbow, bij wie zij twee kinderen had, waaronder Isabel de Clare, 4e gravin van Pembroke, die erfgename werd van de titels en bezittingen van haar vader. .

Orlachan van Leinster, gehuwd met Donough More, koning van Thomond, bij wie zij nakomelingen had.

In 1167 werd Mórs zoon Conchobhar gedood door Rory O’Connor, Hoge Koning van Ierland, nadat hij als gijzelaar was genomen terwijl Dermot oorlog voerde tegen Rory met het doel hem omver te werpen en zijn plaats als Hoge Koning in te nemen. .

Koningin Mór stierf in 1191, drie jaar na haar oudste dochter Aoife. Haar echtgenoot, koning Dermot, was op 1 mei 1171 in Ferns gestorven, kort na de Cambro-Normandische invasie van Ierland, geleid door hun schoonzoon Strongbow, en die Dermot zelf had geïnitieerd en gesteund.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Aoife*1145 Leinster [Ierland] †1188 Wales [Groot Brittanië] 43


Mor Ingen Muirchertaig ó Tuathail
in
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek

Mor Ingen Muirchertaig ó Tuathail (Mór Ni Thuathail), geb. te Castledermot [Ierland], Queen-consort of Leinster, Queen Consort of Leinster, ovl. te Loch Garman [Ierland] op 10 mei 1191, begr. te Wexford [Ierland] in 1191.

Mor Ingen Muirchertaig ó Tuathail (Mór Ni Thuathail).
Mac Murchada, Diarmait (MacMurrough, Dermot) (gest. 1171), Gaelische heer, was de zoon van Donnchad, die zelf de zoon was van Murchad (qv) (een zoon van Diarmait (qv), zoon van Donnchad Máel na mBó (qv)), van wie de familienaam 'Mac Murchada' afkomstig is.

Zijn moeder was Órlaith, dochter van Gilla Míchíl van Uí Bráenáin. Hij werd als pleegkind opgevoed bij een andere Leinster familie, Uí Cháellaide, met wie hij nauwe banden bleef onderhouden. Zijn eigen huwelijken waren eveneens binnen Leinster gesitueerd. Zijn eerste vrouw was Sadb, dochter van Cerball, zoon van Fáelán van Uí Fháeláin; hun huwelijk, rond 1132, getuigt - zoals Marie Therese Flanagan heeft voorgesteld - van Mac Murchada's pogingen om noordwaarts uit te breiden voorbij zijn eigen kerngebied Uí Chennselaig.

Van hun twee bekende kinderen werd Órlaith rond 1168 uitgehuwelijkt aan Domnall Mór Ua Briain (qv), die een nuttige bondgenoot voor haar vader bleek te zijn, vooral in zijn strijd tegen de Osraige. Laatstgenoemden waren verantwoordelijk voor de dood van Órlaiths broer, Donnchad, al is niet precies bekend wanneer.

Conchobar, Diarmaits zoon bij Mór, dochter van Muirchertach Ua Tuathail (qv) van Uí Muiredaig, met wie hij rond 1152 trouwde, werd eveneens gedood; als gijzelaar in handen van Ruaidrí Ua Conchobair (qv) werd hij in 1170 vermoord nadat zijn vader Mide was binnengevallen. Zijn zus, Diarmaits dochter bij Mór, was Aífe (qv), die door haar vader werd weggegeven aan Richard fitz Gilbert de Clare (qv) (Strongbow).

Drie verdere kinderen van Diarmait zijn vermeld, hoewel hun moederlijke afkomst niet bekend is: Domnall Cáemánach Mac Murchada (qv), die hem mogelijk korte tijd opvolgde als koning van Uí Chennselaig; hij stierf in 1175. Een andere zoon, Énna, was eveneens politiek actief en was getuige van een oorkonde van zijn vader in 1162. Hij werd in 1166 gevangengenomen en twee jaar later door Donnchad (qv), zoon van Gilla Pátraic van Osraige, verblind, in een poging om een heropleving van Diarmaits macht te verhinderen. Een dochter, Derbfhorgaill, was gehuwd met een koning van Uí Dúnchada in noordelijk Leinster.

Derbfhorgaill deelt haar naam met de vrouw met wie Diarmait het meest berucht wordt geassocieerd: Derbfhorgaill (qv), echtgenote van Tigernán Ua Ruairc (qv), wier ontvoering door Diarmait in 1152 in de zeventiende eeuwse compilatie, de Annals of Clonmacnoise, wordt verklaard als zijnde 'om zijn onverzadigbare, vleselijke en overspelige lust te bevredigen'.

Ontvoeringen en militaire campagnes, 1132-52 Het is zijn hunkering naar macht die het duidelijkst naar voren komt in de annalistische bronnen, hoewel het eveneens als ontvoerder is dat hij daarin voor het eerst verschijnt. In 1132 voerde hij de abdis van Kildare weg, waarbij haar klooster in brand werd gestoken en 140 (of 170) mensen werden gedood. Dit kan zijn eerste daad als koning van Leinster zijn geweest, als de regeerperiode van 40 jaar die hem in het Book of Ballymote wordt toegeschreven correct is; het meer partijdige Book of Leinster kent hem een iets langere regeerperiode van 46 jaar toe. De verwarring kan erop wijzen dat zijn koningschap werd betwist en dat er een rivaliserende aanspraakmaker, Máel Sechnaill Mac Murchada, bestond, zoals Donnchadh Ó Corráin heeft opgemerkt. Zijn dood in 1133 door Diarmaits trouwe bondgenoot, Augaire Ua Tuathail, kan de interne oppositie tegen Diarmaits heerschappij hebben gesust; hoe dan ook, in de daaropvolgende jaren was hij in staat zijn macht buiten zijn eigen thuisgebied uit te breiden.

Het naburige Osraige was als eerste het doelwit van zijn ambitie; zij weerstonden Diarmait één keer in 1134, maar zij en hun Waterford bondgenoten, volgens sommige bronnen geholpen door Conchobar Ua Briain (qv), koning van Tuadmumu (Thomond), werden later datzelfde jaar door hem verslagen in een andere aanval. Diarmait kan de steun van de Noormannen van Dublin hebben gehad, wat op enige mate van controle over de Ostmannen wijst; inderdaad kennen de Annals of Clonmacnoise hem de titel 'koning van de Denen en Leinster' toe tijdens een inval in Mide in 1136. De Dubliners stonden het jaar daarop opnieuw aan zijn zijde tegen hun verwanten uit Waterford, in welke confrontatie hij ook kon rekenen op de steun van de koning van Thomond, die zich vervolgens aan hem onderwierp.

Diarmaits macht was echter verre van veilig, en Seán Duffy suggereert dat een andere aanval door de Dubliners op Waterford in 1140, ditmaal handelend op eigen initiatief, 'bewijs kan zijn van Mac Murchada's verslappende controle'. In een poging zijn gezag te doen gelden liet hij het jaar daarop zeventien edelen uit Leinster verblinden en doden. Pogingen om zijn suprematie verder uit te breiden brachten hem in contact met zijn steeds machtiger tijdgenoten, tegen wie hij niet altijd kon opwegen. In 1149 onderwierp hij zich in Dublin aan de noordelijke heerser, Muirchertach Mac Lochlainn (qv); twee jaar later was hij een bondgenoot van Tairdelbach Ua Conchobair (qv), koning van Connacht, in de slag bij Móin Mór. Beide leiders kunnen ook betrokken zijn geweest bij de beruchte expeditie naar Mide in 1152, waarin de ontvoering van Derbfhorgaill door Diarmait plaatsvond. Als dochter van Murchad Ua Máelshechlainn (qv) kan zij goed als politiek speelstuk zijn gebruikt in de strijd van haar broer, Máel Sechnaill, heerser van Mide, tegen haar echtgenoot, Tigernán Ua Ruairc van Bréifne, wiens pogingen om oostwaarts Mide binnen te dringen al lang werden opgemerkt. Of Mac Murchada's verwerving van Derbfhorgaill hem enige mate van controle in Mide opleverde, is een andere kwestie; zo ja, dan zou dat zijn geweest met instemming van Mac Lochlainn, die in de daaropvolgende jaren zijn machtigste patroon zou worden.

De strijd om Dublin, 1156-66 In 1156 nam Mac Lochlainn Diarmaits gijzelaars, en schonk hem in ruil daarvoor Leinster. Dit kan ook Dublin hebben omvat, aangezien de Ostmannen het jaar daarop zij aan zij vochten met de mannen van Leinster en Mide tegen Ua Ruairc. Bovendien werd zijn macht daar aanzienlijk geacht: een contemporaine annalist vermeldt zijn plundering van de Hiberno Noorse inwoners in 1162 en zijn daaropvolgende verwerving van nert mór … forro ('grote macht … over hen'), amail na rogabhadh reimhe o cein mhóir ('zoals niet eerder voor lange tijd was verkregen') (AU). Zijn onafhankelijkheid was zodanig dat hij land kon schenken binnen Fine Gall aan zijn pleegverwant en geestelijk biechtvader, bisschop Áed Ua Cáellaide (qv), en hij wordt rex Dubliniae (koning van Dublin) genoemd in de contemporaine oorkonde. Een verdere aanwijzing van zijn macht kan de benoeming van zijn zwager, Lorcán Ua Tuathail (qv), tot aartsbisschop van Dublin in 1162 zijn.

Niet verrassend waren er andere pretendenten voor de troon van Dublin, van wie één, Ruaidrí Ua Conchobair, samen met zijn bondgenoten Tigernán Ua Ruairc en Diarmait Ua Máelshechlainn, in 1166 met geweld de controle van Mac Murchada overnam, co tucsat Gaill rige do Ruaidhri ocus co tucsan da fiched cét bó do Gallaib ('en de Ostmannen schonken het koningschap aan Ruaidrí en laatstgenoemde schonk 4.000 koeien aan de Ostmannen') (A. Tig.). Gedwongen te vluchten, stak Diarmait zijn eigen bolwerk Ferns in brand in plaats van het aan zijn vijanden over te geven, waarbij hij pragmatisch gijzelaars aan de koning van Connacht aanbood. De moord op zijn belangrijkste bondgenoot, Mac Lochlainn, in hetzelfde jaar liet hem geïsoleerd achter. .

Misbruik makend van zijn precaire situatie vielen vijanden dichter bij huis hem aan, Laigin ocus Goill do impodh for Mac Murchadha 'na chintaib fein ('Leinstermannen en Ostmannen die zich tegen Mac Murchada keerden vanwege zijn eigen wandaden'), in de woorden van de Tigernach annalist, duidelijk niet sympathiek tegenover zijn zaak. In de verdediging doodde hij de gijzelaars van Uí Fháeláin en Uí Fháilgi, wellicht als vergelding voor hun aanbieden van gijzelaars aan Diarmait Ua Máelshechlainn. Het mocht niet baten: Ua Máelshechlainn, samen met Ua Ruairc en Mac Murchada's vroegere onderdanen, de Noormannen van Dublin, do dighail mna Huí Ruairc fair ('om wraak te nemen op hem voor de vrouw van Ua Ruairc'), volgens dezelfde kroniekschrijver, in een duidelijke verwijzing naar zijn ontvoering van Derbfhorgaill veertien jaar eerder, vernielden zijn stenen huis in Ferns en verwoestten de nederzetting. Bovendien verbannen zij de heerser van Leinster over zee.

Alliantie met de Cambro Normandiërs, 1167-71 De relatieve eenvoud van zijn daaropvolgende reis, eerst naar Bristol en daarna naar Aquitanië, waar hij een audiëntie kreeg van Hendrik II (qv), suggereert dat Mac Murchada reeds contacten in het buitenland had. In dit verband moet worden opgemerkt dat een vloot uit Dublin - toen onder Diarmaits controle - het jaar daarvoor door de Engelse koning was ingezet in een campagne tegen Wales, wat wijst op ten minste een indirecte relatie tussen de twee mannen. Wat de precieze reden ook was, zijn verzoek om hulp wierp vruchten af; zijn relatie met Strongbow dateert uit deze tijd. Deze graaf van Pembroke behoorde echter niet tot de socraidi Gall ocus Saxanach ocus ridiredh ('de stoet van vreemdelingen, Saksen en ridders') die een herboren Mac Murchada vergezelden op zijn terugreis naar Ierland in augustus 1167, precies een jaar na zijn gedwongen ballingschap (A. Tig.).

Ondanks deze versterkingen was de koning van Leinster niet in staat een aanval te weerstaan van Ruaidrí Ua Conchobair, bijgestaan door zijn gebruikelijke bondgenoten, Ua Ruairc, Ua Máelshechlainn en de Noormannen van Dublin, co tanic Mac Murcadha a teach ríg Erenn ('en Mac Murchada onderwierp zich aan de koning van Ierland [Ua Conchobair]'), waarbij hij gijzelaars van Uí Chennselaig aan hem gaf en 100 ounces goud betaalde aan Ua Ruairc i llógh a mna ('als compensatie voor zijn vrouw') (A. Tig.).

Zijn positie verbeterde met de komst van een grotere groep Cambro Normandiërs twee jaar later, en vooral nadat Strongbow in 1170 op het toneel verscheen. Een aanval op Osraige door Mac Murchada en zijn buitenlandse bondgenoten in 1169 kan hebben gediend als vergelding voor het verblinden van zijn zoon Énna door Donnchad, zoon van Gilla Pátraic, het jaar daarvoor. In 1170, nadat Waterford en Wexford waren veroverd door Strongbow en Robert fitz Stephen (qv), veroverde Mac Murchada Dublin met hun hulp, voordat hij opnieuw de gebieden van oude vijanden, Uí Fháeláin en Osraige, plunderde. Ambitieus als altijd trok hij verder Mide binnen, waar Diarmait Ua Máelshechlainn's opvolger, Domnall Brégach, zich aan hem onderwierp: hij had opnieuw het hoogtepunt van zijn vroegere macht bereikt, zoals Thomas Charles Edwards heeft aangetoond (Ireland, 9).

Zoals te verwachten viel, reageerde Ua Conchobair door gijzelaars van Uí Chennselaig te doden, waaronder Mac Murchada's zoon Conchobar, die als rígdamna Lagen ('troonopvolger van Leinster') een van zijn mogelijke opvolgers was. De kwestie van de opvolging zou spoedig een probleem worden, aangezien Diarmait in 1171 stierf iar cind bliadne do galar etualaing ('na een jaar van ondraaglijke ziekte') (A. Tig.).

Opvolging en reputatie Volgens Ierse bronnen werden hij opgevolgd door zijn zoon Domnall Cáemánach, zijn broer Murchad (qv), en door Murchads zoon Muirchertach, aangezien alle drie worden aangeduid als koningen van Uí Chennselaig in de koningslijsten van het Book of Leinster. Bovendien wordt Diarmaits zoon, die slechts vier jaar na zijn vader stierf, rí Laigen (koning van Leinster) genoemd in zijn overlijdensbericht in de Annals of Tigernach.

Daarentegen ging het koningschap van Leinster, op Diarmaits uitdrukkelijk verzoek, na zijn dood naar Strongbow, volgens Gerald van Wales (qv) in zijn laat twaalfde eeuwse werk Expugnatio Hibernica (The Conquest of Ireland), en dit wordt bevestigd in The Song of Dermot and the Earl, een verhalend gedicht in het Oudfrans, geschreven in het laatste decennium van dezelfde eeuw. Als onderdeel van de huwelijksregeling voor Diarmaits dochter Aífe is deze ongebruikelijke schenking veel besproken.

Als literair motief is het niet uniek: de Hiberno Noorse koning van Dublin, Sitriuc Silkbeard (qv), bood volgens het IJslandse verhaal Brennu Njáls saga (The Saga of Burnt Njáll) de hand van zijn moeder Gormlaith (qv) (gest. 1030) in huwelijk aan, evenals het koningschap van Ierland, aan graaf Sigur van Orkney - een verhaal dat mogelijk uit dezelfde periode stamt. Historische overwegingen kunnen eveneens aan de claim ten grondslag liggen, en Charles Edwards' suggestie dat het in feite het koningschap van Dublin was dat aan Strongbow werd aangeboden, heeft veel voor zich, aangezien Diarmaits handelen in lijn ligt met dat van eerdere heersers die belangrijke bondgenoten - meestal zonen - aanstelden in Ierlands belangrijkste stad.

Strongbow zou deze cruciale positie echter niet verkrijgen, aangezien Hendrik II zichzelf heer maakte van Dublin en van de andere kustplaatsen, Wexford en Waterford. Toch bleef Strongbow landerijen in Leinster houden onder de Engelse koning, waardoor hij werd gezien als Mac Murchada's erfgenaam in dat gebied. Dat de laatste zijn schoonzoon zijn gehele koninkrijk zou hebben aangeboden, in plaats van alleen Dublin, kan gemakkelijk zijn geclaimd (Charles Edwards, Ireland, 26-34).

Wat de precieze aard van Mac Murchada's overeenkomst met Strongbow ook was, het is deze overeenkomst - en zijn associatie met de Cambro Normandiërs in het algemeen - die achteraf zijn carrière heeft bepaald, waardoor hij bekend kwam te staan als Diarmait na nGall ('Diarmait van de vreemdelingen'). In zijn overlijdensbericht in de Annals of Tigernach wordt hij beschreven als fer buaidhirtha na Banba ocus aidhmillti Erenn ('de onruststoker en de verwoester van Ierland'), en het is zijn bijeenbrengen van vreemdelingen dat al snel specifiek werd veroordeeld.

Onder sommige van die vreemdelingen was zijn reputatie even rampzalig: Gerald van Wales, die in 1185 naar Ierland kwam met Hendrik II's zoon John (qv), beschouwde hem als een zware tiran. Daarentegen presenteert de anonieme auteur van The Song of Dermot and the Earl hem in heroïsche termen, als de edele voorvader van de Engelsen in Leinster, wiens legitimiteit de dichter wilde onderstrepen. Ook Ierse auteurs prezen hem: een marginale notitie in het Book of Leinster, geschreven bij zijn verbanning, beklaagt de gebeurtenis: uch uch a Chomdiu cid dogen ('ach ach, o Heer, wat zal ik doen'). Zijn dood iar mbúaid ongtha ocus athirgi ('na de overwinning van het heilig oliesel en de boetedoening') wordt elders in hetzelfde manuscript vermeld, en hij wordt geprezen als aird rig Laigen 7 Gall 7 urmor Erend uile ('opperkoning van Leinster en de Ostmannen, evenals van het grootste deel van Ierland') in de Banshenchas ('vrouwen leer'). Zijn gulle begiftiging van kerken en zijn faam als patroon van hervorming maakten hem geliefd in bepaalde kringen; een cisterciënzerabdij in Baltinglass en een benedictijnenabdij in Kilkenny behoren tot zijn stichtingen.

Het negatieve beeld van hem zou uiteindelijk echter de overhand krijgen, waarbij Mac Murchada in de woorden van een klassiek Ierse dichter werd voorgesteld als in diabhal dúr ('de norse duivel').

Mór werd geboren in Castledermot, Kildare, Ierland, omstreeks 1114, als dochter van Muitchertach O’Toole (O’Tuathail), koning van de Uí Muirdeaigh, en Cacht Inion Loigsig O’Morda. Haar grootouders van vaderszijde waren Gilla Comgaill O’Toole en Sadb Mael Morda O’Domnail. Haar grootouders van moederszijde waren Loigsig O’Morda, koning van Loigsig, en Gormlaith Inion Finn O’Caellaide (O’Kelly).

Een van Mórs vier halfbroers was Sint Laurentius O’Toole, aartsbisschop van Dublin, die in 1225 door paus Honorius III werd heiligverklaard. .

Rond 1140, in Lough Carmen, County Wexford, trouwde Mór als zijn eerste vrouw met koning Dermot MacMurrough van Leinster, waardoor zij koningin-gemalin van Leinster werd. Zijn tweede vrouw was Sadhbh Ní Fhaolain. In 1152 ontvoerde hij de vrouw van Tiernan O’Rourke, koning van Breifne. Zij was Derbhforghaill Ní Mhaol Seachlainn, die vaak wordt aangeduid als de derde vrouw van koning Dermot, maar zij was in werkelijkheid zijn minnares, bij wie hij verschillende kinderen had.

Samen kregen Dermot en Mór ongeveer drie kinderen: .

Conchobhar MacMurrough (overleden 1167) .

Aoife van Leinster (1145–1188), gehuwd met Richard de Clare, 2e graaf van Pembroke, in de geschiedenis bekend als Strongbow, bij wie zij twee kinderen had, waaronder Isabel de Clare, 4e gravin van Pembroke, die erfgename werd van de titels en bezittingen van haar vader. .

Orlachan van Leinster, gehuwd met Donough More, koning van Thomond, bij wie zij nakomelingen had.

In 1167 werd Mórs zoon Conchobhar gedood door Rory O’Connor, Hoge Koning van Ierland, nadat hij als gijzelaar was genomen terwijl Dermot oorlog voerde tegen Rory met het doel hem omver te werpen en zijn plaats als Hoge Koning in te nemen. .

Koningin Mór stierf in 1191, drie jaar na haar oudste dochter Aoife. Haar echtgenoot, koning Dermot, was op 1 mei 1171 in Ferns gestorven, kort na de Cambro-Normandische invasie van Ierland, geleid door hun schoonzoon Strongbow, en die Dermot zelf had geïnitieerd en gesteund.

tr.
met

Diarmaid Macmurchada Ri Laigin (Diarmait na-nGall MacMurchada), zn. van Donnchadh Macmurchada Ri Laigin en Orlaith o'Braenain, geb. te Leinster [Ierland] op 26 jun 1110, koning van Leinster 1126-1170, ovl. te Ferns [Ierland] op 1 mei 1171, begr. te Chapter House [Groot Brittanië] in 1171.

Diarmaid Macmurchada Ri Laigin.
Dermot MacMurrogh, im Exil, sein Erbe ist Gilbert de Clare, Strongbow.

58th and last King of Leinster, 78th King of Leinster, King of Leinster, King of Leinster Ireland, Rí Laighin.
.
Diarmaid Mac Murchadha (later bekend als Diarmaid na nGall of "Dermot van de Vreemdelingen"), verengelst als Dermot MacMurrough (1110 - 1 mei 1171), was een koning van Leinster in Ierland. Verdreven als koning van Leinster in 1166, zocht hij militaire bijstand van koning Hendrik II van Engeland om zijn koninkrijk te heroveren. In ruil daarvoor zwoer MacMurrough trouw aan Hendrik, die troepen stuurde ter ondersteuning. Als verdere dank voor zijn herstel, werd MacMurrough's dochter Aoife uitgehuwelijkt aan Richard de Clare, de 2e Graaf van Pembroke en een Cambro-Normandische heer, bekend als "Strongbow". Hendrik II ondernam toen een grotere tweede invasie in 1171 om zijn controle over Strongbow te verzekeren. Vanaf dat moment werden delen of heel Ierland geregeerd door de vorsten van Engeland. .

Mac Murchadha werd geboren in 1110, een zoon van Donnchadh, koning van Leinster en Dublin; hij was een afstammeling van Brian Boru. Zijn vader werd in 1115 gedood in de strijd door Dublin Vikingen en werd begraven in Dublin, samen met het lichaam van een hond - dit werd als een enorme belediging beschouwd.

Mac Murchadha had twee echtgenotes (zoals toegestaan onder de Brehon-wetten), de eerste van wie, Mór Uí Thuathail, de moeder was van Aoife van Leinster en Conchobhar Mac Murchadha. Bij Sadhbh van Uí Fhaoláin had hij een dochter genaamd Órlaith die trouwde met Domhnall Mór, koning van Munster. Hij had twee legitieme zonen, Domhnall Caomhánach (overleden in 1175) en Éanna Ceannsealach (geblindeerd in 1169). .

Na de dood van zijn oudere broer, werd Mac Murchadha onverwachts koning van Leinster. Dit werd tegengewerkt door de toenmalige Hoge Koning van Ierland, Toirdelbach Ua Conchobair, die vreesde (terecht) dat Mac Murchadha een rivaal zou worden. Toirdelbach stuurde een van zijn geallieerde koningen, de strijdlustige Tigernán Ua Ruairc (Tiernan O'Rourke), om Leinster te veroveren en de jonge Mac Murchadha te verdrijven. Ua Ruairc begon een brute campagne waarbij het vee van Leinster werd afgeslacht om de inwoners van de provincie uit te hongeren. Mac Murchadha werd van zijn troon verdreven, maar kon deze in 1132 heroveren met de hulp van de clans van Leinster. Daarna volgden twee decennia van een ongemakkelijke vrede tussen Ua Conchobair en Diarmaid. In 1152 hielp hij zelfs de Hoge Koning om het land van Ua Ruairc te plunderen, die toen een afvallige was geworden. .

Mac Murchadha zou ook Ua Ruairc's vrouw Dearbhforghaill hebben "ontvoerd" samen met al haar meubels en goederen, met de hulp van Dearbhforghaill's broer, een toekomstige pretendent van het koningschap van Meath. Er werd gezegd dat Dearbhforghaill niet echt een onwillige gevangene was en dat ze enkele jaren in comfort bij MacMurrough in Ferns verbleef. Haar hoge leeftijd suggereert dat ze misschien een vluchteling of een gijzelaar was. Wat de realiteit ook was, de "ontvoering" werd gegeven als een verdere reden voor vijandschap tussen de twee koningen.

Na de dood van de beroemde Hoge Koning Brian Boru in 1014, was Ierland bijna twee eeuwen lang in voortdurende burgeroorlog. Na de val van de O'Brien-familie (afstammelingen van Brian Boru) van de Ierse troon, vochten de verschillende families die de vier provincies van Ierland regeerden voortdurend met elkaar om de controle over heel Ierland. In die tijd was Ierland als een federaal koninkrijk, en geen eenheidsstaat, met vijf provincies (Ulster, Leinster, Munster en Connaught samen met Meath, dat de zetel was van de Hoge Koning) die elk werden geregeerd door koningen die allemaal loyaal of op zijn minst respectvol zouden moeten zijn tegenover de Hoge Koning van Ierland.

Hij sponsorde ook de succesvolle carrière van kerkman Sint Laurentius O'Toole (Lorcan Ua Tuathail). Hij trouwde met O'Toole's halfzus Mor in 1153 en zat de synode van Clane voor in 1161 toen O'Toole werd geïnstalleerd als aartsbisschop van Dublin.

In 1166 was de nieuwe Hoge Koning van Ierland en Mac Murchadha's enige bondgenoot, Muircheartach Ua Lochlainn, gevallen, en een grote coalitie onder leiding van Tighearnán Ua Ruairc (Mac Murchadha's aartsvijand) marcheerde naar Leinster. Ua Ruairc en zijn bondgenoten veroverden Leinster met gemak, en Mac Murchadha en zijn vrouw ontsnapten ternauwernood met hun leven. Mac Murchadha vluchtte naar Wales en vandaar naar Engeland en Frankrijk om de toestemming van koning Hendrik II van Engeland te krijgen om soldaten te rekruteren om mee terug te nemen naar Ierland en zijn koningschap terug te winnen. Bij zijn terugkeer naar Wales hielp Robert Fitzstephen hem een huurlingenleger van Normandische en Welshe soldaten te organiseren, waaronder Richard de Clare, 2e Graaf van Pembroke, alias Strongbow.

In zijn afwezigheid was Ruaidhrí Ua Conchobhair (zoon van Mac Murchadha's voormalige vijand, Hoge Koning Toirdhealbhach) de nieuwe Hoge Koning van Ierland geworden. Mac Murchadha plande niet alleen om Leinster te heroveren, maar ook om de Uí Conchobhair-clan te verdrijven en zelf Hoge Koning van Ierland te worden. Hij heroverde snel Dublin, Ossory en de voormalige Vikingnederzetting Waterford, en had binnen korte tijd heel Leinster weer onder controle. Hij marcheerde toen naar Tara (toen de hoofdstad van Ierland) om Ruaidhrí te verdrijven. Mac Murchadha gokte dat Ruaidhrí de gijzelaars van Leinster niet zou schaden (inclusief Mac Murchadha's oudste zoon, Conchobhar Mac Murchadha). Echter, Ua Ruairc dwong zijn hand en ze werden allemaal gedood.

Diarmaid's leger verloor toen de slag. Hij stuurde een bericht naar Wales en smeekte Strongbow om zo snel mogelijk naar Ierland te komen. Strongbow's kleine leger landde in Wexford met Welshe en Normandische cavalerie en veroverde zowel Waterford als Wexford. Ze namen toen Dublin in. MacMurrough was verwoest na de dood van zijn zoon, Domhnall, trok zich terug in Ferns en stierf enkele maanden later. .

Strongbow trouwde met Dermot's dochter Aoife van Leinster in 1170, aangezien zij een grote erfgename was, en als gevolg daarvan werd een groot deel van zijn (en zijn volgelingen') land hem toegekend volgens de Ierse Brehon-wet, en later herbevestigd volgens Normandische wet. Het huwelijk werd verbeeld en geschilderd in de Romantische stijl in 1854 door Daniel Maclise.

In Ierse geschiedenisboeken geschreven na 1800, in de tijd van het nationalisme, werd Diarmaid Mac Murchadha vaak gezien als een verrader, maar zijn bedoeling was niet om een Engelse invasie van Ierland te helpen, maar eerder om Hendrik's hulp te gebruiken om zelf Hoge Koning van Ierland te worden. Hij had geen idee van Hendrik II's ambities in Ierland. In zijn tijd was politiek gebaseerd op dynastieën en werd Ierland niet geregeerd als een eenheidsstaat. Op zijn beurt beschouwde Hendrik II zichzelf niet als Engels of Normandisch, maar Frans, en reageerde slechts op de realiteiten ter plaatse. .

Gerald van Wales, een Cambro-Normandische historicus die Ierland bezocht en wiens ooms en neven prominente soldaten waren in het leger van Strongbow, zei over Mac Murchadha: .

"Nu was Dermot een man groot van gestalte en fors van postuur; een soldaat wiens hart in het gevecht lag, en moedig onder zijn eigen volk. Van het vaak schreeuwen van zijn strijdkreet was zijn stem hees geworden. Een man die liever door allen gevreesd dan door iemand geliefd wilde worden. Iemand die zijn grotere vazallen zou onderdrukken, terwijl hij mannen van lage afkomst tot hoge positie verhief. Een tiran voor zijn eigen onderdanen, hij werd gehaat door vreemden; zijn hand was tegen iedereen, en ieders hand tegen hem.

" Na de succesvolle invasie van Strongbow, ondernam Hendrik II een tweede en grotere invasie in 1171 om zijn controle over zijn Normandische onderdanen te verzekeren, wat slaagde. Toen accepteerde hij de onderwerping van de Ierse koningen in Dublin. Hij zorgde er ook voor dat zijn morele aanspraak op Ierland, verleend door de pauselijke bul Laudabiliter in 1154, in 1172 werd herbevestigd door paus Alexander III en door een synode van alle Ierse bisschoppen in Cashel. Hij voegde "Heer van Ierland" toe aan zijn vele andere titels. .

Verdrijving van Ua Conchobhair Ua Conchobhair werd snel verdreven, eerst als Hoge Koning en uiteindelijk als koning van Connaught. Proberend zijn provinciale koninkrijk te heroveren, wendde hij zich tot de Engelsen, zoals Mac Murchadha eerder had gedaan. Het Heerschap controleerde direct een klein gebied in Ierland rondom de steden Dublin en Waterford, terwijl de rest van Ierland werd verdeeld tussen Normandische en Welshe baronnen. Het Verdrag van Windsor in 1174, bemiddeld door Sint Laurentius O'Toole met Hendrik II, formaliseerde de onderwerping van de Gaelische clans die lokale controle behielden, zoals de Uí Conchobhair die Connacht behielden en de Uí Néill die het grootste deel van Ulster behielden. .

Dermot's nakomelingen bleven delen van Leinster regeren tot de herovering van Ierland door de Tudors in de 16e eeuw. Tegenwoordig leven ze voort met de achternaam "MacMurrough Kavanagh" in Borris in Co. Carlow en in Maresfield, East Sussex, als een van de weinige overlevende "Chiefs of the name".

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Aoife*1145 Leinster [Ierland] †1188 Wales [Groot Brittanië] 43


Donnchadh Macmurchada Ri Laigin
in
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek

Donnchadh Macmurchada Ri Laigin.

Donnchadh Macmurchada Ri Laigin.
van Dublin?

tr.
met

Orlaith o'Braenain, geb. in 1078, ovl. op 8 dec 1115.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Diarmaid*1110 Leinster [Ierland] †1171 Ferns [Ierland] 60


Orlaith o'Braenain
in
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek

Orlaith o'Braenain, geb. in 1078, ovl. op 8 dec 1115.

tr.
met

Donnchadh Macmurchada Ri Laigin, zn. van Murchadh (1) Ri Laigin en Sadb .

Donnchadh Macmurchada Ri Laigin.
van Dublin?

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Diarmaid*1110 Leinster [Ierland] †1171 Ferns [Ierland] 60


Otto IV
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Cees (Cornelis Hendrik) Boer
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Kees (Cornelis) van Spronsen
Kwartierstaat van Eduard von Saher
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten Rol arts
Kwartierstaat van Magda (Magdalena) Breedveld
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van Mechelien (Mechelina) Mezach
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek
Kwartierstaat van Olga Broersma

Keizer Otto IV , geb. tussen 1177 en 1178, ovl. tussen 9 mei 1218 en 19 mei 1218.

Keizer Otto IV .
4.10.1209-19.5.1218 -25.7.1215? 1198-1212 1180 Ächtung des Vaters durch Kaiser Friedrich I.Barbarossa. Otto wuchs am Hof seines Onkels König Richard Löwenherz in Aquitanien auf. 1194 Gefangenschaft O.s. als Geisel für Richard Löwenherz in Deutschland. 29.3.1198 Wahl Ottos zum Gegenkönig Philipps von Schwaben. Juli 1198 Eroberung Aachens und Krönung Ottos. Ausgewogenheit der Kräfte beider Könige -> keine Entscheidung im deutschen Thronstreit. Geheimabkommen zwischen Otto und Papst Innozenz III. -> Verzicht Ottos auf politisches Recht des dt. Reiches in Italien. 1.3.1201 in Köln Verkündung der Entscheidung des Papstes zugunsten Ottos und Bannung des Stauferanhangs. Aber nur kurzzeitiger Auftrieb O.s. durch päpstliche Unterstützung. 27.7.1206 militärische Niederlage O.s. gegen Philipp v. Schwaben in Schlacht bei Wasenberg (bei Köln), Verwundung Ottos -> Rückzug in Braunschweiger Erbland. Verhandlungen zwischen beiden Parteien. Kurz vor endgültiger Einigung Ermordung Philipps v. Schwaben im Juli 1208 durch Pfalzgraf Otto von Wittelsbach. Durch massive päpstliche Unterstützung allgemeine Anerkennung Ottos IV. im Reich. 11.11.1208 zweite Königswahl Ottos in Frankfurt/M. Kaiserkrönung 4.10.1209 in Rom durch Papst Innozenz III. Schwierigkeiten in Rom zw. Soldaten des Kaisers und Römern. Otto hielt gemachte Zusagen an Papst (hinsichtlich der Erweiterung des Kirchenstaates) nicht ein. Rückzug der Deutschen nach Norden, doch dann plötzliche Umkehr nach Süden, um letzten Staufer Friedrich II. gefangenzunehmen. Innozenz III. belegte Kaiser mit Bannfluch. Stimmung im Reich schlug gegen O. um. 1211 Absetzung Ottos IV. durch Fürsten und Wahl Friedrichs II. zum Kaiser. Rückkehr Ottos nach Deutschland. Hauptgefahr sah Otto im Bündnis Friedrichs mit französischem König Philipp II. -> finanzielle Unterstützung Friedrichs. Otto ging Bündnis mit engl. König Johann Ohneland ein (dieser wollte seine Festlandsbesitzungen in Frankreich zurückgewinnen). Bis zur Wirksamkeit dieses Bündnisses verschaffte sich Otto militärisch Respekt. 1214 endgültige Entscheidung -> Niederlage O.s. bei Bouvines (bei Lille). Flucht des Kaisers nach Köln -> gewaltsame Ausweisung nach 1 Jahr wegen privater Schulden. Machtloser Rückzug O.s. in Braunschweiger Stammland. + 19.5.1218 auf der Harzburg. Beigesetzt im Dom zu Braunschweig.

tr.
met

Maria van Brabant, dr. van Hendrik I hertog van Brabant (hertog van Brabant) en Mathilde van Boulogne, geb. in 1188, ovl. na 1260, begr. te Leuven (St. Pieter) [België], tr. (1) met Willem I van Holland. Uit dit huwelijk geen kinderen.


Bronnen:

1.Genealogie der Graven van Holland, Uitgegeven: 1969, Plaats: Zaltbommel, Type: Genealogie der graven van Holland, Schrijver: Dr. A.W.E. Dek, Uitgever: Europese Bibliotheek (DEK/HOL) (blz. 15)
2.Gelre-Geldern-Gelderland. Geschiedenis en cultuur van het hertogdom Gelre, Uitgegeven: 2001, Plaats: Geldern [Duitsland], Type: Gelre-Geldern-Gelderland. Geschiedenis en c, Schrijver: Johannes Stinner, Karl-Heinz Tekath, Uitgever: Verlag des Historischen Vereins für Geldern, ISBN nummer: 9053451943 (GCHG-1) (blz. 33)

Jean de Rethel
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Eduard von Saher
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Magda (Magdalena) Breedveld
Kwartierstaat van Mechelien (Mechelina) Mezach

Jean de Rethel, geb. circa 1218, ovl. circa 1242.

tr.
met

Maria van Oudenaerde (van Oudenaerde van Baucignies), dr. van Arnulf IV (Arnoud IV) ridder van Oudenaerde en Aleida (Alice) van Rosoy (erfdochter van Rosoy, Lessines en 1/3 Chaumont), geb. te Oudenaerde [België] circa 1215, erfgename van Pamele, vrouwe van Gaasbeek 1255, erfgename van Pamele, ovl. na 24 sep 1293, tr. (1) met Godfried ridder van Leuven-Gaasbeek. Uit dit huwelijk 2 kinderen, tr. (3) met Godfried van Leuven-Perwez. Uit dit huwelijk geen kinderen.

 


Maria van Oudenaerde.
Marie de Baucignies, Erbin von Beaucignies, to: Arnulf IV. v.A, dat Maria geboren ca 1246 trouwde circa 1254 met Godfried van Leuven is niet helemaal juist, daar zij dan 8 jaar zou zijn.
Met 8 jaar was niet de gewoonste zaak. De jongens waren huwbaar vanaf  14e jaar en de meisjes vanaf hun 12e of na hun eerste menstruatie. Dat ze dus al moeder waren vanaf hun 13e jaar kan dus. Maar vanaf hun 8e jaar is volgens de middeleeuwse normen niet mogelijk. Vermoedelijk is hier sprake van een huwelijksafspraak.

Hugues II de Cambrai Seigneur d'Oisy et de Crevecoeur
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek

Hugues II de Cambrai Seigneur d'Oisy et de Crevecoeur, geb. te Oisy [Frankrijk] in 1080, Seigneur de Crèvecoeur et d'Oisy, Escuyer, moine à Vaucelles à la fin de ses jours, ovl. te Cambrai [Frankrijk] in 1133.

  • Vader:
    Hugues I d'Oisy, zn. van Hugues III de Douai (Châtelain de Douai, Vicomte de Douai, Seigneur d'Oisy, Chevalier,Châtelain de Cambrai par mariage) en Adèle d'Oisy de Cambrai (Erfgename van de titels en de goederen van het huis Oisy), geb. te Oisy-Le-Verger [Frankrijk] in 1046, Seigneur d'Oisy et de Crèvecoeur Seigneur de Rumigny, Chevalier, ovl. te Oisy-Le-Verger [Frankrijk] in 1111, tr. met

tr.
met

Hildiarde de Fiennes, geb. in 1085, ovl. in 1145.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Clementia*1110 Cambrai [Frankrijk] †1165  55
Simon*1107 Oisy [Frankrijk] †1171  64
Mathilde*1120 Oisy [Frankrijk] †1156  36


Hildiarde de Fiennes
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek

Hildiarde de Fiennes, geb. in 1085, ovl. in 1145.

tr.
met

Hugues II de Cambrai Seigneur d'Oisy et de Crevecoeur, zn. van Hugues I d'Oisy (Seigneur d'Oisy et de Crèvecoeur Seigneur de Rumigny, Chevalier) en Adrienne (Ade) de Rumigny, geb. te Oisy [Frankrijk] in 1080, Seigneur de Crèvecoeur et d'Oisy, Escuyer, moine à Vaucelles à la fin de ses jours, ovl. te Cambrai [Frankrijk] in 1133.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Clementia*1110 Cambrai [Frankrijk] †1165  55
Simon*1107 Oisy [Frankrijk] †1171  64
Mathilde*1120 Oisy [Frankrijk] †1156  36


Gessuin de Mons
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Cees Pronk
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek

Gessuin (Gossuin) de Mons.

tr.
met

Ermengarde de Chaumont.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Adrienne*1044 Rumigny [Frankrijk] †1119 Oisy-Le-Verger [Frankrijk] 74


Ermengarde de Chaumont
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Cees Pronk
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek

Ermengarde de Chaumont.

tr.
met

Gessuin (Gossuin) de Mons.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Adrienne*1044 Rumigny [Frankrijk] †1119 Oisy-Le-Verger [Frankrijk] 74


Hugues I d'Oisy
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek

Hugues I d'Oisy, geb. te Oisy-Le-Verger [Frankrijk] in 1046, Seigneur d'Oisy et de Crèvecoeur Seigneur de Rumigny, Chevalier, ovl. te Oisy-Le-Verger [Frankrijk] in 1111.

  • Moeder:
    Adèle d'Oisy (Adèle) de Cambrai (Adèle d'Oisy de Pecquemont) (Oisy de Cambrai, d'), dr. van Gauthier IV Le Vieux de Lens (Chevalier, Châtelain de Cambrai, sire d'Oisy, et de Crèvecoeur) en Ermentrude d'Arras, geb. te Douai [Frankrijk] in 1020, Erfgename van de titels en de goederen van het huis Oisy (Héritière des titres et des biens de la maison d'Oisy), ovl. te Lens [Frankrijk] in 1050.

tr.
met

Adrienne (Ade) de Rumigny (de Mons), dr. van Gessuin de Mons en Ermengarde de Chaumont, geb. te Rumigny [Frankrijk] in 1044, ovl. te Oisy-Le-Verger [Frankrijk] op 28 jan 1119.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Hugues*1080 Oisy [Frankrijk] †1133 Cambrai [Frankrijk] 53


Adrienne (Ade) de Rumigny
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek

Adrienne (Ade) de Rumigny (de Mons), geb. te Rumigny [Frankrijk] in 1044, ovl. te Oisy-Le-Verger [Frankrijk] op 28 jan 1119.

tr.
met

Hugues I d'Oisy, zn. van Hugues III de Douai (Châtelain de Douai, Vicomte de Douai, Seigneur d'Oisy, Chevalier,Châtelain de Cambrai par mariage) en Adèle d'Oisy de Cambrai (Erfgename van de titels en de goederen van het huis Oisy), geb. te Oisy-Le-Verger [Frankrijk] in 1046, Seigneur d'Oisy et de Crèvecoeur Seigneur de Rumigny, Chevalier, ovl. te Oisy-Le-Verger [Frankrijk] in 1111.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Hugues*1080 Oisy [Frankrijk] †1133 Cambrai [Frankrijk] 53


Hugues III de Douai
in
Kwartierstaat van Ada (Adriana Trijntje) Zoutendijk
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Arie Roobol
Kwartierstaat van Daniël Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Dinah (Dinah Yoke) Begeer
Kwartierstaat van dr Wouter van Welsenes
Kwartierstaat van dr. Irene Margaretha Hellemans arts
Kwartierstaat van drs. Joke (Johanna) Hellemans
Kwartierstaat van drs. Mathilde Zierikzee
Kwartierstaat van Eiso (Eiso Lucas Maarten) de Block
Kwartierstaat van Elizabeth Dijkstra
Kwartierstaat van Eunice Roos
Kwartierstaat van Fred Spaans
Kwartierstaat van Han (Henricus Johannes Antonius) Bekke
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van ir Cees (Cornelis Jorden) Hagenbeek
Kwartierstaat van Jacoline van Dijk.
Kwartierstaat van Julia Doets
Kwartierstaat van Lourens de Groot
Kwartierstaat van Maarten (Maarten Walter) Elink Schuurman arts
Kwartierstaat van Marja Alida den Heijer
Kwartierstaat van Mechelien (Mechelina) Mezach
Kwartierstaat van mr Marinus Pannevis
Kwartierstaat van mr Mark P. Schneiders
Kwartierstaat van mr Simonet (Simonetta Gezina) Koekkoek

Hugues III de Douai, geb. te Douai [Frankrijk] in 1015, Châtelain de Douai, Vicomte de Douai, Seigneur d'Oisy, Chevalier,Châtelain de Cambrai par mariage, ovl. in 1051.

Hugues III de Douai.
Châtelain de Douai, Vicomte de Douai, Seigneur d'Oisy, Chevalier,Châtelain de Cambrai par mariage.

Hugues I van Oisy (voor 1049-1110), heer van Oisy en Crèvecœur, kastelein van Kamerijk .

Jean, een tiran, voogd van Arras, trouwde met Ermengarde (of Ermentrude), weduwe van Gauthier II van Oisy, en streefde bij Gérard, bisschop van Kamerijk, naar de functie van kastelein. Graaf Boudewijn verdreef Jean met schande. Liebert werd benoemd tot bisschop van Kamerijk door keizer Hendrik, koning der Lotharingen, en Hugues, neef van de overleden Gauthier III, werd opgeroepen, omdat hij de wettige erfgenaam van deze positie was (1049). .

Bij gebrek aan directe erfgenamen is het Ade van Oisy die de titels en bezittingen van het Huis van Oisy erft voor haar zoon Hugues bij de dood van Gauthier III van Oisy, haar broer die op jonge leeftijd stierf. Hij zal een voogd toegewezen krijgen door de bisschop, namelijk zijn tante Adèle van Oisy en zijn oom, een eerlijke en dappere man, Anselme I van Ostrevent, kastelein van Valenciennes, graaf van Ostrevent, heer van Bouchain, Ribemont, Château-Porcien en vele andere lenen in Vlaanderen, vader van de beroemde Anselme II van Ribemont, een van de helden van de Eerste Kruistocht. .

Als kastelein van Kamerijk is hij de heer van het Cambrésis-gebied. Hij zal zijn bezittingen uitbreiden door de vicomtes-rechten van de versterkte stad Arleux te verkrijgen, die zij in leen hebben van de bisschop van Arras. Hij zal daar het kasteel Forestel bouwen vanaf het begin van de 11e eeuw.

Hugues I van Oisy is de kleinzoon van Wautier van Oisy en Ermentrude van Chièvres, zoon van Wautier van Kamerijk en N. van Oisy.

In 1065 trouwde hij met Ade van Bergen, dochter van Gossuin I van Bergen en Ermengarde van Chaumont en nicht van Richilde van Henegouwen, gravin van Bergen. .

Hij heeft als nakomelingen: .

Hugues II van Oisy (1075-1139).

Fastre I van Oisy, echtgenoot van Ide van Avesnes (?-na 1098), vader van Gossuin van Oisy, de opvoeder van Gilles de Chin.

Simon van Oisy-Inchy (overleden voor 1111).

Ade van Oisy, echtgenote van de heer van Marchion.

een dochter, gehuwd met Amauri van Vermandois, oudste zoon van Sohier van Vermandois. .

Ondanks zijn huwelijk met een nicht van bisschop Gérard, Ade van Bergen, kiest Hugues altijd de kant van de burgers van Kamerijk tegen de bisschop. Hij wordt door de kroniekschrijvers van het bisdom systematisch beschreven als een slecht en onbetrouwbaar man. .

Vanaf zijn meerderjarigheid wordt Hugues voorgesteld als een onrustig, verraderlijk en ondankbaar persoon. Baldéric, kroniekschrijver van het Cambrésis-gebied en tijdgenoot van Hugues I van Oisy, geeft ons een gedetailleerde beschrijving van de handelingen van deze bijzonder onrustige kastelein van Kamerijk: .

Hij heeft als voogd een man die bekend staat om zijn wijsheid en inzicht, Anselme van Valenciennes, maar vanaf zijn meerderjarigheid blijkt hij moeilijk en oncontroleerbaar te zijn. Desondanks plunderde hij zonder aarzeling de bezittingen van zijn oom Liebert en beheerste hij zijn bezittingen volledig. Hij werd uit zijn opeenvolgende schuilplaatsen verdreven en vervolgens geëxcommuniceerd. Verliefd geworden op Ade van Bergen, betuigde hij tijdelijk berouw bij zijn oom om haar hand te krijgen in 1065, maar hervatte zijn plunderingen al in 1066, wat ertoe leidde dat hij zijn positie als kastelein van Kamerijk verloor. In 1070, teruggetrokken op zijn landerijen in Oisy, ontvoerde en vernederde hij de prelaat nadat hij diens provoost met eigen handen had vermoord. De graaf van Vlaanderen, zijn zwager, besloot toen de bisschop te bevrijden. Liebert, tot dan toe beschreven als barmhartig, joeg Hugues op en verbande hem. Hugues keerde pas in 1076 terug naar zijn landerijen na de dood van de prelaat. Gérard II, de opvolger van Liebert, zag de terugkeer van Hugues naar de kasteleinspositie, maar weigerde hem de winst. Dit leidde snel tot vergeldingsmaatregelen van Hugues, die de inkomsten van het bisdom in het Arrageois plunderde. De reactie liet niet lang op zich wachten: Hugues werd opnieuw opgejaagd door de graaf van Vlaanderen en zocht in 1080 toevlucht in Engeland. Zijn broer, Gauthier van Montigny, kastelein van Doornik, had daar lenen in Surrey, Somerset en Devon. Teruggekeerd na de dood van Gérard II in 1092, zette Hugues zijn misdaden voorzichtiger voort. Zelfs ontdaan van zijn titel en de winst van de kasteleinspositie van Kamerijk, blijft hij een machtige heer met goede kapiteins, familieleden of bondgenoten. Bisschop Manassès noemde hem in een brief van december 1095 Illustere Ridder, zijn Baron. In 1096 stond hij aan het hoofd van de adel bij het toernooi van Anchin. Ondanks alles kreeg hij de kasteleinspositie niet terug, die in 1105 door Godfried van Ribemont werd ingenomen en in 1107 door Robert, graaf van Vlaanderen, tot diens dood in 1110. .

De kronieken van Baldéric vermelden alleen de conflicten tussen Hugues van Oisy en de bisschop van Kamerijk, maar de slechte neigingen van de heer van Oisy beperkten zich niet tot het usurperen van kerkelijke goederen. Bovendien liet hij zijn aanhangers plunderen wat hij maar wilde in de hoeven en dorpen, en dwong 's avonds de monniken van Sint-Aubert hun buit binnen hun omheining op te nemen. Er was voor hen alleen een feestdag als hij een rijke prior had gevonden die rentes verzamelde of een Gents handelaar die Vlaamse stoffen of tapijten op zijn muilezels vervoerde. Soms, uit speciale genade, kon de Gents handelaar zijn waren met goudstukken en klinkende munt terugkopen. Dankzij deze handel waren Heer van Oisy en zijn krijgslieden voorzien als prinsen, en als ze de weg op gingen, beefde het hele land in hun aanwezigheid. .

In 1092 bouwde hij een kasteel in Sauchy. De kronieken beschrijven het als een rovershol.

In 1094 bouwde hij de kastelen van Rumilly, Busignies, Oisy en Bousies, die werden verwoest door aartsdiaken Gaucher.

Het door Liebert verwoeste kasteel werd al snel weer net zo trots als voorheen opgebouwd en bisschop Gaucher, tijdens zijn grote expeditie in 1095 tegen de kastelen van het land, wat hem de sympathie van de Cambrésiërs opleverde, vond het fort van Oisy overeind en onderdrukkend als voorheen. "Hij belegerde, zegt Jean du Chastiel, het kasteel van Oisy, dat zeer sterk van muren was, nam het in en verwoestte het met de grond gelijk, omdat het grote schade aan het land toebracht.

" Oisy-le-Verger is een Franse gemeente in het departement Pas-de-Calais. Bekend als Oisy sinds de 9e eeuw, draagt het pas sinds de 19e eeuw de vermelding "le Verger" om het te onderscheiden van andere Oisy in Frankrijk en België. Le Verger is eigenlijk de naam van de abdij van Sainte-Marie-du-Verger, die vroeger op zijn grondgebied langs de Sensée lag en nu in puin ligt.

Waarschijnlijk bescheiden van oorsprong, was het vanaf de 9e eeuw een machtig leengoed en de bakermat van een familie die het Cambrésis tot de 13e eeuw zou domineren. Verre van in vergetelheid te raken, bleef het voortbestaan tot aan de Revolutie als een belangrijke heerlijkheid. Huis van Oisy: .

Voor het eerst wordt melding gemaakt van het Huis van Oisy aan het begin van de 9e eeuw, toen Karel de Grote Eudes d'Oisy creëerde, baron (ber) van Oisy en kastelein van Kamerijk. .

Vanaf die tijd werd het een machtig leengoed, grotendeels afhankelijk van het graafschap Vlaanderen en het bisdom Kamerijk. Het ruziënde temperament van deze familie bracht hen ertoe om sterke kastelen te bouwen. Het kasteel van Oisy bevond zich op de huidige weide aan de voet van de kerk. Vele malen verwoest en herbouwd, had het nog steeds een trotse uitstraling in 1601, toen het werd geschilderd op het Album de Crodoor Adrien de Montigny.

De kronieken van het bisdom Kamerijk beschrijven talrijke conflicten tussen de bisschoppen van Kamerijk en hun vazal, de heer van Oisy. Dit ruziënde temperament leidde ertoe dat een van zijn leden, Hugues II van Oisy, zich tot inkeer kwam onder invloed van zijn vrouw Hildiarde en in 1131 de abdij van Vaucelles stichtte. Deze familie bloeide tot in de 13e eeuw en het meest illustere lid was de laatste van de naam: Hugues III van Oisy (overleden rond 1190), bekend om zijn kwaliteiten als trouvère. Vertrouweling van Filips Augustus, gebruikte hij zijn macht ook om de heerlijkheid Oisy te onttrekken aan de soevereiniteit van de bisschop van Kamerijk en het Heilige Roomse Rijk ten gunste van het graafschap Artesië en het koninkrijk Frankrijk. .

De oudste heren van Oisy dateren uit de 9e eeuw. Ze zijn voornamelijk bekend door de unie van Eudes (of Odon) met de erfgename van Crèvecœur, Elissende de Walincourt, kleindochter van Raoul de Crèvecœur. Deze Eudes wordt door Karel de Grote "ber van Oisy" genoemd en door genealogen gedefinieerd als afstammend van de hertog van Aquitanië. Weinig elementen over hen zijn tot ons gekomen en hun aantal is onderwerp van discussie. Bovendien werd de kasteleinstitel van Kamerijk pas in de 12e eeuw erfelijk, waardoor hun afstamming moeilijk te volgen is. .

Hier is een opsomming:.
De Eudes van Oisy:.

Eudes I van Oisy .

Eudes II van Oisy.

Eudes III van Oisy.

De Gauthiers van Oisy: .

Afstammelingen van de kasteleins van Lens, ze zijn historisch betrouwbaarder. Bekend om hun conflicten met hun heer, de bisschop van Kamerijk, veroorzaakten en ondergingen ze talrijke conflicten en de laatste leden stierven een gewelddadige dood. .

Gauthier van Lens (~930-?).

Gauthier I van Oisy (~960-1011) .

Gauthier II van Oisy (~990-1041).

Gauthier III van Oisy (?-1041) .

Jean I van Arras (?-1050).
.
De "Hugues" van Oisy:.

Onrustig en verraderlijk, ze profiteerden van de ruzies tussen de bisschop van Kamerijk en zijn burgers en werden, volgens de kroniekschrijvers, gekenmerkt door hun geweld. De laatste, Hugues III, zou zijn voorouders verlossen door deel te nemen aan een kruistocht en zich te onderscheiden door zijn talenten als trouvère.

Hugues I van Oisy (1046-1111).

Hugues II van Oisy (1075-1133).

Simon van Oisy (1115-1171) .

Hugues III van Oisy (1145-1189) .

Het huis van Montmirail:.

Aan het eind van de 12e eeuw, bij gebrek aan mannelijke erfgenamen, kwam de heerlijkheid Oisy in handen van zijn neef, Jean I van Montmirail, waarmee de macht en invloed van deze familie uit Champagne werd versterkt. Onder deze heren ging Oisy door met zijn ontwikkeling. De Montmirails, vroom en invloedrijk, deden veel schenkingen aan Oisy, stichtten de abdij van Le Verger, een leprozerie, en voorzagen het van een gemeentelijke charter, de gemeentelijke charter van Oisy, die Oisy tot stad verhief en onder andere een schout en schepenen gaf. .

Het huis van Coucy:.

Het huis van Montmirail had opnieuw geen mannelijke erfgenamen in de tweede helft van de 13e eeuw, en de machtige familie van Coucy, onder leiding van de Grote Coucy zelf, nam het in bezit. Binnen de uitgebreide domeinen werd de heerlijkheid ontmanteld en verloor het: .
De lenen en bezittingen van de heerlijkheid Crèvecœur .

De lenen en bezittingen van de heerlijkheid Arleux en Paluel en het kasteel van Forestel .

Het kasteel van Kamerijk .

Zicht op het kasteel van Oisy in 1601 (detail van de pagina over Oisy uit het album van Croÿ). .

De Albums van Crozijn een verzameling albums en cartularia, rijk geïllustreerd met gouaches die landschappen en kaarten van alle dorpen, bossen, waterlopen, steden en hertogelijke eigendommen uit die tijd weergeven. .

Dit document is een unieke bron van informatie over het landschap en de architectuur van de Renaissance in de regio's van de voormalige Spaanse Nederlanden, die tijdens de overgang van de 16e naar de 17e eeuw het zuiden van het huidige België en het noorden van Frankrijk besloegen. .

Hij was de zoon van Sohier van Oisy en Adèle Mauvoisin.

tr. te Cambrai [Frankrijk] in 1046
met

Adèle d'Oisy (Adèle) de Cambrai (Adèle d'Oisy de Pecquemont) (Oisy de Cambrai, d'), dr. van Gauthier IV Le Vieux de Lens (Chevalier, Châtelain de Cambrai, sire d'Oisy, et de Crèvecoeur) en Ermentrude d'Arras, geb. te Douai [Frankrijk] (te Cambrai [Frankrijk]) in 1020, Erfgename van de titels en de goederen van het huis Oisy (Héritière des titres et des biens de la maison d'Oisy), ovl. te Lens [Frankrijk] (te Douai [Frankrijk]) in 1050 (1052).

Adèle d'Oisy de Cambrai (Adèle d'Oisy de Pecquemont).
Jean, een tiran, voogd (avoué) van Arras, trouwt met Ermengarde (of Ermentrude), weduwe van Gauthier II d’Oisy, en probeert bij Gérard, bisschop van Kamerijk, het ambt van burggraaf (châtelain) te verkrijgen. Graaf Boudewijn jaagt Jean met schande weg. Liebert wordt door keizer Hendrik, koning van de Lotharingen, benoemd tot bisschop van Kamerijk, en Hugues, neef van de overleden Gauthier III, wordt ontboden, aangezien hij de wettige erfgenaam van deze functie was (1049). .

Bij gebrek aan directe erfgenamen is het Ade d’Oisy die de titels en goederen van het Huis Oisy erft voor haar zoon Hugues, bij de dood van Gauthier III d’Oisy, haar broer die op jonge leeftijd stierf. Hij zal als voogden, gekozen door de bisschop, zijn tante Adèle d’Oisy hebben en zijn oom, een eerlijk en dapper man, Anselme I van Ostrevent, burggraaf van Valenciennes, graaf van Ostrevent, heer van Bouchain, Ribemont, Château-Porcien en vele andere lenen in Vlaanderen, vader van de beroemde Anselme II van Ribemont, een van de helden van de Eerste Kruistocht.

De heren van Oisy, tegenwoordig Oisy-le-Verger, gaan historisch terug tot de 9e eeuw met de instelling van Eudes I d’Oisy, ber (baron) van Oisy door Karel de Grote. .
Meesters van een machtig leen dat zich versterkt door allianties en huwelijken, zullen zij burggrafen van Kamerijk zijn gedurende de Middeleeuwen. Steeds machtiger families volgden elkaar op aan het hoofd van de heerlijkheid, tot aan koning Hendrik IV zelf. Later verkocht, zullen er graven van Oisy bestaan tot aan de Revolutie. .

De Eudes van Oisy .

De oudste heren van Oisy dateren uit de 9e eeuw. Zij zijn ons vooral bekend door het huwelijk van Eudes (of Odon) met de erfgename van Crèvecœur, Elissende de Walincourt, kleindochter van Raoul de Crèvecœur. Deze Eudes wordt omschreven als “benoemd tot ber d’Oisy” door Karel de Grote, en volgens sommige genealogen zouden zij afstammen van de hertogen van Aquitanië. Er zijn weinig gegevens over hen bewaard gebleven en hun aantal staat ter discussie. Bovendien wordt de burggraafschap van Kamerijk pas in de 12e eeuw erfelijk, wat het moeilijk maakt hun afstamming nauwkeurig te volgen. .

Eudes I d’Oisy .

Eudes II d’Oisy .

Eudes III d’Oisy .

De Gauthiers van Oisy .

Afstammelingen van de burggraven van Lens, historisch betrouwbaarder. Bekend om hun conflicten met hun leenheer, de bisschop van Kamerijk, veroorzaakten en ondergingen zij vele twisten, en de laatsten stierven een gewelddadige dood. .

Gauthier van Lens (ca. 930–?) .

Gauthier I d’Oisy (ca. 960–1011) .

Gauthier II d’Oisy (ca. 990–1041).

Gauthier III d’Oisy (?-1041) .

Jean I van Arras (?-1050).

De “Hugues” van Oisy.

Opstandig en verraderlijk, zij maakten gebruik van de ruzies tussen de bisschop van Kamerijk en zijn burgers, en stonden volgens de kroniekschrijvers bekend om hun geweld. .
De laatste, Hugues III, zal zijn voorouders verlossen door op kruistocht te gaan en zich te onderscheiden als trouvère. .

Hugues I d’Oisy (1046–1111) .

Hugues II d’Oisy (1075–1133) .

Simon d’Oisy (1115–1171).

Hugues III d’Oisy (1145–1189).

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Hugues I*1046 Oisy-Le-Verger [Frankrijk] †1111 Oisy-Le-Verger [Frankrijk] 65
Wauthier*1044 Douai [Frankrijk] †1111 North Cadbury [Groot Brittanië] 67