Genealogische website van Cees Hagenbeek
Cornelis Sebastiaansz Kemp
Cornelis Sebastiaansz Kemp.

tr.
met

Marikjen Thomasdr Breij.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Marrigje*1650 IJsselstein †1735 IJsselstein 85


Marikjen Thomasdr Breij
Marikjen Thomasdr Breij.

tr.
met

Cornelis Sebastiaansz Kemp.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Marrigje*1650 IJsselstein †1735 IJsselstein 85


Anna Charlotta Maria Collot d'Escury
Anna Charlotta Maria barones Collot d'Escury1, ged. Rotterdam op 24 sep 1775, ovl. Utrecht op 19 feb 1851.

tr. Den Haag op 19 aug 1826
met

Dr Marinus van Thienen1, zn. van Johannes van Thienen (pasteibakker) en Anna de Bruyn, geb. Zierikzee op 10 mrt 1775, chirurgijn majoor, ovl. 's-Hertogenbosch op 2 feb 1839, tr. (1) met Johanna Cornelia Ossewaarde1, dr. van Pieter Ossewaarde (Juge de Paix, Vrederegter in 't canton van Goes) en Sara Elisabeth Petronella den Boer. Uit dit huwelijk 4 kinderen.

Bronnen:
1.Nederland’s Adelsboek (NA), Centraal Bureau voor Genealogie, ‘s-Gravenhage, vanaf 1903


Adrianus van der Jagt
Adrianus van der Jagt, geb. Dordrecht op 29 jan 1798, ged. Dordrecht op 2 feb 1798, ovl. Utrecht op 14 feb 1858,
, Adrianus van der Jagt, geb./ged. geref. Dordrecht Augustijnenk. 29-1/2-2-1798, ovl. Utrecht 14-2-1858, wordt in september 1813 benoemd tot apprentis, in november 1814 tot adelborst van de 2de klasse bij de Koninklijke Nederlandsche Marine, in mei 1823 benoemd tot Kadet bij de Koloniale Marine, als tweede luitenant ter zee aangesteld als amanuensis van de Commissie tot verbetering der Indische Zeekaarten (1823-1828), luitenant tweede klasse der Koloniale Marine (1824-1827), lid van het Genootschap van Waterloo te Batavia (1825-1827), adjudant op het algemeen departement van de Koloniale Marine (1828), ambtenaar, toegevoegd aan den hoofd-ingenieur van de Administratie van den Waterstaat en 's Lands Gebouwen te Batavia (1830), diaken van de Hervormde Gemeente te Batavia (1831), hoofdkommies op het Kantoor van den Ontvanger te Batavia (1831-1836), tweede luitenant van de 4de comp. 1ste bat. (1832-1834), en van de 3de comp. 1ste bat. (1835)  , eerste luitenant van het 1e bat. Schutterij te Batavia (1836-1837), secretaris, en ontvanger van den impost op de kollaterale successien van onchristenen bij de boedelmeesteren te Batavia (1835-1837), vermeld als Indisch ambtenaar (1835.1857), waarnemend opziener der vogelnestklippen te Karang-bollong te Bagelen (1846),ontvanger der inkomende en uitgaande regten te Soerabaija (1846-1854), ouderling van de Hervormde Gemeente te Soerabaija (1850-1851), lid van de "Commissie voor het Beheer der Begraafplaatsen voor Lijken van Europeanen en daarmede gelijk staande Personen" te Soerabaija (1853-1856) vermeld als Indisch ambtenaar (1835.1857), met verlof in 1856/57 naar Nederland om te herstellen van gezondheidsproblemen maar tijdens dit verlof overleden, woont te Batavia (1831-1837), Soerakarta (1839-1844), Bagelen (1845-1846), Soerabaja (1848-1856), tr. 1o Batavia 4-4-1829 Catharina Aletta Petronella (Dury) Spiering, geb. 's-Gravenhage 9-5-1810, ovl. Soerabaja 15-6-1847, dr. van Mr. Joan Hendrik Spiering, lid Raad van Justitie te Semarang, lid Hooggerechtshof van NOI, president Raad van Justitie te Batavia, procureur-generaal Hooggerechtshof van NOI en advocaat-fiscaal voor de land- en zeemacht, en Petronella Henriette Camille du Rij, tr. 2o Soerabaja 2-10-1852 Johanna Maria Derks, geb. Ginneken 1808/09, ovl. 's-Gravenhage 28-5-1901, is als Mevr. van der Jagt buitenregentes van het Diaconie Weeshuis te Soerabaija (1853-1854).

tr. Batavia [Indonesië] op 1 apr 1829
met

Catharina Aletta Petronella Spiering, dr. van mr. Joan (Johan Hendrik) Spiering (schout en secretaris) en Pauline Henriette Camille du Ry, geb. Den Haag op 9 mei 1810, ovl. Soerabaja op 15 jun 1847.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Pauline*1830 Batavia [Indonesië] †1911 Delft 80


Catharina Aletta Petronella Spiering
Catharina Aletta Petronella Spiering, geb. Den Haag op 9 mei 1810, ovl. Soerabaja op 15 jun 1847.

tr. Batavia [Indonesië] op 1 apr 1829
met

Adrianus van der Jagt, zn. van Pieter Willemszn van der Jagt (ontvanger der directe belastingen) en Geertruij Pieternella van Volkom, geb. Dordrecht op 29 jan 1798, ged. Dordrecht op 2 feb 1798, ovl. Utrecht op 14 feb 1858,
, Adrianus van der Jagt, geb./ged. geref. Dordrecht Augustijnenk. 29-1/2-2-1798, ovl. Utrecht 14-2-1858, wordt in september 1813 benoemd tot apprentis, in november 1814 tot adelborst van de 2de klasse bij de Koninklijke Nederlandsche Marine, in mei 1823 benoemd tot Kadet bij de Koloniale Marine, als tweede luitenant ter zee aangesteld als amanuensis van de Commissie tot verbetering der Indische Zeekaarten (1823-1828), luitenant tweede klasse der Koloniale Marine (1824-1827), lid van het Genootschap van Waterloo te Batavia (1825-1827), adjudant op het algemeen departement van de Koloniale Marine (1828), ambtenaar, toegevoegd aan den hoofd-ingenieur van de Administratie van den Waterstaat en 's Lands Gebouwen te Batavia (1830), diaken van de Hervormde Gemeente te Batavia (1831), hoofdkommies op het Kantoor van den Ontvanger te Batavia (1831-1836), tweede luitenant van de 4de comp. 1ste bat. (1832-1834), en van de 3de comp. 1ste bat. (1835)  , eerste luitenant van het 1e bat. Schutterij te Batavia (1836-1837), secretaris, en ontvanger van den impost op de kollaterale successien van onchristenen bij de boedelmeesteren te Batavia (1835-1837), vermeld als Indisch ambtenaar (1835.1857), waarnemend opziener der vogelnestklippen te Karang-bollong te Bagelen (1846),ontvanger der inkomende en uitgaande regten te Soerabaija (1846-1854), ouderling van de Hervormde Gemeente te Soerabaija (1850-1851), lid van de "Commissie voor het Beheer der Begraafplaatsen voor Lijken van Europeanen en daarmede gelijk staande Personen" te Soerabaija (1853-1856) vermeld als Indisch ambtenaar (1835.1857), met verlof in 1856/57 naar Nederland om te herstellen van gezondheidsproblemen maar tijdens dit verlof overleden, woont te Batavia (1831-1837), Soerakarta (1839-1844), Bagelen (1845-1846), Soerabaja (1848-1856), tr. 1o Batavia 4-4-1829 Catharina Aletta Petronella (Dury) Spiering, geb. 's-Gravenhage 9-5-1810, ovl. Soerabaja 15-6-1847, dr. van Mr. Joan Hendrik Spiering, lid Raad van Justitie te Semarang, lid Hooggerechtshof van NOI, president Raad van Justitie te Batavia, procureur-generaal Hooggerechtshof van NOI en advocaat-fiscaal voor de land- en zeemacht, en Petronella Henriette Camille du Rij, tr. 2o Soerabaja 2-10-1852 Johanna Maria Derks, geb. Ginneken 1808/09, ovl. 's-Gravenhage 28-5-1901, is als Mevr. van der Jagt buitenregentes van het Diaconie Weeshuis te Soerabaija (1853-1854).

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Pauline*1830 Batavia [Indonesië] †1911 Delft 80


Pieter Johan van Thienen
Pieter Johan van Thienen, geb. Groningen op 24 mei 1812.



Bronnen:
1.Nederland’s Adelsboek (NA), Centraal Bureau voor Genealogie, ‘s-Gravenhage, vanaf 1903


Marinus Johan van Thienen
Marinus Johan van Thienen, geb. 's-Hertogenbosch op 17 nov 1818, ovl. Gennep op 11 mei 1865.



Bronnen:
1.Nederland’s Adelsboek (NA), Centraal Bureau voor Genealogie, ‘s-Gravenhage, vanaf 1903


Anne Elisabeth van Thienen
Anne Elisabeth van Thienen, ged. Goes op 7 okt 1810 (getuige: Sara Elisabeth Petronella den Boer).



Bronnen:
1.Nederland’s Adelsboek (NA), Centraal Bureau voor Genealogie, ‘s-Gravenhage, vanaf 1903


Johan Hendrik Spiering
mr. Joan (Johan Hendrik) Spiering, geb. Doorn op 1 feb 1780, schout en secretaris, ovl. Batavia [Indonesië] op 6 sep 1844.

tr. Den Haag op 4 mrt 1808
met

Pauline Henriette Camille du Ry, dr. van Gérard du Ry (Luitenant-Generaal) en Agatha Hoynck van Papendrecht, geb. Den Haag op 17 okt 1786, ged. Den Haag op 26 okt 1786, ovl. Soerabaja op 12 nov 1852,
, Pauline Henriette Camille Du Ry veuve J.H.Spiering ayant perdu ses quatres enfants il ne lui restent que les ses trois petites filles van de Jagt, dont l'áinée est mariée le 1-11-1848 ŕ Sourabaja ŕ ... de Bruyn Prince.
Er is een kerkelijke attestatie opgesteld te Vlaardingen voor het echtpaar Spiering op 21-10-1815 (Oostindische bronnen blad 556) regnr VIBDNIO16310.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Catharina*1810 Den Haag †1847 Soerabaja 37



Bronnen:
1.De Nederlandsche Leeuw (NL), Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883


Pauline Henriette Camille du Ry
Pauline Henriette Camille du Ry, geb. Den Haag op 17 okt 1786, ged. Den Haag op 26 okt 1786, ovl. Soerabaja op 12 nov 1852,
, Pauline Henriette Camille Du Ry veuve J.H.Spiering ayant perdu ses quatres enfants il ne lui restent que les ses trois petites filles van de Jagt, dont l'áinée est mariée le 1-11-1848 ŕ Sourabaja ŕ ... de Bruyn Prince.
Er is een kerkelijke attestatie opgesteld te Vlaardingen voor het echtpaar Spiering op 21-10-1815 (Oostindische bronnen blad 556) regnr VIBDNIO16310.

tr. Den Haag op 4 mrt 1808
met

mr. Joan (Johan Hendrik) Spiering, zn. van Ds. Pieter (Petrus) Spiering (predikant) en Catharina Aletta Leliveld, geb. Doorn op 1 feb 1780, schout en secretaris, ovl. Batavia [Indonesië] op 6 sep 1844.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Catharina*1810 Den Haag †1847 Soerabaja 37



Bronnen:
1.Algemeen Nederlandsch Familieblad (ANF 001), van 1883 tot 1905


Gérard du Ry
Gérard du Ry1, geb. Gouda op 17 sep 1749, ged. Gouda op 21 sep 1749, Luitenant-Generaal, ovl. Voorburg op 10 okt 1819, begr. Den Haag op 15 okt 1819,
, was de zoon van Abraham du Rij de Champdoré (geb. te Leiden 4 Nov. 1696, overl. aldaar 30 Nov. 1758), rector aan de latijnsche school, eerst te Gorinchem, daarna, sinds 6 Aug. 1741, te Gouda, en van Jacomine de la Rue, geb. te Rotterdam 23 Oct. 1713, overl. te 's Gravenhage 21 Febr. 1775. De vader van Abraham, Samuel du Rij de Champdoré, geb. te Parijs en overl. te Leiden 3 Nov. 1729, was de eerste van zijn geslacht, die zich hier te lande vestigde; hij had bij zijne vrouw, Maria Savary, vijf kinderen, die allen in Leiden geboren zijn.
Gerard, de eerste van zijn geslacht, die den naam alleen van ?du Rij' heeft aangenomen, trad in Aug. 1767 in dienst als cadet bij het regiment cavalerie van Famars, ging in Jan. 1771 als zoodanig over bij het eskadron Gardes du corps van den prins van Oranje, waarbij hij in Maart 1772 sous-brigadier met rang van cornet werd. In Juli 1777 overgeplaatst als adjudant met rang van luitenant bij de Gardes Holland, werd hij sous-lieutenant met rang van 1en luitenant in Jan. 1785, en 1e luitenant met rang van ritmeester in Juli 1785. Tijdens de geschillen van de provincie Holland met den Stadhouder was hij van 27 Sept. 1786 tot 2 Oct. 1787 adjudant-generaal bij generaal van Rijssel, aan wien door de Staten van Holland het commando was opgedragen in het cordon tusschen de Maas en de Zuiderzee. Dit zal wel de reden geweest zijn, waarom hij in Dec. 1787 met honorabele demissie den dienst verliet. Hij vestigde zich daarop in Oostenrijksch Vlaanderen, waar zijne eerste vrouw Agatha Hoynck van Papendrecht, 14 Nov. 1793, te Buren (moet zijn Beveren, ten westen van Antwerpen) overleed.
Toen de Stadhouder in 1795 het land had verlaten en de Bataafsche Republiek die van de Vereenigde Provinciën had vervangen, komt du Rij zich weder aanmelden en wordt hem met den rang van kolonel het commando over het 1e regiment cavalerie opgedragen. Hij deed zich spoedig kennen als een chef, die juist in een tijd, waarin nieuwe grondslagen moesten worden gelegd, goed op zijn plaats was, kwam met klem voor de belangen zijner minderen op, en werd in eene door generaal Daendels onder dagteekening van 6 Jan. 1796 aan het Comité te lande ingediende ?Memorie wegens het opstellen der verscheidene reglementen voor de armee van den Staat' aanbevolen, om generaal van Zuylen van Nijevelt behulpzaam te zijn in de samenstelling van een exercitie-reglement voor de cavalerie. In Juni 1796 was hij ingedeeld bij de bataafsche afdeeling, die onder Daendels naar Dusseldorf trok; in 1797 was hij geëmbarkeerd bij Texel, om met Hoche eene landing in Ierland te ondernemen (die niet tot uitvoering kwam), in 1799 was hij met het bataafsche leger en het fransche hulpkorps te velde in Noord-Holland, om de Engelschen en Russen terug te drijven.
Na den 18en Juli 1803 tot generaal-majoor te zijn bevorderd, voerde hij in Dec. 1805 het bevel over een der bataafsche brigades, die deel moesten uitmaken van het noorder leger, onder den Connétable van Frankrijk, prins Lodewijk Napoleon, die zijn hoofdkwartier te Nijmegen had, doch na den vrede van Presburg dit leger ontbond. Aanvankelijk maakte hij geen deel uit van het hollandsche hulpkorps, hetwelk in 1806 voor den veldtocht tegen Pruisen en in 1807 tegen Rusland ter beschikking van Napoleon moest worden gesteld, doch in het laatst van April of begin Mei 1807 kwam hij in Polen ter aflossing van generaal Mascheck, die aldaar het bevel voerde over eene brigade bataafsche ruiterij, samengesteld uit drie eskadrons van het 2e regiment hussaren (kolonel van Heilman) en twee eskadrons van het 2e regiment kurassiers (kol. Weiskern). Die brigade bleef evenwel niet vereenigd; de hussaren werden voor Kolberg gedetacheerd, en de kurassiers ingedeeld bij het 8e legerkorps onder maarschalk Mortier, waarbij ook generaal du Rij overging. Met die beide eskadrons heeft hij roemrijk deelgenomen aan de groote cavalerie-charges in den slag bij Friedland (14 Juni), die onder aanvoering van generaal Grouchy de overwinning van dien dag voorbereidden, bij welke gelegenheid ook de hollandsche rijdende batterij van kapitein van Brienen van Oosterom bijzondere diensten bewees. In Sept. van dit jaar had maarschalk Dumonceau het hollandsche hulpkorps vereenigd in Westfalen, Hannover en Oldenburg, waarbij du Rij weder als commandant van de cavalerie optrad. Hier bleef een groot gedeelte van dit korps ook in het volgende jaar gekantonneerd onder bevel van generaal Gratien, nadat maarschalk Dumonceau in Maart 1808 naar Holland was teruggekeerd. Volgens zijn staat van dienst was du Rij ook in dit jaar bij het leger te velde in Duitschland. Lodewijk Napoleon erkende zijne bekwaamheden en zijne verdiensten door hem te benoemen tot staatsraad in buitengewonen dienst en tot commandeur in de orde van de Unie.
Tijdens de landing van de Engelschen in Zeeland in 1809 was generaal du Rij opperbevelbebber in de vesting Willemstad en commandant in het 2e militaire arrondissement. Na de inlijving van ons land bij Frankrijk werd hij in Dec. 1810 op pensioen gesteld. Hij was toen 61 jaren. Napoleon moest jongere generaals hebben, vooral bij de cavalerie. Toen evenwel in 1813 de Nederlandsche staat hersteld werd, en bij de oprichting van een nieuw leger de behoefte aan een hoofd voor het ruiterwapen zich sterk deed gevoelen, terwijl de jongere oud-hollandsche cavalerie-aanvoerders, Collaert, van Merlen, Trip, enz. nog onder de fransche standaarden dienden, vestigde de commissaris van oorlog, baron Bentinck van Buckhorst, de aandacht van den Souvereinen Vorst op den gepensionneerden generaal du Rij, ten gevolge waarvan deze bij besluit van den S.V. van 5 Jan. 1814 ?in activiteit' werd gesteld en hem de betrekking van inspecteur-generaal der cavalerie werd opgedragen. Deze betrekking is hij tot zijn dood toe blijven vervullen, en dat ook toen werd op prijs gesteld, wat hij voor de reorganisatie van de cavalerie had verricht, mag wel daaruit blijken, dat hij, ofschoon hij persoonlijk niet aan de slagen van Quatre-Bras en Waterloo had deelgenomen, bij het 2e besluit van uitgifte (8 Juli 1815) werd vereerd met het ridderkruis der 3e klasse van de Militaire Willemsorde. Vermoedelijk moest hij hierin ook eene belooning zien voor vroegere oorlogsdaden, want volgens Sabron (De Militaire Willemsorde, 106) benoemde de Koning bij dit besluit nog eenige andere ridders in de M.W.O, militairen, die aan de krijgsverrichtingen in de Zuidelijke Nederlanden geen deel namen, maar, op grond van vroeger bewezen diensten, daarvoor naar Z.M. gevoelen in aanmerking kwamen.
Du Rij is viermaal gehuwd geweest (Alg. Ned. familieblad 1883-84, No. 5), uit welke huwelijken hij evenwel slechts dochters heeft nagelaten. Zijn naam is bewaard gebleven in het geslacht du Rij van Beest Holle. (Du Ry van Beest Holle moet het zijn).
Zie over hem:
Verzamelinge van stukken rakende de zaak van den Generaal-Majoor Albert van Rijssel (1789);
Koolemans Beijnen, Krijgskundige studie over de verdediging der Bataafsche Republiek in 1799 in De Militaire Spectator 1891, 320, 358-360 en 1892, 515 (Overdruk 88, 94-96, 287);
van Sypesteyn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren ('s Grav. 1849), 94, 97, 101, 202;
De uniformen van de Nederlandsche Zee- en Landmacht ('s Grav. 1900) tekst van ten Raa, 9;
van Löben Sels, Bijdragen tot de krijgsverrichtingen van Napoleon Bonaparte II, 252, 295, 305;
Bosscha, Neerlands Heldendaden te Land, naamregister;
van Es, Museum van het korps Rijdende Artillerie (Arnhem 1898, niet in den handel) 60;
Kraijenhoff, Bijdragen tot de Vaderlandsche Geschiedenis van de belangrijke jaren 1809 en 1810 (Nijmegen 1831) 67, 88, 89, 118;
Wilbrenninck, Chronologische lijst van Heeren Officieren der Cavalerie van het Nederlandsche leger (1898, niet in den handel), Inspecteurs der cavalerie No. 1, naamlijst No.1
Koolemans Beijnen.

tr. Den Haag op 12 jul 1784
met

Agatha Hoynck van Papendrecht, dr. van Paulus Cornelis Hoynck van Papendrecht en Apollonia Henriette Pröbsting, geb. Heusden op 18 sep 1757, ovl. Beveren [België] op 14 nov 1793, begr. Hulst op 16 nov 1793,
, Overlijden - Beveren (Land van Waes)
In de kerk St. Jean Steen, in de buurt van Hulst.
zie ook brief van Camille met de aanvullingen.
Op 14-11-1793 beroofde de dood mij van mijn kostbare en tedere echtgenote A. Hoynck van Papendrecht om 4 uur in de ochtend aan de waterpokken, waar zij sinds de 1e van die maand aan leed en waarbij zij mij als weduwnaar achterliet met 4 kinderen waarvan de jongste op die dag precies één jaar werd.
Oorzaak: kreeg op 1 november de Petites Véroles (waterpokken)
Geëxtraheerd uit de grafboeken der Grote of St. Jacobskerk te Den Haag (1620-1830) bewerkt door M.G. Wildeman
Reg II het vijfde graf in een kelder.
Den 2e Juni 1793 overgeboekt op den naam van Agatha Hoynck van Papendrecht, huisvrouw van den weledel. Heer Gerard du Ry als erfgenaam van wijlen Vrouwe Maria Thomée (grootmoeders kant), eerste vrouw.
Den 31e Maart 1797 overgeboekt op den naam van den heer Gerard du Ry, Colonel en Chef van het eerste Regiment Cavalerie der Bataafse Republiek
Den 12e februari 1806 geopend voor wijlen vrouwe Johanna van Kessel, 2e huisvrouw van den heer Gerard du Ry.
Den 23e januari 1809 geopend voor eene ongedoopte dochter van de vierde huisvrouw van den Generaal du Ry.
Den 6e februari 1809 geopend vrouwe Johanna Christina Ampt, huisvrouw van Generaal G. du Ry, vierde huisvrouw.
Den 16e Juni 1810 geopend voor vrouwe Adriana Wilhelmina Maria van Kessel, geboren Rietmulder de heer Van Kessel, weduwnaar, hertrouwd met Mej. Donker Curtius, tweede huisvrouw.
Den 15e october 1819 geopend voor ZE den Luitnant Generaal G. du Ry, van Voorburg herwaarts getransporteerd.
Den 21e augustus 1827 begraven Louisa Evelina Josephina du Ry, huisvrouw van Gerard Jacobus Scheurleer, oud 26 jaar.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Pauline*1786 Den Haag †1852 Soerabaja 66



Bronnen:
1.Algemeen Nederlandsch Familieblad (ANF 001), van 1883 tot 1905


Agatha Hoynck van Papendrecht
Agatha Hoynck van Papendrecht, geb. Heusden op 18 sep 1757, ovl. Beveren [België] op 14 nov 1793, begr. Hulst op 16 nov 1793,
, Overlijden - Beveren (Land van Waes)
In de kerk St. Jean Steen, in de buurt van Hulst.
zie ook brief van Camille met de aanvullingen.
Op 14-11-1793 beroofde de dood mij van mijn kostbare en tedere echtgenote A. Hoynck van Papendrecht om 4 uur in de ochtend aan de waterpokken, waar zij sinds de 1e van die maand aan leed en waarbij zij mij als weduwnaar achterliet met 4 kinderen waarvan de jongste op die dag precies één jaar werd.
Oorzaak: kreeg op 1 november de Petites Véroles (waterpokken)
Geëxtraheerd uit de grafboeken der Grote of St. Jacobskerk te Den Haag (1620-1830) bewerkt door M.G. Wildeman
Reg II het vijfde graf in een kelder.
Den 2e Juni 1793 overgeboekt op den naam van Agatha Hoynck van Papendrecht, huisvrouw van den weledel. Heer Gerard du Ry als erfgenaam van wijlen Vrouwe Maria Thomée (grootmoeders kant), eerste vrouw.
Den 31e Maart 1797 overgeboekt op den naam van den heer Gerard du Ry, Colonel en Chef van het eerste Regiment Cavalerie der Bataafse Republiek
Den 12e februari 1806 geopend voor wijlen vrouwe Johanna van Kessel, 2e huisvrouw van den heer Gerard du Ry.
Den 23e januari 1809 geopend voor eene ongedoopte dochter van de vierde huisvrouw van den Generaal du Ry.
Den 6e februari 1809 geopend vrouwe Johanna Christina Ampt, huisvrouw van Generaal G. du Ry, vierde huisvrouw.
Den 16e Juni 1810 geopend voor vrouwe Adriana Wilhelmina Maria van Kessel, geboren Rietmulder de heer Van Kessel, weduwnaar, hertrouwd met Mej. Donker Curtius, tweede huisvrouw.
Den 15e october 1819 geopend voor ZE den Luitnant Generaal G. du Ry, van Voorburg herwaarts getransporteerd.
Den 21e augustus 1827 begraven Louisa Evelina Josephina du Ry, huisvrouw van Gerard Jacobus Scheurleer, oud 26 jaar.

tr. Den Haag op 12 jul 1784
met

Gérard du Ry1, zn. van Abraham du Ry (theoloog) en Jacobine de la Rue, geb. Gouda op 17 sep 1749, ged. Gouda op 21 sep 1749, Luitenant-Generaal, ovl. Voorburg op 10 okt 1819, begr. Den Haag op 15 okt 1819,
, was de zoon van Abraham du Rij de Champdoré (geb. te Leiden 4 Nov. 1696, overl. aldaar 30 Nov. 1758), rector aan de latijnsche school, eerst te Gorinchem, daarna, sinds 6 Aug. 1741, te Gouda, en van Jacomine de la Rue, geb. te Rotterdam 23 Oct. 1713, overl. te 's Gravenhage 21 Febr. 1775. De vader van Abraham, Samuel du Rij de Champdoré, geb. te Parijs en overl. te Leiden 3 Nov. 1729, was de eerste van zijn geslacht, die zich hier te lande vestigde; hij had bij zijne vrouw, Maria Savary, vijf kinderen, die allen in Leiden geboren zijn.
Gerard, de eerste van zijn geslacht, die den naam alleen van ?du Rij' heeft aangenomen, trad in Aug. 1767 in dienst als cadet bij het regiment cavalerie van Famars, ging in Jan. 1771 als zoodanig over bij het eskadron Gardes du corps van den prins van Oranje, waarbij hij in Maart 1772 sous-brigadier met rang van cornet werd. In Juli 1777 overgeplaatst als adjudant met rang van luitenant bij de Gardes Holland, werd hij sous-lieutenant met rang van 1en luitenant in Jan. 1785, en 1e luitenant met rang van ritmeester in Juli 1785. Tijdens de geschillen van de provincie Holland met den Stadhouder was hij van 27 Sept. 1786 tot 2 Oct. 1787 adjudant-generaal bij generaal van Rijssel, aan wien door de Staten van Holland het commando was opgedragen in het cordon tusschen de Maas en de Zuiderzee. Dit zal wel de reden geweest zijn, waarom hij in Dec. 1787 met honorabele demissie den dienst verliet. Hij vestigde zich daarop in Oostenrijksch Vlaanderen, waar zijne eerste vrouw Agatha Hoynck van Papendrecht, 14 Nov. 1793, te Buren (moet zijn Beveren, ten westen van Antwerpen) overleed.
Toen de Stadhouder in 1795 het land had verlaten en de Bataafsche Republiek die van de Vereenigde Provinciën had vervangen, komt du Rij zich weder aanmelden en wordt hem met den rang van kolonel het commando over het 1e regiment cavalerie opgedragen. Hij deed zich spoedig kennen als een chef, die juist in een tijd, waarin nieuwe grondslagen moesten worden gelegd, goed op zijn plaats was, kwam met klem voor de belangen zijner minderen op, en werd in eene door generaal Daendels onder dagteekening van 6 Jan. 1796 aan het Comité te lande ingediende ?Memorie wegens het opstellen der verscheidene reglementen voor de armee van den Staat' aanbevolen, om generaal van Zuylen van Nijevelt behulpzaam te zijn in de samenstelling van een exercitie-reglement voor de cavalerie. In Juni 1796 was hij ingedeeld bij de bataafsche afdeeling, die onder Daendels naar Dusseldorf trok; in 1797 was hij geëmbarkeerd bij Texel, om met Hoche eene landing in Ierland te ondernemen (die niet tot uitvoering kwam), in 1799 was hij met het bataafsche leger en het fransche hulpkorps te velde in Noord-Holland, om de Engelschen en Russen terug te drijven.
Na den 18en Juli 1803 tot generaal-majoor te zijn bevorderd, voerde hij in Dec. 1805 het bevel over een der bataafsche brigades, die deel moesten uitmaken van het noorder leger, onder den Connétable van Frankrijk, prins Lodewijk Napoleon, die zijn hoofdkwartier te Nijmegen had, doch na den vrede van Presburg dit leger ontbond. Aanvankelijk maakte hij geen deel uit van het hollandsche hulpkorps, hetwelk in 1806 voor den veldtocht tegen Pruisen en in 1807 tegen Rusland ter beschikking van Napoleon moest worden gesteld, doch in het laatst van April of begin Mei 1807 kwam hij in Polen ter aflossing van generaal Mascheck, die aldaar het bevel voerde over eene brigade bataafsche ruiterij, samengesteld uit drie eskadrons van het 2e regiment hussaren (kolonel van Heilman) en twee eskadrons van het 2e regiment kurassiers (kol. Weiskern). Die brigade bleef evenwel niet vereenigd; de hussaren werden voor Kolberg gedetacheerd, en de kurassiers ingedeeld bij het 8e legerkorps onder maarschalk Mortier, waarbij ook generaal du Rij overging. Met die beide eskadrons heeft hij roemrijk deelgenomen aan de groote cavalerie-charges in den slag bij Friedland (14 Juni), die onder aanvoering van generaal Grouchy de overwinning van dien dag voorbereidden, bij welke gelegenheid ook de hollandsche rijdende batterij van kapitein van Brienen van Oosterom bijzondere diensten bewees. In Sept. van dit jaar had maarschalk Dumonceau het hollandsche hulpkorps vereenigd in Westfalen, Hannover en Oldenburg, waarbij du Rij weder als commandant van de cavalerie optrad. Hier bleef een groot gedeelte van dit korps ook in het volgende jaar gekantonneerd onder bevel van generaal Gratien, nadat maarschalk Dumonceau in Maart 1808 naar Holland was teruggekeerd. Volgens zijn staat van dienst was du Rij ook in dit jaar bij het leger te velde in Duitschland. Lodewijk Napoleon erkende zijne bekwaamheden en zijne verdiensten door hem te benoemen tot staatsraad in buitengewonen dienst en tot commandeur in de orde van de Unie.
Tijdens de landing van de Engelschen in Zeeland in 1809 was generaal du Rij opperbevelbebber in de vesting Willemstad en commandant in het 2e militaire arrondissement. Na de inlijving van ons land bij Frankrijk werd hij in Dec. 1810 op pensioen gesteld. Hij was toen 61 jaren. Napoleon moest jongere generaals hebben, vooral bij de cavalerie. Toen evenwel in 1813 de Nederlandsche staat hersteld werd, en bij de oprichting van een nieuw leger de behoefte aan een hoofd voor het ruiterwapen zich sterk deed gevoelen, terwijl de jongere oud-hollandsche cavalerie-aanvoerders, Collaert, van Merlen, Trip, enz. nog onder de fransche standaarden dienden, vestigde de commissaris van oorlog, baron Bentinck van Buckhorst, de aandacht van den Souvereinen Vorst op den gepensionneerden generaal du Rij, ten gevolge waarvan deze bij besluit van den S.V. van 5 Jan. 1814 ?in activiteit' werd gesteld en hem de betrekking van inspecteur-generaal der cavalerie werd opgedragen. Deze betrekking is hij tot zijn dood toe blijven vervullen, en dat ook toen werd op prijs gesteld, wat hij voor de reorganisatie van de cavalerie had verricht, mag wel daaruit blijken, dat hij, ofschoon hij persoonlijk niet aan de slagen van Quatre-Bras en Waterloo had deelgenomen, bij het 2e besluit van uitgifte (8 Juli 1815) werd vereerd met het ridderkruis der 3e klasse van de Militaire Willemsorde. Vermoedelijk moest hij hierin ook eene belooning zien voor vroegere oorlogsdaden, want volgens Sabron (De Militaire Willemsorde, 106) benoemde de Koning bij dit besluit nog eenige andere ridders in de M.W.O, militairen, die aan de krijgsverrichtingen in de Zuidelijke Nederlanden geen deel namen, maar, op grond van vroeger bewezen diensten, daarvoor naar Z.M. gevoelen in aanmerking kwamen.
Du Rij is viermaal gehuwd geweest (Alg. Ned. familieblad 1883-84, No. 5), uit welke huwelijken hij evenwel slechts dochters heeft nagelaten. Zijn naam is bewaard gebleven in het geslacht du Rij van Beest Holle. (Du Ry van Beest Holle moet het zijn).
Zie over hem:
Verzamelinge van stukken rakende de zaak van den Generaal-Majoor Albert van Rijssel (1789);
Koolemans Beijnen, Krijgskundige studie over de verdediging der Bataafsche Republiek in 1799 in De Militaire Spectator 1891, 320, 358-360 en 1892, 515 (Overdruk 88, 94-96, 287);
van Sypesteyn, Geschiedenis van het Regiment Hollandsche Hussaren ('s Grav. 1849), 94, 97, 101, 202;
De uniformen van de Nederlandsche Zee- en Landmacht ('s Grav. 1900) tekst van ten Raa, 9;
van Löben Sels, Bijdragen tot de krijgsverrichtingen van Napoleon Bonaparte II, 252, 295, 305;
Bosscha, Neerlands Heldendaden te Land, naamregister;
van Es, Museum van het korps Rijdende Artillerie (Arnhem 1898, niet in den handel) 60;
Kraijenhoff, Bijdragen tot de Vaderlandsche Geschiedenis van de belangrijke jaren 1809 en 1810 (Nijmegen 1831) 67, 88, 89, 118;
Wilbrenninck, Chronologische lijst van Heeren Officieren der Cavalerie van het Nederlandsche leger (1898, niet in den handel), Inspecteurs der cavalerie No. 1, naamlijst No.1
Koolemans Beijnen.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Pauline*1786 Den Haag †1852 Soerabaja 66



Bronnen:
1.Algemeen Nederlandsch Familieblad (ANF 001), van 1883 tot 1905


Anthony Hoynck van Papendrecht
Anthony Hoynck van Papendrecht, geb. Heusden op 24 jan 1762, lid van Tweede Kamer der Staten generaal, ovl. Den Haag op 1 dec 1837.

tr. Den Haag op 23 okt 1785
met

Paulina Loeff Heshusius, dr. van Willem Heshusius en Maria Aartsen, geb. Renkum op 25 feb 1763, ovl. Rotterdam op 20 nov 1840.

Uit dit huwelijk 7 kinderen.


Paulina Loeff Heshusius
Paulina Loeff Heshusius, geb. Renkum op 25 feb 1763, ovl. Rotterdam op 20 nov 1840.

tr. Den Haag op 23 okt 1785
met

Anthony Hoynck van Papendrecht, geb. Heusden op 24 jan 1762, lid van Tweede Kamer der Staten generaal, ovl. Den Haag op 1 dec 1837.

Uit dit huwelijk 7 kinderen.


Willem Heshusius
Willem Heshusius, geb. Terwolde op 26 okt 1721, ovl. Arnhem op 4 apr 1782.

tr. Harderwijk op 22 sep 1745
met

Maria Aartsen, ovl. Kampen op 22 okt 1811.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Paulina*1763 Renkum †1840 Rotterdam 77


Maria Aartsen
Maria Aartsen, ovl. Kampen op 22 okt 1811.

tr. Harderwijk op 22 sep 1745
met

Willem Heshusius, zn. van Samuel Heshusius en Johanna Aletta Knaap, geb. Terwolde op 26 okt 1721, ovl. Arnhem op 4 apr 1782.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Paulina*1763 Renkum †1840 Rotterdam 77


Samuel Heshusius
Samuel Heshusius, ged. Deventer op 30 okt 1690, ovl. Epe op 2 jan 1751.

tr. Colmschate op 18 aug 1720
met

Johanna Aletta Knaap, ged. Deventer op 18 jun 1693.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Willem*1721 Terwolde †1782 Arnhem 60


Johanna Aletta Knaap
Johanna Aletta Knaap, ged. Deventer op 18 jun 1693.

tr. Colmschate op 18 aug 1720
met

Samuel Heshusius, ged. Deventer op 30 okt 1690, ovl. Epe op 2 jan 1751.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Willem*1721 Terwolde †1782 Arnhem 60


Paulus Cornelis Hoynck van Papendrecht
Paulus Cornelis Hoynck van Papendrecht, ged. Heusden op 21 dec 1732, ovl. Heusden op 6 feb 1805.

tr. Heusden op 17 apr 1758
met

Apollonia Henriette Pröbsting, dr. van Ernst Engelbert Pröbsting en Jacoba Vincentia van Dusseldorp, ged. Heusden op 23 mei 1732, ovl. Heusden op 27 feb 1806.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Agatha*1757 Heusden †1793 Beveren [België] 36


Apollonia Henriette Pröbsting
Apollonia Henriette Pröbsting, ged. Heusden op 23 mei 1732, ovl. Heusden op 27 feb 1806.

tr. Heusden op 17 apr 1758
met

Paulus Cornelis Hoynck van Papendrecht, zn. van Tieleman Franciscus Xaverius Hoynck van Papendrecht en Agatha Thomée, ged. Heusden op 21 dec 1732, ovl. Heusden op 6 feb 1805.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Agatha*1757 Heusden †1793 Beveren [België] 36