Genealogische website van Cees Hagenbeek
Paul Etienne van der Steen
Paul Etienne van der Steen.

tr. in 1966
met

Mieke (Jacomina Irene) van Gent, dr. van Jan van Gent (typograaf/boekdrukker) en Ida van der Meij, geb. Leiden op 27 aug 1944.

Uit dit huwelijk 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Frank*1968     
Ellen~1970     


Jan van Gent
Jan van Gent, boekbinder.

tr. Leiden op 15 jan 1908
met

Maria Elisabeth Tuinhof de Moed, dr. van Willem Frederik Tuinhof de Moed en Maria Colpa, geb. circa 1886, ovl. Leiden op 13 dec 1918.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1909 Leiden †1983 Kappl [Oostenrijk] 73


Maria Elisabeth Tuinhof de Moed
Maria Elisabeth Tuinhof de Moed, geb. circa 1886, ovl. Leiden op 13 dec 1918.

tr. Leiden op 15 jan 1908
met

Jan van Gent, boekbinder.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1909 Leiden †1983 Kappl [Oostenrijk] 73


Willem Frederik Tuinhof de Moed
Willem Frederik Tuinhof de Moed.

tr.
met

Maria Colpa.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Maria*1886  †1918 Leiden 32


Maria Colpa
Maria Colpa.

tr.
met

Willem Frederik Tuinhof de Moed.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Maria*1886  †1918 Leiden 32


Wilhelmina Mathilde Schuit
Wilhelmina Mathilde Schuit, geb. Utrecht op 5 nov 1900.

tr. Laren op 25 jan 1921, (gesch. Laren op 10 okt 1935)
met

Eric (Diederik Johan) ten Kate, zn. van Jan Jacob Lodewijk ten Kate (kunstschilder) en Antonia Baltina Muntendam, geb. Amsterdam op 9 mei 1886, autohandelaar, in de Beethovenlaan 93 Apeldoorn op 15 nov 1926, in de Paul Krugerstraat 5 Apeldoorn op 28 okt 1935, in de v. Asch van Wijckstraat 21 Amersfoort op 1 sep 1936, in Gedinne [België] op 5 okt 1936, in de Stichtse Meije 38 Zegveld op 4 jul 1956, in de Icaruslaan 46 Nieuwer Amstel op 10 feb 1962, ovl. Nieuwer Amstel op 6 nov 1963, tr. (1) met Clasina Barneveld, dr. van Christen Barneveld en Wilhelmina Maria Smit. Uit dit huwelijk 2 kinderen, tr. (3) met Truus (Geertruida Wilhelmina) Hagenbeek. Uit dit huwelijk geen kinderen.

 

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Frans*1923 Vorden    


Jan Jacob Lodewijk ten Kate
 
Jan Jacob Lodewijk ten Kate, geb. Middelburg op 12 jun 1850, kunstschilder, ovl. Loosduinen op 28 mei 1929,
, Ten Kate volgde de Akademie der Bildenden Künste in München; hij was een leerling van Petrus Franciscus Greive en zijn oom Herman Frederik Carel ten Kate. In 1880 maakte hij een studiereis naar Zwitserland; Ten Kate kwam in 1890 terug naar Nederland en ging in Epe wonen; later woonde hij afwisselend in, Valkenburg (1901), Antwerpen (1903), Brussel (1906), Bloemendaal (1908) en keerde toen weer terug naar Den Haag. De werken van Ten Kate variëren van genrekunst, landschappen, portretten en afbeeldingen van dieren tot stadsgezichten, figuurvoorstellingen en strandgezichten. Hij verwierf in 1880 de door Z.M. Willem III uitgeschreven Prix d'Excellence voor zijn schilderij Hooioogst door vrouwen en kinderen op Marken; andere werken waren een portret van H.M. de koningin in het Hof van Arbitrage, een portret van Henri Dunant in het gebouw van het Rode Kruis, een allegorie Après la Guerre en Zegen des vredes.

  • Vader:
    Dr Jan Jacob Lodewijk ten Kate, zn. van Jan Herman ten Kate (officier departement Marine) en Johanna Henrica Adriana de Witte van Haemstede (schrijfster), geb. Den Haag op 23 dec 1819, predikant, dichter, schrijver en vertaler, ovl. Amsterdam op 26 dec 1889,
    , Kandidaat te Utrecht in 1844. Predikant te Marken op 4 mei 1845. Almkerk 13 juni 1847. Middelburg 7 april 1850. Amsterdam 15 april 1860. Jan Jakob Lodewijk ten Kate (Den Haag, 23 december 1819 - Amsterdam, 24 december 1889), niet te verwarren met zijn zoon, de kunstschilder Jan Jacob Lodewijk ten Kate, was een Nederlands dichter en dominee.
    Ten Kate groeide op in Den Haag, samen met zijn broers Mari en Herman die bekende schilders zouden worden. Zijn eerste bundel Gedichten verscheen in 1836. Ten Kate werkte aanvankelijk als kantoorklerk, maar werd daarnaast in 1834, als veertienjarige, lid van het Haagse literaire gezelschap 'Oefening kweekt kennis', dat dat jaar was opgericht door onder andere Samuel Johannes van den Bergh en W.J. van Zeggelen. Daar leerde hij de predikant en filantroop Ottho Gerhard Heldring kennen. Deze bood, onder de indruk van de intelligentie en het dichttalent van de jongen, Ten Kate een plaatsje op zijn zolder aan, zodat hij zich daar kon voorbereiden op een academische studie. Hij nam het aanbod aan en na een jaar studeren kon hij zich in 1838 als student theologie aan de Universiteit Utrecht inschrijven. Daar zou hij tot 1843 blijven studeren. Samen met Anthony Winkler Prins richtte hij in 1842 het berijmde literaire tijdschrift Braga op, waarvan twee jaargangen verschenen. Op 7 mei 1845 trouwde hij met Johanna Sophia Waldorp, een dochter van de schilder Antonie Waldorp. Hij werkte als predikant achtereenvolgens in Marken, Almkerk, Middelburg en Amsterdam, alwaar hij op 15 april 1860 door de plaatselijk predikant Tonco Modderman werd bevestigd in het ambt.
    Ten Kate was een zeer productief dichter, die gemakkelijk kon rijmen. Zijn bekendste gedicht is De schepping (1866), waarin hij probeert bijbelse en natuurwetenschappelijke standpunten met elkaar in overeenstemming te brengen. Hij vertaalde ook buitenlandse literatuur, waaronder Paradise Lost van John Milton en in 1879 de Faust van Goethe
    Ten Kate werd evenals andere dominee-dichters geparodieerd door Cornelis Paradijs (Frederik van Eeden) in de bundel Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland.
    Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, officier der orde van de Eikenkroon, ridder der orde van Leopold van België, der Dannebrogsorde van Denemarken, der orde van de Kroon van Italië, der orde van Mauritius en Lazarus van Italië, der orde van de Waakzaamheid of den Witten Valk van Saxen Weimar Eisenach en der orde van Wasa van
    Zweden, tr. Den Haag op 7 mei 1845.
 

tr. (1) Amsterdam op 16 nov 1882
met

Antonia Baltina Muntendam, dr. van Dirk Johannes Muntendam en Louise Dorothea Christina Carp, geb. Amsterdam op 4 mei 1855.

Uit dit huwelijk 3 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Eric*1886 Amsterdam †1963 Nieuwer Amstel 77
Jan*1883 Amsterdam    
Louis*1890 Epe (Gld)    

tr. (2) Utrecht op 26 jan 1911
met

Petronella Egidia de Florimont, geb. Wieringen circa 1852


Antonia Baltina Muntendam
Antonia Baltina Muntendam, geb. Amsterdam op 4 mei 1855.

tr. Amsterdam op 16 nov 1882
met

Jan Jacob Lodewijk ten Kate, zn. van Dr Jan Jacob Lodewijk ten Kate (predikant, dichter, schrijver en vertaler) en Johanna Sophia Waldorp, geb. Middelburg op 12 jun 1850, kunstschilder, ovl. Loosduinen op 28 mei 1929,
, Ten Kate volgde de Akademie der Bildenden Künste in München; hij was een leerling van Petrus Franciscus Greive en zijn oom Herman Frederik Carel ten Kate. In 1880 maakte hij een studiereis naar Zwitserland; Ten Kate kwam in 1890 terug naar Nederland en ging in Epe wonen; later woonde hij afwisselend in, Valkenburg (1901), Antwerpen (1903), Brussel (1906), Bloemendaal (1908) en keerde toen weer terug naar Den Haag. De werken van Ten Kate variëren van genrekunst, landschappen, portretten en afbeeldingen van dieren tot stadsgezichten, figuurvoorstellingen en strandgezichten. Hij verwierf in 1880 de door Z.M. Willem III uitgeschreven Prix d'Excellence voor zijn schilderij Hooioogst door vrouwen en kinderen op Marken; andere werken waren een portret van H.M. de koningin in het Hof van Arbitrage, een portret van Henri Dunant in het gebouw van het Rode Kruis, een allegorie Après la Guerre en Zegen des vredes, tr. (2) met Petronella Egidia de Florimont. Uit dit huwelijk geen kinderen.

 

Uit dit huwelijk 3 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Eric*1886 Amsterdam †1963 Nieuwer Amstel 77
Jan*1883 Amsterdam    
Louis*1890 Epe (Gld)    


Frans Willem Matthijs ten Kate
Frans Willem Matthijs ten Kate, geb. Vorden op 15 jun 1923.

  • Vader:
    Eric (Diederik Johan) ten Kate, zn. van Jan Jacob Lodewijk ten Kate (kunstschilder) en Antonia Baltina Muntendam, geb. Amsterdam op 9 mei 1886, autohandelaar, in de Beethovenlaan 93 Apeldoorn op 15 nov 1926, in de Paul Krugerstraat 5 Apeldoorn op 28 okt 1935, in de v. Asch van Wijckstraat 21 Amersfoort op 1 sep 1936, in Gedinne [België] op 5 okt 1936, in de Stichtse Meije 38 Zegveld op 4 jul 1956, in de Icaruslaan 46 Nieuwer Amstel op 10 feb 1962, ovl. Nieuwer Amstel op 6 nov 1963, tr. (1) met Clasina Barneveld. Uit dit huwelijk 2 kinderen., tr. (3) met Truus (Geertruida Wilhelmina) Hagenbeek. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (2) Laren op 25 jan 1921, (gesch. Laren op 10 okt 1935).
 


Eric ten Kate
Eric ten Kate, geb. op 18 apr 1914.

 

tr. Den Haag op 29 mei 1942, (gesch. circa 1950)
met

Josine Cornelie Louise van Drielen Gimberg, dr. van Louis Theodoor van Drielen Gimberg en Josine Elise Labouchere, geb. Amsterdam op 30 nov 1919


Antonia Sonja ten Kate
Antonia Sonja ten Kate, geb. Overeem op 9 nov 1910.

 


Jan Jacob Lodewijk ten Kate
 
Dr Jan Jacob Lodewijk ten Kate, geb. Den Haag op 23 dec 1819, predikant, dichter, schrijver en vertaler, ovl. Amsterdam op 26 dec 1889,
, Kandidaat te Utrecht in 1844. Predikant te Marken op 4 mei 1845. Almkerk 13 juni 1847. Middelburg 7 april 1850. Amsterdam 15 april 1860. Jan Jakob Lodewijk ten Kate (Den Haag, 23 december 1819 - Amsterdam, 24 december 1889), niet te verwarren met zijn zoon, de kunstschilder Jan Jacob Lodewijk ten Kate, was een Nederlands dichter en dominee.
Ten Kate groeide op in Den Haag, samen met zijn broers Mari en Herman die bekende schilders zouden worden. Zijn eerste bundel Gedichten verscheen in 1836. Ten Kate werkte aanvankelijk als kantoorklerk, maar werd daarnaast in 1834, als veertienjarige, lid van het Haagse literaire gezelschap 'Oefening kweekt kennis', dat dat jaar was opgericht door onder andere Samuel Johannes van den Bergh en W.J. van Zeggelen. Daar leerde hij de predikant en filantroop Ottho Gerhard Heldring kennen. Deze bood, onder de indruk van de intelligentie en het dichttalent van de jongen, Ten Kate een plaatsje op zijn zolder aan, zodat hij zich daar kon voorbereiden op een academische studie. Hij nam het aanbod aan en na een jaar studeren kon hij zich in 1838 als student theologie aan de Universiteit Utrecht inschrijven. Daar zou hij tot 1843 blijven studeren. Samen met Anthony Winkler Prins richtte hij in 1842 het berijmde literaire tijdschrift Braga op, waarvan twee jaargangen verschenen. Op 7 mei 1845 trouwde hij met Johanna Sophia Waldorp, een dochter van de schilder Antonie Waldorp. Hij werkte als predikant achtereenvolgens in Marken, Almkerk, Middelburg en Amsterdam, alwaar hij op 15 april 1860 door de plaatselijk predikant Tonco Modderman werd bevestigd in het ambt.
Ten Kate was een zeer productief dichter, die gemakkelijk kon rijmen. Zijn bekendste gedicht is De schepping (1866), waarin hij probeert bijbelse en natuurwetenschappelijke standpunten met elkaar in overeenstemming te brengen. Hij vertaalde ook buitenlandse literatuur, waaronder Paradise Lost van John Milton en in 1879 de Faust van Goethe
Ten Kate werd evenals andere dominee-dichters geparodieerd door Cornelis Paradijs (Frederik van Eeden) in de bundel Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland.
Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, officier der orde van de Eikenkroon, ridder der orde van Leopold van België, der Dannebrogsorde van Denemarken, der orde van de Kroon van Italië, der orde van Mauritius en Lazarus van Italië, der orde van de Waakzaamheid of den Witten Valk van Saxen Weimar Eisenach en der orde van Wasa van
Zweden.

tr. Den Haag op 7 mei 1845
met

Johanna Sophia Waldorp, dr. van Antoine Waldorp (zeeschilder) en Johanna Sophia van Hoven, geb. op 24 apr 1826, ovl. op 20 mei 1887.

Uit dit huwelijk 9 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1850 Middelburg †1929 Loosduinen 78


Johanna Sophia Waldorp
Johanna Sophia Waldorp, geb. op 24 apr 1826, ovl. op 20 mei 1887.

tr. Den Haag op 7 mei 1845
met

Dr Jan Jacob Lodewijk ten Kate, zn. van Jan Herman ten Kate (officier departement Marine) en Johanna Henrica Adriana de Witte van Haemstede (schrijfster), geb. Den Haag op 23 dec 1819, predikant, dichter, schrijver en vertaler, ovl. Amsterdam op 26 dec 1889,
, Kandidaat te Utrecht in 1844. Predikant te Marken op 4 mei 1845. Almkerk 13 juni 1847. Middelburg 7 april 1850. Amsterdam 15 april 1860. Jan Jakob Lodewijk ten Kate (Den Haag, 23 december 1819 - Amsterdam, 24 december 1889), niet te verwarren met zijn zoon, de kunstschilder Jan Jacob Lodewijk ten Kate, was een Nederlands dichter en dominee.
Ten Kate groeide op in Den Haag, samen met zijn broers Mari en Herman die bekende schilders zouden worden. Zijn eerste bundel Gedichten verscheen in 1836. Ten Kate werkte aanvankelijk als kantoorklerk, maar werd daarnaast in 1834, als veertienjarige, lid van het Haagse literaire gezelschap 'Oefening kweekt kennis', dat dat jaar was opgericht door onder andere Samuel Johannes van den Bergh en W.J. van Zeggelen. Daar leerde hij de predikant en filantroop Ottho Gerhard Heldring kennen. Deze bood, onder de indruk van de intelligentie en het dichttalent van de jongen, Ten Kate een plaatsje op zijn zolder aan, zodat hij zich daar kon voorbereiden op een academische studie. Hij nam het aanbod aan en na een jaar studeren kon hij zich in 1838 als student theologie aan de Universiteit Utrecht inschrijven. Daar zou hij tot 1843 blijven studeren. Samen met Anthony Winkler Prins richtte hij in 1842 het berijmde literaire tijdschrift Braga op, waarvan twee jaargangen verschenen. Op 7 mei 1845 trouwde hij met Johanna Sophia Waldorp, een dochter van de schilder Antonie Waldorp. Hij werkte als predikant achtereenvolgens in Marken, Almkerk, Middelburg en Amsterdam, alwaar hij op 15 april 1860 door de plaatselijk predikant Tonco Modderman werd bevestigd in het ambt.
Ten Kate was een zeer productief dichter, die gemakkelijk kon rijmen. Zijn bekendste gedicht is De schepping (1866), waarin hij probeert bijbelse en natuurwetenschappelijke standpunten met elkaar in overeenstemming te brengen. Hij vertaalde ook buitenlandse literatuur, waaronder Paradise Lost van John Milton en in 1879 de Faust van Goethe
Ten Kate werd evenals andere dominee-dichters geparodieerd door Cornelis Paradijs (Frederik van Eeden) in de bundel Grassprietjes of Liederen op het gebied van Deugd, Godsvrucht en Vaderland.
Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw, officier der orde van de Eikenkroon, ridder der orde van Leopold van België, der Dannebrogsorde van Denemarken, der orde van de Kroon van Italië, der orde van Mauritius en Lazarus van Italië, der orde van de Waakzaamheid of den Witten Valk van Saxen Weimar Eisenach en der orde van Wasa van
Zweden.

 

Uit dit huwelijk 9 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1850 Middelburg †1929 Loosduinen 78


Jan Herman ten Kate
Jan Herman ten Kate, geb. Amsterdam op 28 jan 1789, officier departement Marine, ovl. Arnhem op 20 mrt 1860,
, Hij was eerst officier en daarna commies bij het departement van Marine. Hij huwde Johanna
Henriette Adriana de Witte van Haemstede, dochter van Jacob Eduard de Witte, die, volgens
zijne verklaring bij het huwelijk in 1817, na de geboorte van zijn dochter de naam van van Haemstede heeft aangenomen en door zijn dochter heeft doen voeren.

tr.
met

Johanna Henrica Adriana de Witte van Haemstede, dr. van Jacob Eduard de Witte en Maria van Zuylekom (dichteres), geb. Osch op 12 okt 1792, schrijfster, ovl. Arnhem op 13 jul 1858,
, Schrijfster van een pamflet. Dochter van Jacob Eduard de Witte (1763-1853), militair en schrijver, en Maria van Zuylekom (1759-1831), schrijfster.
Johanna Henriette Adriana de Witte was het derde kind en de tweede dochter in het gezin van Jacob Eduard de Witte en van Maria van Zuylekom. Haar vader had, op beschuldiging van landverraad, van 1784 tot 1790 in de Haagse Gevangenpoort gezeten, waar hij haar moeder had leren kennen. Johanna’s broer was geboren terwijl hun vader nog gevangen zat (De Vries, 48). De ouders trouwden in 1790. Daarna leidde het gezin een zwervend bestaan en leefde van de pen van beide ouders. Zo is onbekend waar Johanna de Witte is geboren, maar zeker is dat ze op 14 oktober 1792 in Oss gereformeerd werd gedoopt. In 1795 voegde De Witte ‘Van Haemstede’ toe aan zijn naam, overgenomen door alle leden van de familie. In 1807 woonde het gezin zonder de vader ‘in stilte’ in Alkmaar.
In 1814 publiceerde Johanna Henriette Adriana de Witte van Haemstede een pamflet in dichtvorm: een lierzang op de schutterijen van Nederland en hun strijd tegen de Franse ‘rovers’. Zij refereert erin aan haar oudste broer, die ‘naar het veld werd gevoerd’, en haar zuster die ‘verkwijnt door smarte;/ Die monsters scheurden van haar harte,/ Haar’ jonge, ted’re echtgenoot’. Voor zover bekend was dit haar enige publicatie, door Frederiks en Van den Branden ten onrechte toegeschreven aan haar zuster Johanna Maria Angnita.
Johanna de Witte werd vooral bekend als de moeder van begaafde zonen: Jan Jacob Lodewijk (1819-1889), dichter en letterkundige, en Herman (1821-1891) en Mari (1831-1910), beiden schilder.

Uit dit huwelijk 6 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1819 Den Haag †1889 Amsterdam 70
Johan*1831 Den Haag    
Herman*1822 Den Haag    


Antoine Waldorp
Antoine Waldorp, zeeschilder.

tr.
met

Johanna Sophia van Hoven.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Johanna*1826  †1887  61


Johanna Sophia van Hoven
Johanna Sophia van Hoven.

tr.
met

Antoine Waldorp, zeeschilder.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Johanna*1826  †1887  61


Johanna Henrica Adriana de Witte van Haemstede
Johanna Henrica Adriana de Witte van Haemstede, geb. Osch op 12 okt 1792, schrijfster, ovl. Arnhem op 13 jul 1858,
, Schrijfster van een pamflet. Dochter van Jacob Eduard de Witte (1763-1853), militair en schrijver, en Maria van Zuylekom (1759-1831), schrijfster.
Johanna Henriette Adriana de Witte was het derde kind en de tweede dochter in het gezin van Jacob Eduard de Witte en van Maria van Zuylekom. Haar vader had, op beschuldiging van landverraad, van 1784 tot 1790 in de Haagse Gevangenpoort gezeten, waar hij haar moeder had leren kennen. Johanna’s broer was geboren terwijl hun vader nog gevangen zat (De Vries, 48). De ouders trouwden in 1790. Daarna leidde het gezin een zwervend bestaan en leefde van de pen van beide ouders. Zo is onbekend waar Johanna de Witte is geboren, maar zeker is dat ze op 14 oktober 1792 in Oss gereformeerd werd gedoopt. In 1795 voegde De Witte ‘Van Haemstede’ toe aan zijn naam, overgenomen door alle leden van de familie. In 1807 woonde het gezin zonder de vader ‘in stilte’ in Alkmaar.
In 1814 publiceerde Johanna Henriette Adriana de Witte van Haemstede een pamflet in dichtvorm: een lierzang op de schutterijen van Nederland en hun strijd tegen de Franse ‘rovers’. Zij refereert erin aan haar oudste broer, die ‘naar het veld werd gevoerd’, en haar zuster die ‘verkwijnt door smarte;/ Die monsters scheurden van haar harte,/ Haar’ jonge, ted’re echtgenoot’. Voor zover bekend was dit haar enige publicatie, door Frederiks en Van den Branden ten onrechte toegeschreven aan haar zuster Johanna Maria Angnita.
Johanna de Witte werd vooral bekend als de moeder van begaafde zonen: Jan Jacob Lodewijk (1819-1889), dichter en letterkundige, en Herman (1821-1891) en Mari (1831-1910), beiden schilder.

tr.
met

Jan Herman ten Kate, zn. van Herman ten Kate en Louise Maria van Loo, geb. Amsterdam op 28 jan 1789, officier departement Marine, ovl. Arnhem op 20 mrt 1860,
, Hij was eerst officier en daarna commies bij het departement van Marine. Hij huwde Johanna
Henriette Adriana de Witte van Haemstede, dochter van Jacob Eduard de Witte, die, volgens
zijne verklaring bij het huwelijk in 1817, na de geboorte van zijn dochter de naam van van Haemstede heeft aangenomen en door zijn dochter heeft doen voeren.

Uit dit huwelijk 6 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1819 Den Haag †1889 Amsterdam 70
Johan*1831 Den Haag    
Herman*1822 Den Haag    


Jacob Eduard de Witte
Jacob Eduard de Witte, ged. RK 's-Hertogenbosch op 2 apr 1763, ovl. Den Haag op 14 jun 1853,
, Hij was van een oud militair geslacht. Zijn grootvader was generaal-majoor bij de infanterie, zijn vader eerst genie-officier vervolgens directeur-generaal der stadswerken (van 1772 tot 1776) vanwaar hij overging in Russischen krijgsdienst; hier klom hij op tot luitenant-generaal.
In tijd van zijn ambt van genie-officier heeft hij in 's-Bosch verbleven en is hij daar in kennis gekomen met Anna Johanna Eenescho. De in Den Bosch geboren Jacob Eduard, de latere dichter waarover het hier gaat, en zijn tweelingbroer, werden door de ouders overgelaten aan de katholieke familieleden der moeder, die zelf en ook de vader protestant waren, gelijk het doopboek der St. Pieterskerk te 's-Bosch uitdrukkelijk vermeld. (2 April 1763).
Uit den inhoud der werken van den dichter, alsook uit het feit dat hij zijne te Oss geboren dochter in de protestantsche kerk liet doopen, zou men opmaken, dat hij later den godsdienst zijner ouders heeft aangenomen.
Jacob Eduard trad, evenals zijn vader en grootvader, in militaire loopbaan. 10 Augustus 1782 werd hij gedetacheerd als vaandrigsupernumerair, te Amersfoort geplaatst. In Aug. 1782 werd hij gedetacheerd, als vaandrig te Brouwershaven. Een tijd later, onder schulden gebukt gaande, wist een boomkweker uit Boskoop, Pieter van Brakel hem over te halen, door hem allerlei schoone voorspiegelingen te doen, deel te nemen aan een poging om het eiland Schouwen in handen der Engelschen te spelen. Van Bakel had reeds voor De Witte bezwarende brieven in bezit. Nu bedacht hij zich en trok zich niet alleen terug doch leverde de brieven over aan den pensionaris van Bleiswijk, om de 100 gouden rijders te verdienen, de premie voor het aanbrengen van verraders. De Witte werd gevangen genomen en zou de doodstraf hebben gekregen, doch er ontstond een geschil tusschen den Stalhouder en de Staten, wie het recht had, dit vonnis te voltrekken, de militaire of burgerlijke overheid. Aan dit geschil had hij zijn leven te danken.
Hij werd nu 21 Mei 1784 door het Hof van Holland veroordeeld tot vervallenverklaring van den militairen stand, zesjarige gevangenisstraf en eeuwige verbanning uit Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht. Hij bracht zijn 6-jaren door te 's-Hage op de Voorpoort. Het was gedurende deze hechtenis, dat hij zich aan den letterkundigen arbeid heeft gezet en begon gedichten te maken.
Begin 1797 kreeg Jacob Eduard de Witte van Haemstede een aanstelling als magazijnmeester en opzichter van het Franse militaire hospitaal in het voormalige Prinsenhof te Groningen. Hij beurde er het bepaald niet slechte tractement van bijna 50 gulden per maand, met vrije inwoning, turf en kaarsen, en iedere vier dagen vlees en brood toe. Weldra kwam ook zijn gezin naar Groningen over.
Nog geen drie maanden later zat De Witte gevangen op de A-Poort. Hij had voor eigen gewin goederen van het hospitaal verkocht. Ook bracht hij veel meer daglonen in rekening voor los personeel zoals was- en naaivrouwen, dan deze dagen hadden gewerkt. Een beschermer in Den Haag trok zijn handen van hem af. Uiteindelijk werd De Witte medio 1798 veroordeeld tot tien jaar verbanning uit Stad en Lande, waar hij ook nooit meer een ambtelijke functie zou mogen bekleden.
Het was niet de eerste veroordeling van deze militair en oplichter, en zeker ook niet de laatste.
Hij was geboren in Den Bosch, als zoon en kleinzoon van generaals der genie, die ten onrechte meenden dat hun famille van graaf Floris V afstamde. In 1772 werd zijn vader directeur van de stadswerken en stadsgebouwen in Amsterdam. Ondanks het riante inkomen van ruim 5000 gulden per jaar, nam hij steekpenningen aan van aannemers, wat in 1777 uitkwam, zodat de familie de stad moest ruimen, om zich in Amersfoort te vestigen. In die stad werd Jacob Eduard junior in 1780, op zijn zeventiende, zelf vaandrig. Twee jaar later moest hij naar het Zeeuwse Schouwen, frontgebied in de Vierde Engelse oorlog, en daar was het dat hij uit geldnood militaire gegevens verkocht, wat hem op een aanklacht wegens landverraad en een doodvonnis kwam te staan.
Dankzij allerlei geharrewar kwam hij er uiteindelijk met zes jaar gevangenisstraf zeer genadig vanaf. Die tijd bracht hij door op de Gevangenpoort in Den Haag, waar hij zich ontwikkelde tot literator en broodschrijver van sentimenteel zwijmelwerk. Opmerkelijk is dat hij er maar liefst voor 22 stuivers per dag verteerde (exclusief bewassing, turf, kaarsen en alcoholica), wat twee, drie maal zoveel was als een gewone gevangene in Groningen in die tijd. Ook kreeg hij er, vanaf 1787, regelmatig bezoek van een bewonderaarster, de dichteres Maria van Zuylekom, met wie hij een brievenroman schreef. Nog voor zijn vrijlating zou hij haar twee maal bezwangeren.
Na zijn vrijlating trouwden ze, en omdat De Witte bij hetzelfde vonnis uit 1784 dat hem bevrijdde van de doodsstraf, voor eeuwig verbannen was uit de Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht, vestigden hij en de zijnen zich alternerend in Brabant en Gelderland. Na de Bataafse Revolutie (1795) leek de kust in Amsterdam weer veilig voor hem. Hij werd er benoemd tot schrijver van de stadscourant, maar na negen maanden alweer ontslagen. Den Haag bleek minder veilig - daar pakte men hem in mei 1796 op wegens overtreding van zijn bannissement. Opnieuw de gevangenis in hoefde hij niet, maar hij moest wel weer Holland uit, en belandde toen in Groningen.
Van Groningen vertrok hij naar Zwolle waar hij even meetkundelessen gaf. Hij mocht er niet blijven wonen, probeerde per schip naar Rusland te gaan, waar zijn vader sinds 1784 weer generaal was, maar betaalde de schipper niet en moest van boord. Vanuit Breda probeerde hij van zijn levenslange verbanning uit 1784 af te komen. begaf zich tegen die verbanning in weer naar Den Haag (1801), waar ze dit keer niet meer coulant waren en hem voor twee jaar opsloten. In 1803/1804 verbleef hij in Antwerpen, een stad die hij ruimde onder achterlating van allerlei schulden. Vervolgens werd hij gearresteerd in Alkmaar, waar zijn vrouw en kinderen woonden. De straf was dit keer drie jaar brommen in Gouda, waar hij "ongepermitteerde liaisons" aanknoopte met de binnenmoeder van het Tuchthuis. Ook in 1807 overtrad hij zijn verbanning en zat hij weer een poos op de Haagse Gevangenpoort, maar kwam toen dankzij een uitvlucht met de schrik vrij.
Tussen 1807 en 1845, als hij in Den Haag opduikt, is zijn woon- en verblijfplaats onbekend. Af en toe publiceerde hij nog wel wat werk, maar veel minder dan vroeger. De autobiografische tekst die hij in 1825 schreef bleef in elk geval onuitgegeven.

otr. op 9 mei 1790, kerk.huw. Rosmalen op 24 mei 1790
met

Maria van Zuylekom, dr. van Jan van Zuylekom en Agnita Ameur, ged. Tedingerbroek op 29 jul 1759, dichteres, ovl. Den Haag op 7 apr 1831,
, Dochter van Jan van Zuylekom (1726-?) en Agnita Ameur (gest. 1761). Maria van Zuylekom trouwde op 21-5-1790 in Rosmalen met Jacob Eduard de Witte (1763-1853), vaandrig infanterie en schrijver. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.
Maria van Zuylekom werd als derde van de vier dochters uit het eerste huwelijk van haar vader geboren. Ze was twee toen haar moeder stierf in het kraambed, twee weken na de geboorte van Maria’s zusje Theodora Aletta. Maria werd opgevoed door haar stiefmoeder Johanna ter Brake, met wie haar vader in Den Haag was hertrouwd. Uit dit huwelijk werden nog twee meisjes en twee jongens geboren.
Maria van Zuylekom werkte enige tijd als gezelschapsdame en is gaan schrijven. In 1787 was ze met een van haar halfbroers – waarschijnlijk Lodewijk – in de Haagse Gevangenpoort op bezoek bij Jacob Eduard de Witte, die er een straf van zes jaar uitzat wegens landverraad. De Witte was tijdens zijn gevangenschap gaan schrijven, aangemoedigd door de schrijfster Margareta van der Werken, en hij gaf zijn werk ook uit. Maria liet hem lezen wat zij geschreven had en Jacob Eduard was, zoals hij later in zijn memoires vertelde, onder de indruk van haar letterkundige vaardigheden .
Haar eerste pennevruchten, Mengelingen in proza en poezij, gaf ze in 1788 uit bij Isaac van Cleef in Den Haag. In de Vaderlandsche Bibliotheek (1789) oordeelt een recensent dat de bundel potentie heeft, maar ook veel bijsturing behoeft. Zij kan niet goed rijmen en het is beter als ze zich beperkt tot onderwerpen uit de natuur: verheven onderwerpen gaan haar niet goed af. In september 1788 werd Maria van Zuylekom buitengewoon lid van het Haagse dichtgenootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt en in 1789 van het Utrechtse genootschap Vlijt is de Voedster der Wetenschappen.
Na verloop van tijd kregen Maria van Zuylekom en Jacob Eduard de Witte een verhouding. Maria gaf haar baan als gezelschapsdame op en liet zich vrijwillig bij haar geliefde opsluiten, net zoals in diezelfde tijd haar vriendin Cornelia van der Weyde zich in de Gevangenpoort bij Jean Henry des Villates had laten opsluiten. Het paar zette zich gezamenlijk aan het schrijven. Hun eerste roman, Henriëtte van Grandpré, verscheen in 1789. In 1790 volgde het eerste grote werk dat Van Zuylekom alleen schreef, Osman en Ophelia, een treurspel. Zij zal dat in ieder geval deels in de Gevangenpoort geschreven hebben. In datzelfde jaar kwam ook het eerste kind van Maria en Jacob Eduard ter wereld, al is onbekend wanneer precies en waar deze Jan Eduard werd geboren. Op 9 mei 1790 ging het paar in ondertrouw: die dag verscheen Maria van Zuylekom voor het gerecht met een officiële procuratie (volmacht) daartoe, omdat Jacob Eduard de gevangenis niet mocht verlaten. Hij kwam bijna twee weken later, op 21 mei, vrij.
Het huwelijk van Maria van Zuylekom en Jacob Eduard de Witte werd op 24 mei 1790 ingezegend in Rosmalen, waar het paar na De Wittes vrijlating was ingetrokken bij een tante en oom van hem. Op 23 mei werd hun zoon Jan Eduard gedoopt. Ze bleven er slechts een paar maanden. Nog hetzelfde jaar verhuisden ze naar Zaltbommel. Daar werd op 10 oktober 1790 hun tweede kind, Johanna Maria Agnita, geboren.
In 1791 werd Maria van Zuylekom geroyeerd door Kunstliefde Spaart Geen Vlijt. Het genootschap retourneerde haar boeken en gedichten en in de bijgesloten brief schreef het bestuur dat zij van de ledenlijst werd geschrapt vanwege haar ‘uitlandigheid’. Maria had hun een briefje geschreven dat zij uit Den Haag was vertrokken en in Oss verbleef. Die verhuizing is waarschijnlijk niet de echte reden voor het royement. Gesuggereerd is dat deze beslissing was ingegeven door het optreden van haar echtgenoot (Lauwerkrans). De Witte had namelijk, buiten hun medeweten, Adriana van Overstraten en Petronella Moens opgegeven als lid voor het genootschap. Beide dames waren daar bijzonder verbolgen over: Moens zei haar lidmaatschap meteen op en later eiste Van Overstraten al haar ingezonden werk terug. Aangezien De Witte zelf geen lid was, royeerde het genootschap maar zijn vrouw.
Zwervend bestaan. Er volgden vele turbulente jaren. De Witte moest steeds naar andere woonplaatsen omzien, nu eens vanwege belastingproblemen, dan weer malversaties of het verbreken van zijn verbanning uit Holland. Van Zuylekom reisde hem meestal na en ondertussen werden er nog twee kinderen geboren: Johanna Henrietta Adriana in Oss (14 oktober 1792) en Johannes Lodewijk in 1799 te Zuidlaren. Deze zoon trad later, als tweede luitenant, in de militaire voetsporen van zijn vaders familie. In 1792 – tussen alle verhuizingen door – publiceerde Van Zuylekom de briefroman Ismene en Selinde, die een positieve recensie kreeg in de Vaderlandsche Bibliotheek. Al was haar roman een navolging van De Wittes roman Martian en Jenny, de recensent vindt haar boek beter. Ze heeft, aldus de recensent, goede talenten, maar – weer een waarschuwing – ze moet zich niet bezighouden met ingewikkelde plots. Eveneens in 1792 verscheen De verlosser, dat zij weer samen met haar man heeft geschreven. Hun laatst bekende gezamenlijke publicatie is uit 1801: Treurzangen der vriendschap. Verder leverde Van Zuylekom vele bijdragen aan tijdschriften als de Almanak voor Vrouwen door Vrouwen en Bijdragen tot het Menselijk Geluk. Hieruit wordt duidelijk dat zij midden in het literaire leven van haar tijd stond. Dat duurde tot ongeveer 1815. Toen droogde haar pen op. Waar zij daarna van leefde is onbekend, maar waarschijnlijk is zij door een van haar kinderen in huis genomen, zoals ook Jacob Eduard aan het einde van zijn leven bij zijn tweede dochter woonde.
Maria van Zuylekom heeft lange periodes met haar kinderen maar zonder De Witte in Alkmaar en in Haarlem gewoond. Zo was Jacob Eduard ook afwezig toen Maria op 7 april 1831 in Den Haag stierf, ruim 71 jaar oud.

Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Johanna*1792 Osch †1858 Arnhem 65
Johanna*1790 Zaltbommel †1869 Den Haag 78


Maria van Zuylekom
Maria van Zuylekom, ged. Tedingerbroek op 29 jul 1759, dichteres, ovl. Den Haag op 7 apr 1831,
, Dochter van Jan van Zuylekom (1726-?) en Agnita Ameur (gest. 1761). Maria van Zuylekom trouwde op 21-5-1790 in Rosmalen met Jacob Eduard de Witte (1763-1853), vaandrig infanterie en schrijver. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren.
Maria van Zuylekom werd als derde van de vier dochters uit het eerste huwelijk van haar vader geboren. Ze was twee toen haar moeder stierf in het kraambed, twee weken na de geboorte van Maria’s zusje Theodora Aletta. Maria werd opgevoed door haar stiefmoeder Johanna ter Brake, met wie haar vader in Den Haag was hertrouwd. Uit dit huwelijk werden nog twee meisjes en twee jongens geboren.
Maria van Zuylekom werkte enige tijd als gezelschapsdame en is gaan schrijven. In 1787 was ze met een van haar halfbroers – waarschijnlijk Lodewijk – in de Haagse Gevangenpoort op bezoek bij Jacob Eduard de Witte, die er een straf van zes jaar uitzat wegens landverraad. De Witte was tijdens zijn gevangenschap gaan schrijven, aangemoedigd door de schrijfster Margareta van der Werken, en hij gaf zijn werk ook uit. Maria liet hem lezen wat zij geschreven had en Jacob Eduard was, zoals hij later in zijn memoires vertelde, onder de indruk van haar letterkundige vaardigheden .
Haar eerste pennevruchten, Mengelingen in proza en poezij, gaf ze in 1788 uit bij Isaac van Cleef in Den Haag. In de Vaderlandsche Bibliotheek (1789) oordeelt een recensent dat de bundel potentie heeft, maar ook veel bijsturing behoeft. Zij kan niet goed rijmen en het is beter als ze zich beperkt tot onderwerpen uit de natuur: verheven onderwerpen gaan haar niet goed af. In september 1788 werd Maria van Zuylekom buitengewoon lid van het Haagse dichtgenootschap Kunstliefde Spaart Geen Vlijt en in 1789 van het Utrechtse genootschap Vlijt is de Voedster der Wetenschappen.
Na verloop van tijd kregen Maria van Zuylekom en Jacob Eduard de Witte een verhouding. Maria gaf haar baan als gezelschapsdame op en liet zich vrijwillig bij haar geliefde opsluiten, net zoals in diezelfde tijd haar vriendin Cornelia van der Weyde zich in de Gevangenpoort bij Jean Henry des Villates had laten opsluiten. Het paar zette zich gezamenlijk aan het schrijven. Hun eerste roman, Henriëtte van Grandpré, verscheen in 1789. In 1790 volgde het eerste grote werk dat Van Zuylekom alleen schreef, Osman en Ophelia, een treurspel. Zij zal dat in ieder geval deels in de Gevangenpoort geschreven hebben. In datzelfde jaar kwam ook het eerste kind van Maria en Jacob Eduard ter wereld, al is onbekend wanneer precies en waar deze Jan Eduard werd geboren. Op 9 mei 1790 ging het paar in ondertrouw: die dag verscheen Maria van Zuylekom voor het gerecht met een officiële procuratie (volmacht) daartoe, omdat Jacob Eduard de gevangenis niet mocht verlaten. Hij kwam bijna twee weken later, op 21 mei, vrij.
Het huwelijk van Maria van Zuylekom en Jacob Eduard de Witte werd op 24 mei 1790 ingezegend in Rosmalen, waar het paar na De Wittes vrijlating was ingetrokken bij een tante en oom van hem. Op 23 mei werd hun zoon Jan Eduard gedoopt. Ze bleven er slechts een paar maanden. Nog hetzelfde jaar verhuisden ze naar Zaltbommel. Daar werd op 10 oktober 1790 hun tweede kind, Johanna Maria Agnita, geboren.
In 1791 werd Maria van Zuylekom geroyeerd door Kunstliefde Spaart Geen Vlijt. Het genootschap retourneerde haar boeken en gedichten en in de bijgesloten brief schreef het bestuur dat zij van de ledenlijst werd geschrapt vanwege haar ‘uitlandigheid’. Maria had hun een briefje geschreven dat zij uit Den Haag was vertrokken en in Oss verbleef. Die verhuizing is waarschijnlijk niet de echte reden voor het royement. Gesuggereerd is dat deze beslissing was ingegeven door het optreden van haar echtgenoot (Lauwerkrans). De Witte had namelijk, buiten hun medeweten, Adriana van Overstraten en Petronella Moens opgegeven als lid voor het genootschap. Beide dames waren daar bijzonder verbolgen over: Moens zei haar lidmaatschap meteen op en later eiste Van Overstraten al haar ingezonden werk terug. Aangezien De Witte zelf geen lid was, royeerde het genootschap maar zijn vrouw.
Zwervend bestaan. Er volgden vele turbulente jaren. De Witte moest steeds naar andere woonplaatsen omzien, nu eens vanwege belastingproblemen, dan weer malversaties of het verbreken van zijn verbanning uit Holland. Van Zuylekom reisde hem meestal na en ondertussen werden er nog twee kinderen geboren: Johanna Henrietta Adriana in Oss (14 oktober 1792) en Johannes Lodewijk in 1799 te Zuidlaren. Deze zoon trad later, als tweede luitenant, in de militaire voetsporen van zijn vaders familie. In 1792 – tussen alle verhuizingen door – publiceerde Van Zuylekom de briefroman Ismene en Selinde, die een positieve recensie kreeg in de Vaderlandsche Bibliotheek. Al was haar roman een navolging van De Wittes roman Martian en Jenny, de recensent vindt haar boek beter. Ze heeft, aldus de recensent, goede talenten, maar – weer een waarschuwing – ze moet zich niet bezighouden met ingewikkelde plots. Eveneens in 1792 verscheen De verlosser, dat zij weer samen met haar man heeft geschreven. Hun laatst bekende gezamenlijke publicatie is uit 1801: Treurzangen der vriendschap. Verder leverde Van Zuylekom vele bijdragen aan tijdschriften als de Almanak voor Vrouwen door Vrouwen en Bijdragen tot het Menselijk Geluk. Hieruit wordt duidelijk dat zij midden in het literaire leven van haar tijd stond. Dat duurde tot ongeveer 1815. Toen droogde haar pen op. Waar zij daarna van leefde is onbekend, maar waarschijnlijk is zij door een van haar kinderen in huis genomen, zoals ook Jacob Eduard aan het einde van zijn leven bij zijn tweede dochter woonde.
Maria van Zuylekom heeft lange periodes met haar kinderen maar zonder De Witte in Alkmaar en in Haarlem gewoond. Zo was Jacob Eduard ook afwezig toen Maria op 7 april 1831 in Den Haag stierf, ruim 71 jaar oud.

otr. op 9 mei 1790, kerk.huw. Rosmalen op 24 mei 1790
met

Jacob Eduard de Witte, zn. van Jacob Eduard de Witte (Stadsbouwmeester van Amsterdam 1772-1776) en Anna Johanna Eenichs, ged. RK 's-Hertogenbosch op 2 apr 1763, ovl. Den Haag op 14 jun 1853,
, Hij was van een oud militair geslacht. Zijn grootvader was generaal-majoor bij de infanterie, zijn vader eerst genie-officier vervolgens directeur-generaal der stadswerken (van 1772 tot 1776) vanwaar hij overging in Russischen krijgsdienst; hier klom hij op tot luitenant-generaal.
In tijd van zijn ambt van genie-officier heeft hij in 's-Bosch verbleven en is hij daar in kennis gekomen met Anna Johanna Eenescho. De in Den Bosch geboren Jacob Eduard, de latere dichter waarover het hier gaat, en zijn tweelingbroer, werden door de ouders overgelaten aan de katholieke familieleden der moeder, die zelf en ook de vader protestant waren, gelijk het doopboek der St. Pieterskerk te 's-Bosch uitdrukkelijk vermeld. (2 April 1763).
Uit den inhoud der werken van den dichter, alsook uit het feit dat hij zijne te Oss geboren dochter in de protestantsche kerk liet doopen, zou men opmaken, dat hij later den godsdienst zijner ouders heeft aangenomen.
Jacob Eduard trad, evenals zijn vader en grootvader, in militaire loopbaan. 10 Augustus 1782 werd hij gedetacheerd als vaandrigsupernumerair, te Amersfoort geplaatst. In Aug. 1782 werd hij gedetacheerd, als vaandrig te Brouwershaven. Een tijd later, onder schulden gebukt gaande, wist een boomkweker uit Boskoop, Pieter van Brakel hem over te halen, door hem allerlei schoone voorspiegelingen te doen, deel te nemen aan een poging om het eiland Schouwen in handen der Engelschen te spelen. Van Bakel had reeds voor De Witte bezwarende brieven in bezit. Nu bedacht hij zich en trok zich niet alleen terug doch leverde de brieven over aan den pensionaris van Bleiswijk, om de 100 gouden rijders te verdienen, de premie voor het aanbrengen van verraders. De Witte werd gevangen genomen en zou de doodstraf hebben gekregen, doch er ontstond een geschil tusschen den Stalhouder en de Staten, wie het recht had, dit vonnis te voltrekken, de militaire of burgerlijke overheid. Aan dit geschil had hij zijn leven te danken.
Hij werd nu 21 Mei 1784 door het Hof van Holland veroordeeld tot vervallenverklaring van den militairen stand, zesjarige gevangenisstraf en eeuwige verbanning uit Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht. Hij bracht zijn 6-jaren door te 's-Hage op de Voorpoort. Het was gedurende deze hechtenis, dat hij zich aan den letterkundigen arbeid heeft gezet en begon gedichten te maken.
Begin 1797 kreeg Jacob Eduard de Witte van Haemstede een aanstelling als magazijnmeester en opzichter van het Franse militaire hospitaal in het voormalige Prinsenhof te Groningen. Hij beurde er het bepaald niet slechte tractement van bijna 50 gulden per maand, met vrije inwoning, turf en kaarsen, en iedere vier dagen vlees en brood toe. Weldra kwam ook zijn gezin naar Groningen over.
Nog geen drie maanden later zat De Witte gevangen op de A-Poort. Hij had voor eigen gewin goederen van het hospitaal verkocht. Ook bracht hij veel meer daglonen in rekening voor los personeel zoals was- en naaivrouwen, dan deze dagen hadden gewerkt. Een beschermer in Den Haag trok zijn handen van hem af. Uiteindelijk werd De Witte medio 1798 veroordeeld tot tien jaar verbanning uit Stad en Lande, waar hij ook nooit meer een ambtelijke functie zou mogen bekleden.
Het was niet de eerste veroordeling van deze militair en oplichter, en zeker ook niet de laatste.
Hij was geboren in Den Bosch, als zoon en kleinzoon van generaals der genie, die ten onrechte meenden dat hun famille van graaf Floris V afstamde. In 1772 werd zijn vader directeur van de stadswerken en stadsgebouwen in Amsterdam. Ondanks het riante inkomen van ruim 5000 gulden per jaar, nam hij steekpenningen aan van aannemers, wat in 1777 uitkwam, zodat de familie de stad moest ruimen, om zich in Amersfoort te vestigen. In die stad werd Jacob Eduard junior in 1780, op zijn zeventiende, zelf vaandrig. Twee jaar later moest hij naar het Zeeuwse Schouwen, frontgebied in de Vierde Engelse oorlog, en daar was het dat hij uit geldnood militaire gegevens verkocht, wat hem op een aanklacht wegens landverraad en een doodvonnis kwam te staan.
Dankzij allerlei geharrewar kwam hij er uiteindelijk met zes jaar gevangenisstraf zeer genadig vanaf. Die tijd bracht hij door op de Gevangenpoort in Den Haag, waar hij zich ontwikkelde tot literator en broodschrijver van sentimenteel zwijmelwerk. Opmerkelijk is dat hij er maar liefst voor 22 stuivers per dag verteerde (exclusief bewassing, turf, kaarsen en alcoholica), wat twee, drie maal zoveel was als een gewone gevangene in Groningen in die tijd. Ook kreeg hij er, vanaf 1787, regelmatig bezoek van een bewonderaarster, de dichteres Maria van Zuylekom, met wie hij een brievenroman schreef. Nog voor zijn vrijlating zou hij haar twee maal bezwangeren.
Na zijn vrijlating trouwden ze, en omdat De Witte bij hetzelfde vonnis uit 1784 dat hem bevrijdde van de doodsstraf, voor eeuwig verbannen was uit de Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht, vestigden hij en de zijnen zich alternerend in Brabant en Gelderland. Na de Bataafse Revolutie (1795) leek de kust in Amsterdam weer veilig voor hem. Hij werd er benoemd tot schrijver van de stadscourant, maar na negen maanden alweer ontslagen. Den Haag bleek minder veilig - daar pakte men hem in mei 1796 op wegens overtreding van zijn bannissement. Opnieuw de gevangenis in hoefde hij niet, maar hij moest wel weer Holland uit, en belandde toen in Groningen.
Van Groningen vertrok hij naar Zwolle waar hij even meetkundelessen gaf. Hij mocht er niet blijven wonen, probeerde per schip naar Rusland te gaan, waar zijn vader sinds 1784 weer generaal was, maar betaalde de schipper niet en moest van boord. Vanuit Breda probeerde hij van zijn levenslange verbanning uit 1784 af te komen. begaf zich tegen die verbanning in weer naar Den Haag (1801), waar ze dit keer niet meer coulant waren en hem voor twee jaar opsloten. In 1803/1804 verbleef hij in Antwerpen, een stad die hij ruimde onder achterlating van allerlei schulden. Vervolgens werd hij gearresteerd in Alkmaar, waar zijn vrouw en kinderen woonden. De straf was dit keer drie jaar brommen in Gouda, waar hij "ongepermitteerde liaisons" aanknoopte met de binnenmoeder van het Tuchthuis. Ook in 1807 overtrad hij zijn verbanning en zat hij weer een poos op de Haagse Gevangenpoort, maar kwam toen dankzij een uitvlucht met de schrik vrij.
Tussen 1807 en 1845, als hij in Den Haag opduikt, is zijn woon- en verblijfplaats onbekend. Af en toe publiceerde hij nog wel wat werk, maar veel minder dan vroeger. De autobiografische tekst die hij in 1825 schreef bleef in elk geval onuitgegeven.

Uit dit huwelijk 4 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Johanna*1792 Osch †1858 Arnhem 65
Johanna*1790 Zaltbommel †1869 Den Haag 78


Herman ten Kate
Herman ten Kate, geb. op 4 okt 1731, ovl. op 22 nov 1800.

tr. op 1 mei 1786
met

Louise Maria van Loo, dr. van Dirk Hendrik van Loo en Maria Sophia Jacoba Doublet.

Uit dit huwelijk 3 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1789 Amsterdam †1860 Arnhem 71
Dirk*1792 Amsterdam †1828 Batavia [Indonesië] 35