Website van Cees Hagenbeek
Jan van Duvenvoorde
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Jan van Duvenvoorde.

tr.
met

Magdalena van Foreest.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Maria*1565 Haarlem    


Magdalena van Foreest
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Magdalena van Foreest.

tr.
met

Jan van Duvenvoorde.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Maria*1565 Haarlem    


Magdalena Moons
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Magdalena Moons h, geb. Den Haag op 24 jan 1541, ovl. Utrecht op 24 jun 1613.

Magdalena Moons.
Geboren als jongste kind van Pieter (1488-1545), ontvanger generaal van de beden over Holland en diens derde vrouw Johanna van Sompeack. Onze gossip informant Dorth noemt haar concubina Baldens, maar in dit geval was dat iets, dat al vele pennen in beweging heeft gebracht en niemand minder dan Robert Fruin tot enige artikelen heeft bewogen. Vermoedelijk was zij in haar niet meer jonge jaren in Den Haag intiem bevriend, mogelijk verloofd met de Spaanse bevelhebber Don Francisco Valdes en in de XVIIe eeuw duikt al in de literatuur het door haar familie vlijtig gestimuleerde verhaal op, dat zij door haar smeekbeden Valdes heeft weten af te houden van een definitieve bestorming van het door hem belegerde Leiden, wat volgens Fruin alleen al door gebrek aan geschut aan Spaanse zijde niet kon doorgaan. Later zou zij met hem te Antwerpen zijn gehuwd en twee nog voor zijn dood overleden kinderen hebben gehad. Fruin vond echter alleeen een trouwacte aldaar op 16 augustus 1578 met zekeren Jan Cues en met verlof van de pastoor te Vilvoorde, waar het huwelijk had behoren te zijn gesloten. In 1596 en 1609 schijnt zij de vrouw te zijn geweest van de te Rijswijk (ZH) wonende jonkheer Willem de Bye Philipsz uit Hilvarenbeek en in 1609 schijnt zij volgens aantekeningen van .
Eammelman Elsevier met onzen Jorien te zijn hertrouwd. Haar vermeende reddingsactie zorgde wel voor het doen graveren door Cornelis de Visscher in 1649 van de portretten van haar en Valdes, het hare met o.a. een achtregelig latijns gedicht van Petrus Scrivarius.

Magdalena, van vaders zijde uit eene deftige Hollandsche familie, en van moeders zijde uit een adelijk Brabantsch geslacht. Haar vader was Pieter Moons, ten tijde van Karel V ontvanger-generaal van 's keizers beden over Holland en tevens keizerlijk raadsheer. Haar oudste broeder bekleedde onder Philippus II het ambt van Raadsheer in den Hove van Holland nevens meer andere waardigheden, en was een man van groot gezag en achting. Zij woonde nevens haar moeder en nog een broeder en zuster te 's Hage, gedurende het beleg van Leyden 1574, alwaar de Spaansche bevelhebber don Francisco de Valdez haar ten huwelijk verzocht. Hare familie maakte veel zwarigheden om dit verzoek toe te staan, wegens de omstandigheden des tijds, doch de jonkvrouw, omtrent dertig jaren oud, liet zich eindelijk door het aanhouden van Valdez bewegen in zijn huwelijks aanzoek te stemmen, doch de voltrekking van het huwelijk werd uitgesteld om de belemmeringen door het beleg van Leyden veroorzaakt, dat Valdez bezig hield. Toen deze bevelhebber zich langer dan hij gedacht had, door de dapperheid der Leydenaars opgehouden zag, nam hij voor de stad door een algemeenen storm te dwingen. Daags te voren verzocht hij zijne bruid, hare familie en andere aanzienlijke lieden ter maaltijd. Getroffen door hare ongewone treurigheid, vroeg hij haar er de reden van. Zij hernam dat zijn voornemen om Leyden, waarin ze vele vrienden had, te bestormen daarvan de oorzaak was, dat zij een afschuw had van bloedstorting en geweld, en dat hij, indien hij haar waarlijk beminde, moest afzien van 't bestormen eener stad, die hem toch weinige dagen later van zelve moest in handen vallen, en eindelijk dat hij nimmer hare hand zou verwerven, indien hij de stad niet verschoonde. Hij het zich door haren aandrang en tranen bewegen en zag van zijn voornemen af. Dit verhaal, dat zij namelijk Leyden zou gered hebben, door de meeste geschiedschrijvers bevestigd, werd door den hoogleeraar Tydeman voor een legende gehouden, en strijdende tegen alle gronden van uit- en inwendige kritiek.

Valdez begaf zich na het opbreken van het beleg, cerst naar Utrecht en vervolgens naar Brabant, en hield van daar met brieven aan, dat zijne bruid, daar hij niet naar Holland kon wederkeeren, mogt gebragt worden ten huize van hare gehuwde zuster te Antwerpen, waar haar huwelijk plegtig voltrokken werd.

Na het overlijden van de Valdez, in 1580 of 1581, heeft zij zich wederom naar Holland begeven, en is, na eenigen tijd weduwe geweest te zijn, weder gehuwd met Jonkheer Willem de Bye, eertijds edelman van Willem I. Ten tweeden male weduwe geworden, is zij weder in het huwelijk getreden met Jonkheer Juriaan van Lennip, een aanzienlijk Kleefsch edelman met wien zij op het huis te Werve, hem aanbestorven, en gelegen te Voorburg bij 's Hage, eenige aren heeft gewoond, en daarna met haar gemaal te Utrecht haar verblijf genomen hebbende is zij aldaar in hoogen ouderdom overleden zonder kinderen na te laten.

Els Kloek heeft nu echter aangetoond dat de twee toch daadwerkelijk getrouwd zijn geweest. In een kopie-extract van huwelijkse voorwaarden van Willem de Bye met Magdalena Moons van 23 oktober 1597 (Brabants Historisch Informatie Centrum te Den Bosch) bleek de tekst achter de naam van de bruid grondig onleesbaar te zijn gemaakt. Met behulp van de Hyperspectral Imager in het Nationaal Archief en digitale bewerking in Photoshop bleek het uiteindelijk mogelijk bijna de volledige doorgehaalde tekst te reconstrueren.

tr. (1)
met

Jorrien van Lennip, zn. van Warner van Lennep (Orfèvre, Goudsmit, Burgemeester van Nijmegen.) en Catharina van Renesse van Wulven (drostinne tot Hattem), geb. begin 1562, ovl. op 18 jan 1615, tr. (1) met Maria van Duvenvoorde, dr. van Jan van Duvenvoorde en Magdalena van Foreest. Uit dit huwelijk een zoon.

Jorrien van Lennip.
Hij zal als oudste zoon in het begin van de zestiger jaren zijn geboren en aanvankelijk evenals zijn voorouders Joris zijn genoemd. In het van zijn oom Jan van Renesse afkomstige dossier over de aan zijn moeder bij haar huwelijksvoorwaarden toegezegde 100 gulden ’s jaars (die zij in 1596 aan hem overdroeg) tekent hij zijn brieven aan dien oom steeds als Joeien van Lennip. Hij verblijft dan – na zijn huwelijk- eerst bij zijn schoonfamilie op het Huis te Warmont (1 november 1591 en 9 maart 1592, tussentijds 19 febr, 1592 te Leiden en vervolgens 14, 18, 21 mei, 10 juli en 29 aug. 1592) op het dan aan zijn vrouw toebehorende huis te Werve te Voorburg. Ambten schijnt hij aanvankelijk niet te hebben gehad. In de resolutie van de Staten Generaal van 9 juli 1602 komt hij voor als ordinaris commissaris van.
de monstering. Ook zal hij “die heere Lennep” zijn, die 15 mei 1614 door dat college.
“versocht ende geauthoriseert werd omme te coopen de cess peerden die den hertog van Lennox zijn vereert ende zijn belooft te beschicken”Hij werd overluid ten Dom 18 januari 1615. Hij was in ’s-Gravenhage overleden. In 1590 trad zekere Pieter Claesz als rentmeester van jonkheer Joriaen van Lennep, oeck responderende van de goeden van joff. Cornelia van F[o]reest, zijn huysvrouws moeye.

tr. (2) circa 1576
met

Francisco Valdez, Spaans bevelhebber, legeroverste.

Francisco Valdez.
Francisco de Valdéz was van gewone komaf. Zijn naam wordt ook als Valdés of Baldés geschreven. In 1546 diende hij Karel V in diens strijd tegen de protestanten in het Duitse Rijk en in 1550 in de expeditie tegen Tunis. Valdéz kwam in 1567 met de troepen van de hertog van Alva naar de Nederlanden en was o.a. aanwezig bij de belegeringen van Haarlem (1573) en Maastricht (1579). Hij is met name beroemd geworden als bevelhebber van de Spaanse troepen voor Leiden tijdens de twee periodes van het beleg. (november 1573-maart 1574 en mei-oktober 1574).

Het eerste beleg van Leiden moest hij opbreken, want hij diende met zijn troepen naar Mook te trekken om de invasie van de vijand tegen te houden. De slag om Mook was echter reeds gestreden voor zijn komst, zodat Valdéz er niet aan heeft deelgenomen. Tijdens de daaropvolgende muiterij van de Spaanse troepen, verloor Valdéz bijna het leven door de hand van zijn eigen soldaten. Zijn soldaten waren in deze periode slecht gekleed en hun wapens bevonden zich in zeer slechte staat. Daarna sloeg hij weer het beleg voor Leiden. Onder zijn leiding werd voor het eerst besloten een stad niet meer te nemen met bestormingen, maar door insluiting en uithongering tot overgave te dwingen. Dat is hem ook bijna gelukt en nadat de stad toch kon worden ontzet, heeft dit voor Francisco de Valdéz bij zijn eigen legerleiding niet tot problemen geleid.

Tijdens het beleg onderhield hij goede contacten met Nederlandse koningsgezinde katholieken, vooral met de katholieken die uit Leiden waren uitgeweken. Hij had daarentegen een stroeve verhouding met de stadhouder van de koning in Leiden, La Roche. Zij probeerden onafhankelijk van elkaar de stad ertoe te bewegen zich weer onder de gehoorzaamheid aan de koning te begeven, door het stellen van milde voorwaarden. Zoals Els Kloek onlangs ondubbelzinnig aantoonde, was Valdéz getrouwd met de Haagse Magdalena Moons. Om haar Leidse familieleden te beschermen zou hij haar beloofd hebben Leiden niet aan te vallen. Volgens de legende zou hij voornemens zijn geweest Leiden te laten bestormen, maar op haar voorspraak dat een dag hebben uitgesteld, net de dag waarop Leiden kon worden bevrijd door de geuzen.Dit past niet met het feit dat de Leidenaren juist niet met Valdéz wilden onderhandelen. Hij behoorde namelijk tot degenen die, in navolging van zijn oude bevelhebber Alva, met harde hand wilden optreden. Aan landvoogd Luis de Requesens stelde hij voor ook dijken te gaan doorsteken en de rest van het land in brand te zetten. Het verhaal rond Magdalena Moons is pas later ontstaan, om te verklaren waarom de stad niet was bestormd. De Spanjaarden waren dit echter nooit van plan geweest. Francisco de Valdéz is de auteur van enkele werken over militaire zaken; hoofdwerk werd vertaald in het Engels (1590) en het Italiaans (1598, 1628).

otr. (3) 's-Hertogenbosch op 23 okt 1597, tr.
met

Willem de Bie (de Bye), geb. in 1536, ovl. in 1605.

tr. (4)
met

Jan Cues. de.


Francisco Valdez
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Francisco Valdez, Spaans bevelhebber, legeroverste.

Francisco Valdez.
Francisco de Valdéz was van gewone komaf. Zijn naam wordt ook als Valdés of Baldés geschreven. In 1546 diende hij Karel V in diens strijd tegen de protestanten in het Duitse Rijk en in 1550 in de expeditie tegen Tunis. Valdéz kwam in 1567 met de troepen van de hertog van Alva naar de Nederlanden en was o.a. aanwezig bij de belegeringen van Haarlem (1573) en Maastricht (1579). Hij is met name beroemd geworden als bevelhebber van de Spaanse troepen voor Leiden tijdens de twee periodes van het beleg. (november 1573-maart 1574 en mei-oktober 1574).

Het eerste beleg van Leiden moest hij opbreken, want hij diende met zijn troepen naar Mook te trekken om de invasie van de vijand tegen te houden. De slag om Mook was echter reeds gestreden voor zijn komst, zodat Valdéz er niet aan heeft deelgenomen. Tijdens de daaropvolgende muiterij van de Spaanse troepen, verloor Valdéz bijna het leven door de hand van zijn eigen soldaten. Zijn soldaten waren in deze periode slecht gekleed en hun wapens bevonden zich in zeer slechte staat. Daarna sloeg hij weer het beleg voor Leiden. Onder zijn leiding werd voor het eerst besloten een stad niet meer te nemen met bestormingen, maar door insluiting en uithongering tot overgave te dwingen. Dat is hem ook bijna gelukt en nadat de stad toch kon worden ontzet, heeft dit voor Francisco de Valdéz bij zijn eigen legerleiding niet tot problemen geleid.

Tijdens het beleg onderhield hij goede contacten met Nederlandse koningsgezinde katholieken, vooral met de katholieken die uit Leiden waren uitgeweken. Hij had daarentegen een stroeve verhouding met de stadhouder van de koning in Leiden, La Roche. Zij probeerden onafhankelijk van elkaar de stad ertoe te bewegen zich weer onder de gehoorzaamheid aan de koning te begeven, door het stellen van milde voorwaarden. Zoals Els Kloek onlangs ondubbelzinnig aantoonde, was Valdéz getrouwd met de Haagse Magdalena Moons. Om haar Leidse familieleden te beschermen zou hij haar beloofd hebben Leiden niet aan te vallen. Volgens de legende zou hij voornemens zijn geweest Leiden te laten bestormen, maar op haar voorspraak dat een dag hebben uitgesteld, net de dag waarop Leiden kon worden bevrijd door de geuzen.Dit past niet met het feit dat de Leidenaren juist niet met Valdéz wilden onderhandelen. Hij behoorde namelijk tot degenen die, in navolging van zijn oude bevelhebber Alva, met harde hand wilden optreden. Aan landvoogd Luis de Requesens stelde hij voor ook dijken te gaan doorsteken en de rest van het land in brand te zetten. Het verhaal rond Magdalena Moons is pas later ontstaan, om te verklaren waarom de stad niet was bestormd. De Spanjaarden waren dit echter nooit van plan geweest. Francisco de Valdéz is de auteur van enkele werken over militaire zaken; hoofdwerk werd vertaald in het Engels (1590) en het Italiaans (1598, 1628).

tr. circa 1576
met

Magdalena Moons h, dr. van Pieter Willemszn Moons (Advocaat-fiscaal voor het Hof van Holland) en Johanna van Sombeecke, geb. Den Haag op 24 jan 1541, ovl. Utrecht op 24 jun 1613, tr. (1) met Jorrien van Lennip. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (3) met Willem de Bie. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (4) met Jan Cues. de. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Magdalena Moons.
Geboren als jongste kind van Pieter (1488-1545), ontvanger generaal van de beden over Holland en diens derde vrouw Johanna van Sompeack. Onze gossip informant Dorth noemt haar concubina Baldens, maar in dit geval was dat iets, dat al vele pennen in beweging heeft gebracht en niemand minder dan Robert Fruin tot enige artikelen heeft bewogen. Vermoedelijk was zij in haar niet meer jonge jaren in Den Haag intiem bevriend, mogelijk verloofd met de Spaanse bevelhebber Don Francisco Valdes en in de XVIIe eeuw duikt al in de literatuur het door haar familie vlijtig gestimuleerde verhaal op, dat zij door haar smeekbeden Valdes heeft weten af te houden van een definitieve bestorming van het door hem belegerde Leiden, wat volgens Fruin alleen al door gebrek aan geschut aan Spaanse zijde niet kon doorgaan. Later zou zij met hem te Antwerpen zijn gehuwd en twee nog voor zijn dood overleden kinderen hebben gehad. Fruin vond echter alleeen een trouwacte aldaar op 16 augustus 1578 met zekeren Jan Cues en met verlof van de pastoor te Vilvoorde, waar het huwelijk had behoren te zijn gesloten. In 1596 en 1609 schijnt zij de vrouw te zijn geweest van de te Rijswijk (ZH) wonende jonkheer Willem de Bye Philipsz uit Hilvarenbeek en in 1609 schijnt zij volgens aantekeningen van .
Eammelman Elsevier met onzen Jorien te zijn hertrouwd. Haar vermeende reddingsactie zorgde wel voor het doen graveren door Cornelis de Visscher in 1649 van de portretten van haar en Valdes, het hare met o.a. een achtregelig latijns gedicht van Petrus Scrivarius.

Magdalena, van vaders zijde uit eene deftige Hollandsche familie, en van moeders zijde uit een adelijk Brabantsch geslacht. Haar vader was Pieter Moons, ten tijde van Karel V ontvanger-generaal van 's keizers beden over Holland en tevens keizerlijk raadsheer. Haar oudste broeder bekleedde onder Philippus II het ambt van Raadsheer in den Hove van Holland nevens meer andere waardigheden, en was een man van groot gezag en achting. Zij woonde nevens haar moeder en nog een broeder en zuster te 's Hage, gedurende het beleg van Leyden 1574, alwaar de Spaansche bevelhebber don Francisco de Valdez haar ten huwelijk verzocht. Hare familie maakte veel zwarigheden om dit verzoek toe te staan, wegens de omstandigheden des tijds, doch de jonkvrouw, omtrent dertig jaren oud, liet zich eindelijk door het aanhouden van Valdez bewegen in zijn huwelijks aanzoek te stemmen, doch de voltrekking van het huwelijk werd uitgesteld om de belemmeringen door het beleg van Leyden veroorzaakt, dat Valdez bezig hield. Toen deze bevelhebber zich langer dan hij gedacht had, door de dapperheid der Leydenaars opgehouden zag, nam hij voor de stad door een algemeenen storm te dwingen. Daags te voren verzocht hij zijne bruid, hare familie en andere aanzienlijke lieden ter maaltijd. Getroffen door hare ongewone treurigheid, vroeg hij haar er de reden van. Zij hernam dat zijn voornemen om Leyden, waarin ze vele vrienden had, te bestormen daarvan de oorzaak was, dat zij een afschuw had van bloedstorting en geweld, en dat hij, indien hij haar waarlijk beminde, moest afzien van 't bestormen eener stad, die hem toch weinige dagen later van zelve moest in handen vallen, en eindelijk dat hij nimmer hare hand zou verwerven, indien hij de stad niet verschoonde. Hij het zich door haren aandrang en tranen bewegen en zag van zijn voornemen af. Dit verhaal, dat zij namelijk Leyden zou gered hebben, door de meeste geschiedschrijvers bevestigd, werd door den hoogleeraar Tydeman voor een legende gehouden, en strijdende tegen alle gronden van uit- en inwendige kritiek.

Valdez begaf zich na het opbreken van het beleg, cerst naar Utrecht en vervolgens naar Brabant, en hield van daar met brieven aan, dat zijne bruid, daar hij niet naar Holland kon wederkeeren, mogt gebragt worden ten huize van hare gehuwde zuster te Antwerpen, waar haar huwelijk plegtig voltrokken werd.

Na het overlijden van de Valdez, in 1580 of 1581, heeft zij zich wederom naar Holland begeven, en is, na eenigen tijd weduwe geweest te zijn, weder gehuwd met Jonkheer Willem de Bye, eertijds edelman van Willem I. Ten tweeden male weduwe geworden, is zij weder in het huwelijk getreden met Jonkheer Juriaan van Lennip, een aanzienlijk Kleefsch edelman met wien zij op het huis te Werve, hem aanbestorven, en gelegen te Voorburg bij 's Hage, eenige aren heeft gewoond, en daarna met haar gemaal te Utrecht haar verblijf genomen hebbende is zij aldaar in hoogen ouderdom overleden zonder kinderen na te laten.

Els Kloek heeft nu echter aangetoond dat de twee toch daadwerkelijk getrouwd zijn geweest. In een kopie-extract van huwelijkse voorwaarden van Willem de Bye met Magdalena Moons van 23 oktober 1597 (Brabants Historisch Informatie Centrum te Den Bosch) bleek de tekst achter de naam van de bruid grondig onleesbaar te zijn gemaakt. Met behulp van de Hyperspectral Imager in het Nationaal Archief en digitale bewerking in Photoshop bleek het uiteindelijk mogelijk bijna de volledige doorgehaalde tekst te reconstrueren.


Willem de Bie
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Willem de Bie (de Bye), geb. in 1536, ovl. in 1605.

otr. 's-Hertogenbosch op 23 okt 1597, tr.
met

Magdalena Moons h, dr. van Pieter Willemszn Moons (Advocaat-fiscaal voor het Hof van Holland) en Johanna van Sombeecke, geb. Den Haag op 24 jan 1541, ovl. Utrecht op 24 jun 1613, tr. (1) met Jorrien van Lennip. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (2) met Francisco Valdez. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (4) met Jan Cues. de. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Magdalena Moons.
Geboren als jongste kind van Pieter (1488-1545), ontvanger generaal van de beden over Holland en diens derde vrouw Johanna van Sompeack. Onze gossip informant Dorth noemt haar concubina Baldens, maar in dit geval was dat iets, dat al vele pennen in beweging heeft gebracht en niemand minder dan Robert Fruin tot enige artikelen heeft bewogen. Vermoedelijk was zij in haar niet meer jonge jaren in Den Haag intiem bevriend, mogelijk verloofd met de Spaanse bevelhebber Don Francisco Valdes en in de XVIIe eeuw duikt al in de literatuur het door haar familie vlijtig gestimuleerde verhaal op, dat zij door haar smeekbeden Valdes heeft weten af te houden van een definitieve bestorming van het door hem belegerde Leiden, wat volgens Fruin alleen al door gebrek aan geschut aan Spaanse zijde niet kon doorgaan. Later zou zij met hem te Antwerpen zijn gehuwd en twee nog voor zijn dood overleden kinderen hebben gehad. Fruin vond echter alleeen een trouwacte aldaar op 16 augustus 1578 met zekeren Jan Cues en met verlof van de pastoor te Vilvoorde, waar het huwelijk had behoren te zijn gesloten. In 1596 en 1609 schijnt zij de vrouw te zijn geweest van de te Rijswijk (ZH) wonende jonkheer Willem de Bye Philipsz uit Hilvarenbeek en in 1609 schijnt zij volgens aantekeningen van .
Eammelman Elsevier met onzen Jorien te zijn hertrouwd. Haar vermeende reddingsactie zorgde wel voor het doen graveren door Cornelis de Visscher in 1649 van de portretten van haar en Valdes, het hare met o.a. een achtregelig latijns gedicht van Petrus Scrivarius.

Magdalena, van vaders zijde uit eene deftige Hollandsche familie, en van moeders zijde uit een adelijk Brabantsch geslacht. Haar vader was Pieter Moons, ten tijde van Karel V ontvanger-generaal van 's keizers beden over Holland en tevens keizerlijk raadsheer. Haar oudste broeder bekleedde onder Philippus II het ambt van Raadsheer in den Hove van Holland nevens meer andere waardigheden, en was een man van groot gezag en achting. Zij woonde nevens haar moeder en nog een broeder en zuster te 's Hage, gedurende het beleg van Leyden 1574, alwaar de Spaansche bevelhebber don Francisco de Valdez haar ten huwelijk verzocht. Hare familie maakte veel zwarigheden om dit verzoek toe te staan, wegens de omstandigheden des tijds, doch de jonkvrouw, omtrent dertig jaren oud, liet zich eindelijk door het aanhouden van Valdez bewegen in zijn huwelijks aanzoek te stemmen, doch de voltrekking van het huwelijk werd uitgesteld om de belemmeringen door het beleg van Leyden veroorzaakt, dat Valdez bezig hield. Toen deze bevelhebber zich langer dan hij gedacht had, door de dapperheid der Leydenaars opgehouden zag, nam hij voor de stad door een algemeenen storm te dwingen. Daags te voren verzocht hij zijne bruid, hare familie en andere aanzienlijke lieden ter maaltijd. Getroffen door hare ongewone treurigheid, vroeg hij haar er de reden van. Zij hernam dat zijn voornemen om Leyden, waarin ze vele vrienden had, te bestormen daarvan de oorzaak was, dat zij een afschuw had van bloedstorting en geweld, en dat hij, indien hij haar waarlijk beminde, moest afzien van 't bestormen eener stad, die hem toch weinige dagen later van zelve moest in handen vallen, en eindelijk dat hij nimmer hare hand zou verwerven, indien hij de stad niet verschoonde. Hij het zich door haren aandrang en tranen bewegen en zag van zijn voornemen af. Dit verhaal, dat zij namelijk Leyden zou gered hebben, door de meeste geschiedschrijvers bevestigd, werd door den hoogleeraar Tydeman voor een legende gehouden, en strijdende tegen alle gronden van uit- en inwendige kritiek.

Valdez begaf zich na het opbreken van het beleg, cerst naar Utrecht en vervolgens naar Brabant, en hield van daar met brieven aan, dat zijne bruid, daar hij niet naar Holland kon wederkeeren, mogt gebragt worden ten huize van hare gehuwde zuster te Antwerpen, waar haar huwelijk plegtig voltrokken werd.

Na het overlijden van de Valdez, in 1580 of 1581, heeft zij zich wederom naar Holland begeven, en is, na eenigen tijd weduwe geweest te zijn, weder gehuwd met Jonkheer Willem de Bye, eertijds edelman van Willem I. Ten tweeden male weduwe geworden, is zij weder in het huwelijk getreden met Jonkheer Juriaan van Lennip, een aanzienlijk Kleefsch edelman met wien zij op het huis te Werve, hem aanbestorven, en gelegen te Voorburg bij 's Hage, eenige aren heeft gewoond, en daarna met haar gemaal te Utrecht haar verblijf genomen hebbende is zij aldaar in hoogen ouderdom overleden zonder kinderen na te laten.

Els Kloek heeft nu echter aangetoond dat de twee toch daadwerkelijk getrouwd zijn geweest. In een kopie-extract van huwelijkse voorwaarden van Willem de Bye met Magdalena Moons van 23 oktober 1597 (Brabants Historisch Informatie Centrum te Den Bosch) bleek de tekst achter de naam van de bruid grondig onleesbaar te zijn gemaakt. Met behulp van de Hyperspectral Imager in het Nationaal Archief en digitale bewerking in Photoshop bleek het uiteindelijk mogelijk bijna de volledige doorgehaalde tekst te reconstrueren.


Jan Cues. de
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Jan Cues. de.

tr.
met

Magdalena Moons h, dr. van Pieter Willemszn Moons (Advocaat-fiscaal voor het Hof van Holland) en Johanna van Sombeecke, geb. Den Haag op 24 jan 1541, ovl. Utrecht op 24 jun 1613, tr. (1) met Jorrien van Lennip. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (2) met Francisco Valdez. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (3) met Willem de Bie. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Magdalena Moons.
Geboren als jongste kind van Pieter (1488-1545), ontvanger generaal van de beden over Holland en diens derde vrouw Johanna van Sompeack. Onze gossip informant Dorth noemt haar concubina Baldens, maar in dit geval was dat iets, dat al vele pennen in beweging heeft gebracht en niemand minder dan Robert Fruin tot enige artikelen heeft bewogen. Vermoedelijk was zij in haar niet meer jonge jaren in Den Haag intiem bevriend, mogelijk verloofd met de Spaanse bevelhebber Don Francisco Valdes en in de XVIIe eeuw duikt al in de literatuur het door haar familie vlijtig gestimuleerde verhaal op, dat zij door haar smeekbeden Valdes heeft weten af te houden van een definitieve bestorming van het door hem belegerde Leiden, wat volgens Fruin alleen al door gebrek aan geschut aan Spaanse zijde niet kon doorgaan. Later zou zij met hem te Antwerpen zijn gehuwd en twee nog voor zijn dood overleden kinderen hebben gehad. Fruin vond echter alleeen een trouwacte aldaar op 16 augustus 1578 met zekeren Jan Cues en met verlof van de pastoor te Vilvoorde, waar het huwelijk had behoren te zijn gesloten. In 1596 en 1609 schijnt zij de vrouw te zijn geweest van de te Rijswijk (ZH) wonende jonkheer Willem de Bye Philipsz uit Hilvarenbeek en in 1609 schijnt zij volgens aantekeningen van .
Eammelman Elsevier met onzen Jorien te zijn hertrouwd. Haar vermeende reddingsactie zorgde wel voor het doen graveren door Cornelis de Visscher in 1649 van de portretten van haar en Valdes, het hare met o.a. een achtregelig latijns gedicht van Petrus Scrivarius.

Magdalena, van vaders zijde uit eene deftige Hollandsche familie, en van moeders zijde uit een adelijk Brabantsch geslacht. Haar vader was Pieter Moons, ten tijde van Karel V ontvanger-generaal van 's keizers beden over Holland en tevens keizerlijk raadsheer. Haar oudste broeder bekleedde onder Philippus II het ambt van Raadsheer in den Hove van Holland nevens meer andere waardigheden, en was een man van groot gezag en achting. Zij woonde nevens haar moeder en nog een broeder en zuster te 's Hage, gedurende het beleg van Leyden 1574, alwaar de Spaansche bevelhebber don Francisco de Valdez haar ten huwelijk verzocht. Hare familie maakte veel zwarigheden om dit verzoek toe te staan, wegens de omstandigheden des tijds, doch de jonkvrouw, omtrent dertig jaren oud, liet zich eindelijk door het aanhouden van Valdez bewegen in zijn huwelijks aanzoek te stemmen, doch de voltrekking van het huwelijk werd uitgesteld om de belemmeringen door het beleg van Leyden veroorzaakt, dat Valdez bezig hield. Toen deze bevelhebber zich langer dan hij gedacht had, door de dapperheid der Leydenaars opgehouden zag, nam hij voor de stad door een algemeenen storm te dwingen. Daags te voren verzocht hij zijne bruid, hare familie en andere aanzienlijke lieden ter maaltijd. Getroffen door hare ongewone treurigheid, vroeg hij haar er de reden van. Zij hernam dat zijn voornemen om Leyden, waarin ze vele vrienden had, te bestormen daarvan de oorzaak was, dat zij een afschuw had van bloedstorting en geweld, en dat hij, indien hij haar waarlijk beminde, moest afzien van 't bestormen eener stad, die hem toch weinige dagen later van zelve moest in handen vallen, en eindelijk dat hij nimmer hare hand zou verwerven, indien hij de stad niet verschoonde. Hij het zich door haren aandrang en tranen bewegen en zag van zijn voornemen af. Dit verhaal, dat zij namelijk Leyden zou gered hebben, door de meeste geschiedschrijvers bevestigd, werd door den hoogleeraar Tydeman voor een legende gehouden, en strijdende tegen alle gronden van uit- en inwendige kritiek.

Valdez begaf zich na het opbreken van het beleg, cerst naar Utrecht en vervolgens naar Brabant, en hield van daar met brieven aan, dat zijne bruid, daar hij niet naar Holland kon wederkeeren, mogt gebragt worden ten huize van hare gehuwde zuster te Antwerpen, waar haar huwelijk plegtig voltrokken werd.

Na het overlijden van de Valdez, in 1580 of 1581, heeft zij zich wederom naar Holland begeven, en is, na eenigen tijd weduwe geweest te zijn, weder gehuwd met Jonkheer Willem de Bye, eertijds edelman van Willem I. Ten tweeden male weduwe geworden, is zij weder in het huwelijk getreden met Jonkheer Juriaan van Lennip, een aanzienlijk Kleefsch edelman met wien zij op het huis te Werve, hem aanbestorven, en gelegen te Voorburg bij 's Hage, eenige aren heeft gewoond, en daarna met haar gemaal te Utrecht haar verblijf genomen hebbende is zij aldaar in hoogen ouderdom overleden zonder kinderen na te laten.

Els Kloek heeft nu echter aangetoond dat de twee toch daadwerkelijk getrouwd zijn geweest. In een kopie-extract van huwelijkse voorwaarden van Willem de Bye met Magdalena Moons van 23 oktober 1597 (Brabants Historisch Informatie Centrum te Den Bosch) bleek de tekst achter de naam van de bruid grondig onleesbaar te zijn gemaakt. Met behulp van de Hyperspectral Imager in het Nationaal Archief en digitale bewerking in Photoshop bleek het uiteindelijk mogelijk bijna de volledige doorgehaalde tekst te reconstrueren.


Warner van Lennep
 
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Warner van Lennep, geb. Arnhem circa 1530, Orfèvre, Goudsmit, Burgemeester van Nijmegen, ovl. Emmerich in 1581.


Warner van Lennep.
Behalve van de magistraat was Werner (of Warner zoals hij in de Nijmeegse bronnen meestal wordt genoemd) ook lid van de Nimeegse ridderschap. In 1564 verscheen hij op de Kleine van Bergh tezamen met zijn neef Carel van Biljoen. Zijn naam prijkt op de riddercedullen van 1576 en 1578 en “met andere ritterschappen” treedt hij 29 september 1583 de Nijmeegse raadzaal binnen. Als prerogatief voor de edelen werd – zoals hij zelf later betoogd, daarin door de Nijmeegse ridderschap bijgestaan. Het Hof Gelderland gaf hem nadat het ambt na het overlijden van Frederik van Voordt reeds vier maanden vacant was geweest een provisionele aanstelling, maar zoals het Hof op 6 augustus 1577 aan de landvoogd Don Juan te Brussel schreef “Lennep had ernstige bezwaren tegen een provisionele benoeming gehad, maar daarin toegestemd na de belofte van het Hof hem voor een definitieve aanstelling bij de landvoogd aan te bevelen. Dezelfde dag ging tevens een brief uit naar Arnold Sasbout, de president van de Secreten Raad met het verzoek om die aanstelling te willen bevorderen. Daar de landvoogd, die al zijn gezag had verloren, sedert juli van dat jaar te Namen verbleef, bereikte het schrijven hem nooit en de aanstelling kwam uit Brussel van de – opstandige - regering der Staten Generaal, wat later nog tegen hem zou worden aangevoerd. Over de uitoefening van zijn ambt valt weinig te melden. Hij legde de eed af te Nijmegen op 16 augustus 1577. Zijn rekeningen zijn slechts bewaard gebleven over de periode 1577-1582 en op 12 januari 1579 substitueerde hij burgemeester Willem van Heukelom in zijn ambt. Na de Verlatinghe van Philips II zegde hij zijn eed aan de Koning op en trad in dienst van de Staten van Gelderland, zoals Jelis Pieck heer tot Enspieck, raadsheer in het Gelderse Hof met het brengen der nieuwe commissie op 3 november 1581 aan de magistraat bericht. Toen de Nijmeegse gemeente op 16 maart 1585 de zijde van de hertog van Parma koos en de magistraat ontsloeg, werd ook van Lennep uit zijn ambt gezet. Er was al een opvolger: zijn vroegere magistraatscollega en.
vriend Mr. Johan Poein, hiervoor enkele malen als reisgenoot genoemd, die zich twee maanden later na zeven jaar afwezigheid terugmeldde met medebrenging van een al in 1580 te Maastricht verkregen commissie. Het gevolg was een rechtsstrijd voor de landvoogd, waar P. van Peteghem in 1987 een boeiend artikel aan heeft gewijd en die eindigde met de definitieve ambtsaanvaarding van Poein, uiteraard tot de reductie in 1591, die hem wederom in ballingschap bracht. Daar van Lennep bij zijn afzetting al ziek was, betekende de kwestie voor zijn feitelijke ambtsuitoefening vermoedelijk weinig, al kon hij zijn eigen memories nog opstellen, maar het persoonlijk advies van de Gelderse kanselier (president van het Hof) Van.
Griep, toegevoegd aan zijn rapport d.d. 16 september 1585 en gericht aan Jean Richardot, de belangrijkste minister en staatsraad naast Parma om van Lennep nog voor de duur van diens leven het richterstractement te laten deed een verwacht naderend einde vermoeden. Hij overleed inderdaad korte tijd nadien, op 12 februari 1586. Het overluidingsregister vermeld 3 luyden voor de richter Lennip en zo wordt hij ook aangeduid bij de “geluchten” na zijn overlijden van de H. kruisbroederschap. Zijn schepenzegel uit 1565 vertoont het gebruikelijke wapen doorsneden met de kop niet aanziend; helmt. staande leeuw t. vlucht.

otr. (1) op 24 jan 1560 huw. voorw, tr.
met

Catharina van Renesse van Wulven, drostinne tot Hattem.

 


Catharina van Renesse van Wulven.
Hij hertrouwde, met huwelijks  voorwaarden 24 januari 1560, met Catharina van Renesse, die als weduwe naar Utrecht terugkeerde en daar in elk geval op 9 februari 1615 nog verbleef248. Zij overleed echter te Woerden op 1, aangifte.
Utrecht 4 september 1626 en werd aldaar in de Buurkerk begraven249. Haar ouders waren heer Gerrit van Renesse, ridder, heer van Wulven en Wilp en Geertruid van der Ham. Hij behoorde tot de aanbieders van het smeekschrift der edelen te Brussel in 1567 en werd het jaar daarop door Alva gevangen gezet op het Utrechtse Vredenburch en op 25 augustus van dat jaar om den gelove onthoofd250. De kinderen, waaronder Warner en Catharina hadden op 8 juli tevoren bij notaris Splinter van Hamersfelt verzoekschriften te zijnen behoeve laten opstellen en daags daarop twee personen gemachtigd om zijn onschuld te betuigen. Brieven aan Jan van Renesse (1580-1598), contracten en aantekeningen betreffende ƒ 100 ’s jaars, bij huwelijksvoorwaarden door Jouffrou Marie van Renesse drostinne tot Hattem, tante van Catharina, toegezegd uit 16 m. lands in Oudt Beijerlant gelegen, welk land via tantes man Jan van Holtswiller was vererfd op Clementia van Aemstel van Mijnden, vrouw van Frans van Lynden en haar onmondig kind Anthonis. Jan van Renesse, broeder van Catharina en jurist fungeerde als raadsman voor Werner, Catharina en zoon Josrien tijdens het proces voor het Hof van Holland. Zijn dossier bleef bewaard in het kapittelarchief van St. Jan te Utrecht.
Jorrien van Lennep (18 januari 1608, 9 en 10 maart) pro se et qq zijn moeder CvR werd. Warner van Lennep, richter te Nijmegen, Antonius van Lennep, Geertruyt van Lennep en de onmondige kinderen van zaliger Steven van Lennep eisen extradictie van twee koffers en een kist met segelen, brieven en obligatien van Diderick Vygh, Heer tot Soelen, ambtman van Nederbetuwe. Na decisoiren eed door Catharina wordt Vygh 10 maart veroordeeld tot een schadevergoeding van 3991 gulden252. Over Warners goederen is het volgende bekend. Te Didam is hij op 2 dec. 1549 “marckgenoit geworden in alle drie marcken” 253 en werd hij na verzuimd op 10 aug. 1550 beleend met het goed ten Dijcke in die Fluyve254 en bij het overluiden van zijn weduwe wordt deze op 1 sept. 1626 genoemd vidua domicelli Werneri de.
Lennep255. Een deel van zijn Didams bezit stoot hij echter bij een boedelscheiding af aan zijn half neef Bernt van Voorst, die op 2 juni 1570 markgenoot werd voor ¼ van het Roelof en Warner van Lennepslag in Waverlo, ¼ van den hof tho Vinckwijck in Loel en ¼ van 2 slagen geheten Roelof, Warner, Joris van Lennep in Milstede. Mogelijk tengevolge van de oorlogstoestand bleven de bijbehorende beleningen achterwege en pas in november 1615 verwierf Otto van Voorst na overdracht door Warners zoon Jorriaan256. Rond de jaarwisseling 1570/71 verloor hij nog een proces tegen Jan van der Borch voor het gericht in de Lymers te Zevenaar257. Te Nijmegen woonde hij aanvankelijk buitendijks, “opten Werdt” zoals de stadrekening zulks naar aanleiding van hem door de bode gebrachte missiven in 1555 en 1564.
uitdrukt. Zijn huis aldaar zal de latere Lennepenkamer zijn geweest. Blijkens een stuk uit 1558 was hij belender van de Wynselingh, die in een verklaring uit 1664 genoemd wordt als belending van weerden, waarvan Jan Canis in 1614 eigenaar was en die verder begrensd werden door de Waal, “die berth” en de bandijk258. Wat hij en zijn vrouw op 19 maart 1563 verkochten staat er in Oorkondeboek 208 helaas niet bij. Tevoren op 18 september 1562 had hij van zijn halfzuster Alierora van Lynden een huis en tuin in de Holtsstraat overgenomen, vermoedelijk hetzelfde waar zijn weduwe in 1588 en 1589 woont als hij in proces ligt tegen Hans Verbolt. Zoals reeds bij zijn broeder vermeld, nam hij 6 juli 1562 van zijn halfbroeder Otto van Lynden diens rechten over op de Galens en Andelstweerden, tussen Waal en.
Kreyenwerdt resp. Frystenweerdt en Hexsenberg, blijkbaar afkomstig uit hun moeders erfenis 259. Bij zijn kinderen komt later de Galens hofstede te Overasselt ter sprake, dat aan de Maas ligt en dus weer ander bezit betreft. Ook in het Overbetuwse Oosterhout waren zijn moeder en hij gegoed. In december 1565 werd hij aangesproken door kerkmeesters en geërfden aldaar wegens een door hem aangelegd hoofd. Hij repliceerde, dat ook zijn moeder op 31 november 1553 in die zaak al was gedagvaard en verzocht remissie naar ’s Konings richter met referte.
aan land-, dijk- en waterrecht.260 Zijn kinderen lieten op 26 oktober 1598 door een.
gemachtigde het goed Ackhorst verkopen onder Dieren en Ellecom en in een acte van 4 maart 1578 werd Warner van Lennep genoemd als leenman Kon. Maj, zonder dat zulks sporen heeft nagelaten in de Gelderse leenactenboeken.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jorrien*1562  †1615  52

tr. (2) Antwerpen [België] circa 1576
met

Joncffer Berta Mom, dr. van Frederik Mom en Johanna van der Pol.

Joncffer Berta Mom.
Berta dochter van Frederik en Johanna van de Poll, en deze kinderloos zijn gestorven. Bij Fahne vind ik het huwelijk niet, wel een acte van 29 mei 1555 waarin Johan en Joncffer Bertha Mom toestemming geven tot de tocht door hun vader Frederick, drost te Boxmeer van zijn tweede vrouw Geertgen aan het Berghse leen Mommengoed, onderdeel van Klein Loel te Didam, waar hij ook de Ludenhorst bezat.


Catharina van Renesse van Wulven
 
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Catharina van Renesse van Wulven, drostinne tot Hattem.


Catharina van Renesse van Wulven.
Hij hertrouwde, met huwelijks  voorwaarden 24 januari 1560, met Catharina van Renesse, die als weduwe naar Utrecht terugkeerde en daar in elk geval op 9 februari 1615 nog verbleef248. Zij overleed echter te Woerden op 1, aangifte.
Utrecht 4 september 1626 en werd aldaar in de Buurkerk begraven249. Haar ouders waren heer Gerrit van Renesse, ridder, heer van Wulven en Wilp en Geertruid van der Ham. Hij behoorde tot de aanbieders van het smeekschrift der edelen te Brussel in 1567 en werd het jaar daarop door Alva gevangen gezet op het Utrechtse Vredenburch en op 25 augustus van dat jaar om den gelove onthoofd250. De kinderen, waaronder Warner en Catharina hadden op 8 juli tevoren bij notaris Splinter van Hamersfelt verzoekschriften te zijnen behoeve laten opstellen en daags daarop twee personen gemachtigd om zijn onschuld te betuigen. Brieven aan Jan van Renesse (1580-1598), contracten en aantekeningen betreffende ƒ 100 ’s jaars, bij huwelijksvoorwaarden door Jouffrou Marie van Renesse drostinne tot Hattem, tante van Catharina, toegezegd uit 16 m. lands in Oudt Beijerlant gelegen, welk land via tantes man Jan van Holtswiller was vererfd op Clementia van Aemstel van Mijnden, vrouw van Frans van Lynden en haar onmondig kind Anthonis. Jan van Renesse, broeder van Catharina en jurist fungeerde als raadsman voor Werner, Catharina en zoon Josrien tijdens het proces voor het Hof van Holland. Zijn dossier bleef bewaard in het kapittelarchief van St. Jan te Utrecht.
Jorrien van Lennep (18 januari 1608, 9 en 10 maart) pro se et qq zijn moeder CvR werd. Warner van Lennep, richter te Nijmegen, Antonius van Lennep, Geertruyt van Lennep en de onmondige kinderen van zaliger Steven van Lennep eisen extradictie van twee koffers en een kist met segelen, brieven en obligatien van Diderick Vygh, Heer tot Soelen, ambtman van Nederbetuwe. Na decisoiren eed door Catharina wordt Vygh 10 maart veroordeeld tot een schadevergoeding van 3991 gulden252. Over Warners goederen is het volgende bekend. Te Didam is hij op 2 dec. 1549 “marckgenoit geworden in alle drie marcken” 253 en werd hij na verzuimd op 10 aug. 1550 beleend met het goed ten Dijcke in die Fluyve254 en bij het overluiden van zijn weduwe wordt deze op 1 sept. 1626 genoemd vidua domicelli Werneri de.
Lennep255. Een deel van zijn Didams bezit stoot hij echter bij een boedelscheiding af aan zijn half neef Bernt van Voorst, die op 2 juni 1570 markgenoot werd voor ¼ van het Roelof en Warner van Lennepslag in Waverlo, ¼ van den hof tho Vinckwijck in Loel en ¼ van 2 slagen geheten Roelof, Warner, Joris van Lennep in Milstede. Mogelijk tengevolge van de oorlogstoestand bleven de bijbehorende beleningen achterwege en pas in november 1615 verwierf Otto van Voorst na overdracht door Warners zoon Jorriaan256. Rond de jaarwisseling 1570/71 verloor hij nog een proces tegen Jan van der Borch voor het gericht in de Lymers te Zevenaar257. Te Nijmegen woonde hij aanvankelijk buitendijks, “opten Werdt” zoals de stadrekening zulks naar aanleiding van hem door de bode gebrachte missiven in 1555 en 1564.
uitdrukt. Zijn huis aldaar zal de latere Lennepenkamer zijn geweest. Blijkens een stuk uit 1558 was hij belender van de Wynselingh, die in een verklaring uit 1664 genoemd wordt als belending van weerden, waarvan Jan Canis in 1614 eigenaar was en die verder begrensd werden door de Waal, “die berth” en de bandijk258. Wat hij en zijn vrouw op 19 maart 1563 verkochten staat er in Oorkondeboek 208 helaas niet bij. Tevoren op 18 september 1562 had hij van zijn halfzuster Alierora van Lynden een huis en tuin in de Holtsstraat overgenomen, vermoedelijk hetzelfde waar zijn weduwe in 1588 en 1589 woont als hij in proces ligt tegen Hans Verbolt. Zoals reeds bij zijn broeder vermeld, nam hij 6 juli 1562 van zijn halfbroeder Otto van Lynden diens rechten over op de Galens en Andelstweerden, tussen Waal en.
Kreyenwerdt resp. Frystenweerdt en Hexsenberg, blijkbaar afkomstig uit hun moeders erfenis 259. Bij zijn kinderen komt later de Galens hofstede te Overasselt ter sprake, dat aan de Maas ligt en dus weer ander bezit betreft. Ook in het Overbetuwse Oosterhout waren zijn moeder en hij gegoed. In december 1565 werd hij aangesproken door kerkmeesters en geërfden aldaar wegens een door hem aangelegd hoofd. Hij repliceerde, dat ook zijn moeder op 31 november 1553 in die zaak al was gedagvaard en verzocht remissie naar ’s Konings richter met referte.
aan land-, dijk- en waterrecht.260 Zijn kinderen lieten op 26 oktober 1598 door een.
gemachtigde het goed Ackhorst verkopen onder Dieren en Ellecom en in een acte van 4 maart 1578 werd Warner van Lennep genoemd als leenman Kon. Maj, zonder dat zulks sporen heeft nagelaten in de Gelderse leenactenboeken.

otr. op 24 jan 1560 huw. voorw, tr.
met

Warner van Lennep, zn. van Joris Roelofsz van Lennep en NN van Horstlo, geb. Arnhem circa 1530, Orfèvre, Goudsmit, Burgemeester van Nijmegen, ovl. Emmerich in 1581, tr. (2) met Joncffer Berta Mom. Uit dit huwelijk geen kinderen.

 


Warner van Lennep.
Behalve van de magistraat was Werner (of Warner zoals hij in de Nijmeegse bronnen meestal wordt genoemd) ook lid van de Nimeegse ridderschap. In 1564 verscheen hij op de Kleine van Bergh tezamen met zijn neef Carel van Biljoen. Zijn naam prijkt op de riddercedullen van 1576 en 1578 en “met andere ritterschappen” treedt hij 29 september 1583 de Nijmeegse raadzaal binnen. Als prerogatief voor de edelen werd – zoals hij zelf later betoogd, daarin door de Nijmeegse ridderschap bijgestaan. Het Hof Gelderland gaf hem nadat het ambt na het overlijden van Frederik van Voordt reeds vier maanden vacant was geweest een provisionele aanstelling, maar zoals het Hof op 6 augustus 1577 aan de landvoogd Don Juan te Brussel schreef “Lennep had ernstige bezwaren tegen een provisionele benoeming gehad, maar daarin toegestemd na de belofte van het Hof hem voor een definitieve aanstelling bij de landvoogd aan te bevelen. Dezelfde dag ging tevens een brief uit naar Arnold Sasbout, de president van de Secreten Raad met het verzoek om die aanstelling te willen bevorderen. Daar de landvoogd, die al zijn gezag had verloren, sedert juli van dat jaar te Namen verbleef, bereikte het schrijven hem nooit en de aanstelling kwam uit Brussel van de – opstandige - regering der Staten Generaal, wat later nog tegen hem zou worden aangevoerd. Over de uitoefening van zijn ambt valt weinig te melden. Hij legde de eed af te Nijmegen op 16 augustus 1577. Zijn rekeningen zijn slechts bewaard gebleven over de periode 1577-1582 en op 12 januari 1579 substitueerde hij burgemeester Willem van Heukelom in zijn ambt. Na de Verlatinghe van Philips II zegde hij zijn eed aan de Koning op en trad in dienst van de Staten van Gelderland, zoals Jelis Pieck heer tot Enspieck, raadsheer in het Gelderse Hof met het brengen der nieuwe commissie op 3 november 1581 aan de magistraat bericht. Toen de Nijmeegse gemeente op 16 maart 1585 de zijde van de hertog van Parma koos en de magistraat ontsloeg, werd ook van Lennep uit zijn ambt gezet. Er was al een opvolger: zijn vroegere magistraatscollega en.
vriend Mr. Johan Poein, hiervoor enkele malen als reisgenoot genoemd, die zich twee maanden later na zeven jaar afwezigheid terugmeldde met medebrenging van een al in 1580 te Maastricht verkregen commissie. Het gevolg was een rechtsstrijd voor de landvoogd, waar P. van Peteghem in 1987 een boeiend artikel aan heeft gewijd en die eindigde met de definitieve ambtsaanvaarding van Poein, uiteraard tot de reductie in 1591, die hem wederom in ballingschap bracht. Daar van Lennep bij zijn afzetting al ziek was, betekende de kwestie voor zijn feitelijke ambtsuitoefening vermoedelijk weinig, al kon hij zijn eigen memories nog opstellen, maar het persoonlijk advies van de Gelderse kanselier (president van het Hof) Van.
Griep, toegevoegd aan zijn rapport d.d. 16 september 1585 en gericht aan Jean Richardot, de belangrijkste minister en staatsraad naast Parma om van Lennep nog voor de duur van diens leven het richterstractement te laten deed een verwacht naderend einde vermoeden. Hij overleed inderdaad korte tijd nadien, op 12 februari 1586. Het overluidingsregister vermeld 3 luyden voor de richter Lennip en zo wordt hij ook aangeduid bij de “geluchten” na zijn overlijden van de H. kruisbroederschap. Zijn schepenzegel uit 1565 vertoont het gebruikelijke wapen doorsneden met de kop niet aanziend; helmt. staande leeuw t. vlucht.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jorrien*1562  †1615  52


Berta Mom
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Joncffer Berta Mom.

Joncffer Berta Mom.
Berta dochter van Frederik en Johanna van de Poll, en deze kinderloos zijn gestorven. Bij Fahne vind ik het huwelijk niet, wel een acte van 29 mei 1555 waarin Johan en Joncffer Bertha Mom toestemming geven tot de tocht door hun vader Frederick, drost te Boxmeer van zijn tweede vrouw Geertgen aan het Berghse leen Mommengoed, onderdeel van Klein Loel te Didam, waar hij ook de Ludenhorst bezat.

tr. Antwerpen [België] circa 1576
met

Warner van Lennep, zn. van Joris Roelofsz van Lennep en NN van Horstlo, geb. Arnhem circa 1530, Orfèvre, Goudsmit, Burgemeester van Nijmegen, ovl. Emmerich in 1581, tr. (1) met Catharina van Renesse van Wulven. Uit dit huwelijk een zoon.

 


Warner van Lennep.
Behalve van de magistraat was Werner (of Warner zoals hij in de Nijmeegse bronnen meestal wordt genoemd) ook lid van de Nimeegse ridderschap. In 1564 verscheen hij op de Kleine van Bergh tezamen met zijn neef Carel van Biljoen. Zijn naam prijkt op de riddercedullen van 1576 en 1578 en “met andere ritterschappen” treedt hij 29 september 1583 de Nijmeegse raadzaal binnen. Als prerogatief voor de edelen werd – zoals hij zelf later betoogd, daarin door de Nijmeegse ridderschap bijgestaan. Het Hof Gelderland gaf hem nadat het ambt na het overlijden van Frederik van Voordt reeds vier maanden vacant was geweest een provisionele aanstelling, maar zoals het Hof op 6 augustus 1577 aan de landvoogd Don Juan te Brussel schreef “Lennep had ernstige bezwaren tegen een provisionele benoeming gehad, maar daarin toegestemd na de belofte van het Hof hem voor een definitieve aanstelling bij de landvoogd aan te bevelen. Dezelfde dag ging tevens een brief uit naar Arnold Sasbout, de president van de Secreten Raad met het verzoek om die aanstelling te willen bevorderen. Daar de landvoogd, die al zijn gezag had verloren, sedert juli van dat jaar te Namen verbleef, bereikte het schrijven hem nooit en de aanstelling kwam uit Brussel van de – opstandige - regering der Staten Generaal, wat later nog tegen hem zou worden aangevoerd. Over de uitoefening van zijn ambt valt weinig te melden. Hij legde de eed af te Nijmegen op 16 augustus 1577. Zijn rekeningen zijn slechts bewaard gebleven over de periode 1577-1582 en op 12 januari 1579 substitueerde hij burgemeester Willem van Heukelom in zijn ambt. Na de Verlatinghe van Philips II zegde hij zijn eed aan de Koning op en trad in dienst van de Staten van Gelderland, zoals Jelis Pieck heer tot Enspieck, raadsheer in het Gelderse Hof met het brengen der nieuwe commissie op 3 november 1581 aan de magistraat bericht. Toen de Nijmeegse gemeente op 16 maart 1585 de zijde van de hertog van Parma koos en de magistraat ontsloeg, werd ook van Lennep uit zijn ambt gezet. Er was al een opvolger: zijn vroegere magistraatscollega en.
vriend Mr. Johan Poein, hiervoor enkele malen als reisgenoot genoemd, die zich twee maanden later na zeven jaar afwezigheid terugmeldde met medebrenging van een al in 1580 te Maastricht verkregen commissie. Het gevolg was een rechtsstrijd voor de landvoogd, waar P. van Peteghem in 1987 een boeiend artikel aan heeft gewijd en die eindigde met de definitieve ambtsaanvaarding van Poein, uiteraard tot de reductie in 1591, die hem wederom in ballingschap bracht. Daar van Lennep bij zijn afzetting al ziek was, betekende de kwestie voor zijn feitelijke ambtsuitoefening vermoedelijk weinig, al kon hij zijn eigen memories nog opstellen, maar het persoonlijk advies van de Gelderse kanselier (president van het Hof) Van.
Griep, toegevoegd aan zijn rapport d.d. 16 september 1585 en gericht aan Jean Richardot, de belangrijkste minister en staatsraad naast Parma om van Lennep nog voor de duur van diens leven het richterstractement te laten deed een verwacht naderend einde vermoeden. Hij overleed inderdaad korte tijd nadien, op 12 februari 1586. Het overluidingsregister vermeld 3 luyden voor de richter Lennip en zo wordt hij ook aangeduid bij de “geluchten” na zijn overlijden van de H. kruisbroederschap. Zijn schepenzegel uit 1565 vertoont het gebruikelijke wapen doorsneden met de kop niet aanziend; helmt. staande leeuw t. vlucht.

Vader van der Horst
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Vader van der Horst.


Hij krijgt 2 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
NN     
Jacob     


Jacob van der Horst
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Jacob van der Horst.


Roelof Roelofs
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Roelof Roelofs1, geb. circa 1657.

tr. Vlagtwedde op 16 apr 1686
met

Antje (Ancke) Harms1.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Roelef Sellingen    



Bronnen:
1.Hans Homan Free, http://homanfree.nl/, 4 jul 2023 (A 013)

Antje Harms
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Antje (Ancke) Harms1.

tr. Vlagtwedde op 16 apr 1686
met

Roelof Roelofs1, geb. circa 1657.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Roelef Sellingen    



Bronnen:
1.Hans Homan Free, http://homanfree.nl/, 4 jul 2023 (A 013)

Pieter Geerts
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Pieter Geerts1, geb. Meeden.

tr. Meeden op 17 okt 1669
met

Jantjen Foppens1, geb. Eexta.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Frouwe~1671 Meeden    



Bronnen:
1.Hans Homan Free, http://homanfree.nl/, 4 jul 2023 (A 013)

Jantjen Foppens
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Jantjen Foppens1, geb. Eexta.

tr. Meeden op 17 okt 1669
met

Pieter Geerts1, geb. Meeden.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Frouwe~1671 Meeden    



Bronnen:
1.Hans Homan Free, http://homanfree.nl/, 4 jul 2023 (A 013)

Wessel Wessels
Wessel Wessels.

tr.
met

Trijntje Jans.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jantje     


Trijntje Jans
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Trijntje Jans.

tr.
met

Wessel Wessels.

Uit dit huwelijk een dochter:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jantje     


Albert van Steenwijck
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Albert van Steenwijck1, geb. Coevorden circa 1420, ovl. in 1486.

Albert van Steenwijck.
Op 22-10-1456 komt hij voor als hulder van zijn vrouw bij de belening met het goed Geerding. .
Op 6 maart 1482 beleent de bissehop hem uit zonderlinge gunst met het kerkerecht van Emmen, Odoorn en Schonebeke, een vijfmarksleen.  .
Albert van Steenwijck verklaart verkocht te hebben aan Roloff van Echten het vierendeel van Lubbynghe, gelegen in het kerspel Suydwolden, waarvan Roloff het andere deel heeft. Hiervan wordt de stok gelegd. Bezegeld door de oorkonder. Origineel, met licht beschadigde zegel. .
Hij moet overleden zijn in 1485, daar dan zijn zoon Johan met de kerkerechten wordt beleend. .
Johanna van Zeelwerden wordt beleend met Gerdinch, Tyatinc, Albertinch, die gheleghen sün in der buerscap to Gheesteren in den kerspel van Oetmersem op 17-5-1450 na de dood van haar vader Henric van Zeelwerden. Hulder is Johan van der Lair. .
Op 22-10-1456 wordt de belening nogmaals bevestigd. Hulder is dan haar man Albert van Steenwijck.  Op 12-8-1485 en 12-7-1497 nogmaals. Dan is de hulder haar zoon Johan.  Op 18-1-1518 nogmaals, maar dan is de hulder haar zoon Aerndt van Steenwijck. Op 30-1-1525 wordt Henrick van Steenwijck beleend na de dood van zijn moeder Johanna, dochter van Henrick van Seelweerdt.

tr. in 1456
met

Johanna van Selwert1, dr. van Hindrik van Selwert en Mechtelt van den Buggenberge, geb. Hardenberg circa 1435, Erfdochter, ovl. in 1524.

Johanna van Selwert.
haar huwelijksjaar is niet bekend door huwelijkse voorwaarden, doch door het feit,.
dat bij de belening met haar goederen i n 1454 een Johan van Laer als huider optrad (hetgeen er op wijst, dat zij toen ongehuwd was), terwijl zij 22 oktober 1456 werd herbeleend met dezelfde goederen, doch nu onder hulderschap van haar man, aan wie zij de lijftocht schonk.

Via haar leenbezit valt nog op te maken, dat zij in 1492 hertrouwde (duidelijk beneden haar stand) met Johan Santinge. Aan hem schonk zij 12 november 1492.
namelijk de lijftocht van Groot Buggenberg, nadat haar zoon uit het eerste huwelijk Johan van Steenwijkhaar per 3 september 1492 al was opgevolgd in het leenbezit.
van Meinoldinck onder Hardenberg en een groot aantal tienden in Itterbeke onder Ülsen in Bentheim, waarbij eveneens Johan Santinge haar momber was.
Zi j werd 12 juli 1497 met al haar lenen herbeleend.
In 1518 werd het leenbezit gesplitst: 18 januari werd zij herbeleend met de bisschoppelijke lenen (onder hulderschap van haar zoon Arend van Steenwijk; haar.
tweede man was toen dus dood), terwijl 23 april 1518 voor zoon Arend afgesplitst werden de erven Nijehoff, Clausing en Gerning in Wilsum onder Ülsen. Uit de.
familiale allodia beleenden haar zoon Johan, zijzelf en haar tweede echtgenoot 24 augustus 1514 het convent van Sipculo met een aantal tienden onder Hardenberg.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Mechtelt*1460 Hardenberg    



Bronnen:
1.De Nederlandsche Leeuw, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883 (NL)

Johanna van Selwert
in
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Mechelien Mezach

Johanna van Selwert1, geb. Hardenberg circa 1435, Erfdochter, ovl. in 1524.

Johanna van Selwert.
haar huwelijksjaar is niet bekend door huwelijkse voorwaarden, doch door het feit,.
dat bij de belening met haar goederen i n 1454 een Johan van Laer als huider optrad (hetgeen er op wijst, dat zij toen ongehuwd was), terwijl zij 22 oktober 1456 werd herbeleend met dezelfde goederen, doch nu onder hulderschap van haar man, aan wie zij de lijftocht schonk.

Via haar leenbezit valt nog op te maken, dat zij in 1492 hertrouwde (duidelijk beneden haar stand) met Johan Santinge. Aan hem schonk zij 12 november 1492.
namelijk de lijftocht van Groot Buggenberg, nadat haar zoon uit het eerste huwelijk Johan van Steenwijkhaar per 3 september 1492 al was opgevolgd in het leenbezit.
van Meinoldinck onder Hardenberg en een groot aantal tienden in Itterbeke onder Ülsen in Bentheim, waarbij eveneens Johan Santinge haar momber was.
Zi j werd 12 juli 1497 met al haar lenen herbeleend.
In 1518 werd het leenbezit gesplitst: 18 januari werd zij herbeleend met de bisschoppelijke lenen (onder hulderschap van haar zoon Arend van Steenwijk; haar.
tweede man was toen dus dood), terwijl 23 april 1518 voor zoon Arend afgesplitst werden de erven Nijehoff, Clausing en Gerning in Wilsum onder Ülsen. Uit de.
familiale allodia beleenden haar zoon Johan, zijzelf en haar tweede echtgenoot 24 augustus 1514 het convent van Sipculo met een aantal tienden onder Hardenberg.

tr. in 1456
met

Albert van Steenwijck1, zn. van Arent van Steenwijck en Femme van Ansen, geb. Coevorden circa 1420, ovl. in 1486.

Albert van Steenwijck.
Op 22-10-1456 komt hij voor als hulder van zijn vrouw bij de belening met het goed Geerding. .
Op 6 maart 1482 beleent de bissehop hem uit zonderlinge gunst met het kerkerecht van Emmen, Odoorn en Schonebeke, een vijfmarksleen.  .
Albert van Steenwijck verklaart verkocht te hebben aan Roloff van Echten het vierendeel van Lubbynghe, gelegen in het kerspel Suydwolden, waarvan Roloff het andere deel heeft. Hiervan wordt de stok gelegd. Bezegeld door de oorkonder. Origineel, met licht beschadigde zegel. .
Hij moet overleden zijn in 1485, daar dan zijn zoon Johan met de kerkerechten wordt beleend. .
Johanna van Zeelwerden wordt beleend met Gerdinch, Tyatinc, Albertinch, die gheleghen sün in der buerscap to Gheesteren in den kerspel van Oetmersem op 17-5-1450 na de dood van haar vader Henric van Zeelwerden. Hulder is Johan van der Lair. .
Op 22-10-1456 wordt de belening nogmaals bevestigd. Hulder is dan haar man Albert van Steenwijck.  Op 12-8-1485 en 12-7-1497 nogmaals. Dan is de hulder haar zoon Johan.  Op 18-1-1518 nogmaals, maar dan is de hulder haar zoon Aerndt van Steenwijck. Op 30-1-1525 wordt Henrick van Steenwijck beleend na de dood van zijn moeder Johanna, dochter van Henrick van Seelweerdt.

Uit dit huwelijk 5 kinderen, waaronder:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Mechtelt*1460 Hardenberg    



Bronnen:
1.De Nederlandsche Leeuw, Periodiek, Kon. Ned. Gen. voor Geslacht- en Wapenkunde, ‘s-Gravenhage, vanaf 1883 (NL)

Arent van Steenwijck
in
Kwartierstaat van Anneke Romeijn
Kwartierstaat van Ans Karstens
Kwartierstaat van Anthonie Heynsius
Kwartierstaat van Cees Boer
Kwartierstaat van Dinah Begeer
Kwartierstaat van Han Bekke.
Kwartierstaat van Hans van der Wind
Kwartierstaat van Henk de Snoo
Kwartierstaat van Mechelien Mezach
Kwartierstaat van Olga Broersma

Arent van Steenwijck, geb. circa 1360, ovl. na 1431.

Arent van Steenwijck.
In 1387 wordt hij vermeld als broer van Johan van Steenwijck en neef van Johan de Vos van Steenwijck en diens zoon Coenraad. .
Na de dood van zijn vader in 1387 wordt hij beleend met de Norgse goederen. "Het zijn de goederen, die heer Hendrik van Norch van het sticht te houden placht".
Hij behoort tot de schildboortige mannen", die op 5 2 1408 moeten getuigen in het proces van Mensinge te Roden. .
Met zijn neven Coenraad en Reinolt de Vos behoort hij tot de Vetkoopers die op zon.
dag na L.Vr. Exaltatio 1415 Groningen veroveren op de Schieringers. Ze waren uit deze stad verbannen en naar Emden uitgeweken, toen de Schieringers op 23 okt. 1413 deze stad in hun macht brachten brachten.
Op 7 augustus 1425 zegelt hij met anderen namens de Ridderschap van Drenthe het verbond met Salland, Twenthe en Vollenhove tot steun aan de postulaat Rudolf van Diepbolt.
Wederom treedt hij op voor de Ridderschap van Dre nthe als op 6 okt. 1426 ook het.
Nedersticht zich met het Oversticht ten dezen verbindt en de tegencandidaat, Sweder van Culemborch als bisschop ontzegt.
In 1428 en 1431 komen we hem nog tegen als leenheer.
van en getuige voor Hen drik de Vos van Steenwijck, zijn neef. .
Hij wordt op 29-4-1394 beleend met diverse goederen te Norg.

tr. circa 1406
met

Femme van Ansen, dr. van Cyse van Ansen en Beatrix .

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Albert*1420 Coevorden †1486  66