Genealogische website van Cees Hagenbeek
Vrouwe Godilt van Bleyswyck
Vrouwe Godilt van Bleyswyck,
, Mogelijk is zij een dochter van Gijsbrecht van Bokel, leenman van de Heerlijkheid Bleiswijk. Volgens het principe van Naam en Heerlijkheid is hij immers de enige die zich Van Bleyswyck mag noemen. Het geslacht Bokel stamt af van Jacob van Wassenaar.

tr.
met

Bartholomeus I of II van Wassenaer van Cranenburgh, zn. van Dirk I van Wassenaer en Bertha Arentsdr van Rijswijk, geb. Voorschoten circa 1228, domproost te Utrecht in 1280,
, in 1922 citeert Jhr Mr W.A. Beelaerts van Blokland in bron BNL 'Batavia Illustrata' (Van Leeuwen, p 1294):
Bartholomeus hadde getrout N. van Bleyswijk, na welkers dood hij wierde Domproost van Utrecht, nalatende bij sijn Vrouwe voornoemt Engelbert, Heere van Cranenburch. Ridder, vermeld in den jare 1305 en 1308 ..
Volgens Beelaerts is Bartholomeus geen domproost geweest en ook niet stamvader van het geslacht Cranenburch. J.W.F. baron van Wassenaar spreekt dit tegen en schrijft in bron JVW:
Minder juist lijkt het mij om te stellen, dat Beelaerts zou hebben bewezen, dat Bartholomeus niet de stamvader van het geslacht Cranenburch kan zijn. Verder meldt de baron dat Bartholomeus wordt genoemd in 1281 als Utrechts domkanunnik (O.B. Utr. nr. 2043). Verderop laat hij echter Bartholomeus de vader zijn van Jacob van Roosenburch. Bron 1380 (oudste) stelt daarentegen heel duidelijk dat het geslacht Van Roosenburch voortkomt uit Jacob van Wassenaar, zoon van Dirc van Wassenaar en dat het geslacht Van Cranenburch is voortgekomen uit Bartholomeus van Wassenaar, een andere zoon van Dirc van Wassenaar. Bron 1380 is een betrouwbare bron en staat het dichtst bij de oorsprong. De Hoge Raad van Adel gaat ook uit van deze afstamming. Bron RIH (p 281) bevestigt eveneens de afstamming en laat verder zien dat het geslacht Kranenburg voortkomt uit Bartholomeus van Wassenaar. Deze bron is een gedegen wetenschappelijke studie. We mogen derhalve aannemen dat Bartholomeus van Wassenaar inderdaad de oervader is van de Kranenburgs stammend uit Zuid-Holland. In Utrecht stond aan de Oudegracht 158 (locatie Vlaer & Kol) een pand met de naam Cranenborch. Dit pand dateert uit de Middeleeuwen en moet gezien de stijl in de vroege Gotiek zijn gebouwd. Dus ergens in de periode 1260-1400. Gezien het verblijf van Bartholomeus in Utrecht sinds 1280 rijst de vraag of dit pand mogelijk door hem is gebouwd. De extreem hoge en spits toelopende ramen (zgn spitsboogvenster) zijn erg apart voor een woonpand, zeker ook in de Gotiek. Het pand krijgt daardoor meer het aanzien van een kerk, waar de spitsboogvensters normaliter alleen werden toegepast. Andere soorten panden, w.o. woningen hebben in de Gotiek normaliter rechte of iets gebogen ramen. E.e.a. doet vermoeden dat Huis Cranenborch door een zeer kerkelijk ingesteld persoon moet zijn gebouwd. Als domproost komt Bartholomeus van Wassenaar derhalve zeker in aanmerking om de bouwheer te zijn van Huis Cranenborch. Wapen: op blauw vier dwarsbalken in goud, een rood andrieskruis over het geheel.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Engelbert I*1255 Bleiswijk †1320  65


Everardus van Cranenburgh
Everardus van Cranenburgh.


Dirck van Cranenburgh
Dirck ridder van Cranenburgh, geb. circa 1295, ovl. circa 1355,
, woont in Eikenduinen. Bezegelt met zijn broer Willem e.a. het verdrag van Heer Willem van Oudshoorne, Aarlanderveen en Rijnenburg met diens broer Dirck van Oudshoorn, Knaepe, Victorsdag 1330. Bron RHH schrijft in 1317 voor de regio Eikenduinen (Cnoepstoc?). Item ontfaen van den renten van den dunen bi Dirc den jagher ende Heyne den coster 11 £ 2 sc.
Dit moeten wel zijn Dirck van Cranenburg en zijn oom Hein van Kranenburg. In die tijd wonen er meer Van Cranenburgs~ in Eikenduinen en wel specifiek Up de Gheest, de geestgronden ofwel duinwallen van Eikenduinen. Naar de huurprijzen in die tijd in Eikenduinen moet het een enorm groot gebied zijn. Ruw geschat circa 82 Morgen, ofwel 73.8 Ha. Gezien het feit dat Dirck jager is en het feit dat hij een zeer groot gebied bezit, moet Dirck wel een welgeborene zijn, die een riddermatig leven voert. Dat doet ook zijn vader Engelbert I van Cranenburg (ZA). Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met een steen in de rechter poot. Udh: Engelbert II van Cranenburg, Johanna van Cranenburg en Aechte van Cranenburch. Mogelijk ook Dieric van Cranenburch (gb 1327) en Joannes van Cranenburch (gb 1345).

2 zonen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Engelbert II*1335  †1421  86
Dieric*1327  †1387  60


Filips Engebrechtsz van Cranenburgh
Filips Engebrechtsz van Cranenburgh.


Ghisebrecht Enghebrechtsz van Cranenburgh
Ghisebrecht Enghebrechtsz van Cranenburgh.


Engelbert II van Cranenburgh
Engelbert II van Cranenburgh (Engebrecht van Cranenburch, Egbrecht, Eggebrecht van Cranenburch, Enghebrecht va), geb. in 1335, ovl. in 1421,
, Neef van Dirc IV van Wassenaar, burggraaf van Leiden. Bezit Cranenburg Bleiswijk. Erft van zijn oom Willem van Cranenburg hofstede Cranenburg te Eikenduinen, waarmee hij wordt beleend op 29.6.1367. Op 29 juni 1367 gaat de leen over naar zijn zoon Jan, benevens het recht om twee zwanen te houden op het Wijndaeler Meer (LHW). In 1383 beleend met een smaltiende te Maasland (4 pond; r.r. 226).
Vermeld 1380, 1396 en 1408. Engelbert is leenman van de Graaf van Holland. Leenvonnis met Hertog Willem van Beieren 8 feb 1407. Huwt Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, beleend met een goed in Maasland.
Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met steen in de rechter poot.

tr.
met

Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, dr. van Jan Mourijnsz van de Burgersdijk en Kateline Willem Katelinenzoonsz.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1370 Heusden †1447 Maasland 77
Engelbert III     
Catalina     


Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr van Burghersdijk
Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk.

tr.
met

Engelbert II van Cranenburgh (Engebrecht van Cranenburch, Egbrecht, Eggebrecht van Cranenburch, Enghebrecht va), zn. van Dirck ridder van Cranenburgh, geb. in 1335, ovl. in 1421,
, Neef van Dirc IV van Wassenaar, burggraaf van Leiden. Bezit Cranenburg Bleiswijk. Erft van zijn oom Willem van Cranenburg hofstede Cranenburg te Eikenduinen, waarmee hij wordt beleend op 29.6.1367. Op 29 juni 1367 gaat de leen over naar zijn zoon Jan, benevens het recht om twee zwanen te houden op het Wijndaeler Meer (LHW). In 1383 beleend met een smaltiende te Maasland (4 pond; r.r. 226).
Vermeld 1380, 1396 en 1408. Engelbert is leenman van de Graaf van Holland. Leenvonnis met Hertog Willem van Beieren 8 feb 1407. Huwt Lijsbeth Jan Mouwerijnsdr Jonkvrouwe van Burghersdijk, beleend met een goed in Maasland.
Wapen*: op goud een blauwe kraanvogel met steen in de rechter poot.

Uit dit huwelijk 3 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Jan*1370 Heusden †1447 Maasland 77
Engelbert III     
Catalina     


Jan Engelbertsz van Cranenburgh
Jan Engelbertsz van Cranenburgh, geb. Heusden in 1370, ovl. Maasland op 23 mei 1447.

tr. voor 17 mrt 1429
met

Beatrijs Gherijtsdr van Eijck en Duijnen, geb. circa 1385, ovl. na 17 mrt 1429.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Engelbrecht IV*1414 Heusden †1484 Maasland 70


Engelbert III van Cranenburgh
Engelbert III van Cranenburgh.


Catalina van Cranenburgh
Catalina van Cranenburgh.


Gijsbrecht van Bokel
Gijsbrecht van Bokel,
, vermeld 1226, Gijsbrecht Bokel bleef in 1242 ambachtsheer en tiendbezitter van het verkochte land van Bleiswijk.
6-09-1242. Willem II bepaalt dat wie van Willem Scope en Gijsbrecht Bokel land ter ontginning koopt tussen Rotte en Wilenesbrunne zal zijn vrijgesteld van dijklasten. De oudste schriftelijk vermelding van het gebied van Zoetermeer dateert van 1242. De acte omschrijft het land waarop heer Ghisebrecht Bokel het recht van de grote en kleine tienden heeft. Hierin worden ook Zegwaard, Berkel, Bleiswijk en Zevenhuizen genoemd. De eerste vermelding van het kerspel Bleiswijk vinden we in het bekende tiendenregister van 1275-1280. Lang kon de parochie toen bezwaarlijk hebben bestaan. Immers kort voor 1242 werd deze veenstrook door den graaf van Holland ter ontginning uitgegeven aan Gijsbrecht Bokel, een edelman, waarschijnlijk residerende op het slot Burgerstein bij Rotterdam. Deze verkocht reeds in 1242 den grond maar bleef ambachtsheer en tiendbezitter. De kerkstichting valt uiteraard na 1242 maar voor 1276: dan betaald de parochie tienden t.b.v. het Heilige Land.

5 kinderen:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Vrouwe     
Dirk     
Gijsbrecht  †1301   
Herman     
Herman     



Bronnen:
1.Gens Nostra (GN), Nederlandse Genealogische Vereniging, Amsterdam, van 1946 tot 1995


Dirk Bokel
Dirk Bokel1,
, in 1200, 1215 en 1216 wordt onder de edelen een Dirk Bokel genoemd en in 1226 en 1245 een Gijsbrecht. In het jaar 1252 vergunde koning Willem aan een zekeren Dirk Bokel, dat in geval hij zonder mannelijke nakomelingschap stierf, zijn oudste dochter zijn leengoed zou beërven. In oorkonden sinds1285 wordt weer van een Gijsbrecht Bokel gesproken. De 13e December 1280 stelde Floris V de bewoners van Dirk Bokels ambacht vrij van schot, en in 1287 vergunde hij aan die zelfde Dirk, om enige bepalingen over de bedijkingen in zijn ambacht te maken (De oorspronkelijke bronstukken zijn te vinden in het oorkondenboek van van den Bergh en achter de verhandelingen van prof. de Geer).

een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Gijsbrecht     



Bronnen:
1.Gens Nostra (GN), Nederlandse Genealogische Vereniging, Amsterdam, van 1946 tot 1995
2.Prometheus Kwartierstatenboek (Deel XVII), Delft, 2001 (blz. 241)


Dirk van Bokel
Dirk van Bokel,
, vermeld 1282, Dirk Bokel van 1287 had een zoon, die zich Dirk Bokel Uyternesse noemde, en wiens zonen de naam van Matenesse aannamen; naar alle waarschijnlijkheid (op dit punt zijn alle kroniekschrijvers eenstemmig) was het een broer van Dirk, genaamd Philips, die het aanzijn gaf aan het geslacht van der Spangen. Ook prof. de Geer sluit zich bij deze mening aan.
Dirk Bokel was in 1306 ambachtsheer van Bleiswijk. (Overleden 1334/1336). (B03).


Gijsbrecht van Bokel
Gijsbrecht van Bokel, vermoord in 1301, ovl. in mei 1301 vermoord,
, door de moord op Graaf Floris V in 1296 verloor Gijsbrecht Bokel, een belangrijke heer ten westen van de Rotte, zijn rechten, zij gingen over in de handen van de hogere Graaf.
Gijsbrecht Bokel was waarschijnlijk een halfbroer van Gijsbrecht Both van der Eem. Ze worden bijvoorbeeld samen genoemd als borgen voor de heren van Amstel, dezelfde die o.m. verantwoordelijk waren voor de moord op Floris V. Bokel verloor dus zijn rechten. Both van der Eem vreemd genoeg niet. Deze twee schijnen regelmatig samen vermeld te staan in oorkonden. Volgens prof. de Geer was waarschijnlijk de in 1226 voorkomende Gijsbrecht een broeder van Dirk (1200,1216), van welke Gijsbrecht dan de Rotterdamsche Bokels, afkomstig zouden zijn, terwijl Dirk weer een zoon Dirk had (1252, 1280) van wie de Matenesses zouden afstammen. Doch prof. Fruin wijst er terecht op, dat het niet onwaarschijnlijk is dat de stamvader der Matenesses een broer of oom van ridder Gijsbrecht (1285) geweest is, en denkelijk Floris heette, omdat in een stuk van 1296 melding gemaakt wordt van Bokel Florens ambacht (Bijlagen tot de kroniek van rotterdam no XV), dat omtrent Matenesse gelegen schijnt te hebben. Dat dit ambacht nog betrekkelijk laat met die naam wordt aangeduid, is mijns inziens te verklaren, wanneer men aanneemt, dat deze Floris een jongere zoon was, en dus een gedeelte van de vaderlijke, tot dan toe ongescheiden, goederen erfde, welk gedeelte dan naar hem genoemd werd en bleef, ook toen een latere bezitter een andere naam droeg. Dezen Floris zou ik dan het liefst (hoewel het natuurlijk niet meer dan een gissing is) willen plaatsen tussen Dirk van 1200 en Dirk van 1287, daar het mij de jaartallen waarschijnlijker voorkomt dat de laatste een kleinzoon van de eerste was. Om dezelfde reden zou Gijsbrecht van 1226 niet voor een broer, maar voor een zoon van de eerste Dirk gehouden kunnen worden, daar Gijsbrechts zoon, ridder Gijsbrecht, in, 1285 voorkomt, dus in de zelfde tijd als Dirk, kleinzoon van Dirk van 1200. De Dirk Bokel van 1287 had een zoon, die zich Dirk Bokel Uyternesse noemde, en wiens zonen de naam van Matenesse aannamen; naar alle waarschijnlijkheid (op dit punt zijn alle kroniekschrijvers eenstemmig) was het een broer van Dirk, genaamd Philips, die het aanzijn gaf aan het geslacht van der Spangen. Ook prof. de Geer sluit zich bij deze mening aan. Ghisebrecht is in 1281 leenman van de graaf voor de volgende lenen: 6 lb. per jaar uit de lentebede te Monster, het ambacht Bleiswijk met alle tienden, de ambachten Bokelsdijk, Blommersdijk, Middellant en Cool, 16 gaarden en 7 gaarden in Ysselmond’e, land en ambacht in de Broke, 24 morgen op het Trinvelt (tussen Overschie en Delft), ½ hoeve in Abtswoude, een aantal stukken land te Rijswijk en een hoeve grasland te Bleiswijk. Sommige lenen zijn door hem in achterleen uitgegeven. Daar hij binnen de ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk heet te wonen, zal hij op het kasteel Wena binnen dit laatste ambacht gezeteld hebben. In 1904 zijn resten van dit kasteel aangetroffen, dat o.a. uit een grote dertiendeeeuwse donjon bestond, opgetrokken van bakstenen van 8½ x 15½ x 31¼ cm. De acte van 1242 is niet zo onduidelijk als men op het eerste gezicht zou zeggen. Heer Ghijsbrecht Bokel heeft van de graaf een ontginningsconcessie gekocht ten noorden van de oudere ontginning Rotta of Hillegersberg. Zoals in deze tijd gebruikelijk, tracht hij het land, te verkopen aan particulieren, waarbij hij zelf het tiendrecht en de lagere jurisdictie aan zich houdt. Nu is er een belangrijke gegadigde gekomen, heer Willem Stope, mogelijk de vader van de in 1269 genoemde heer Vrancke Stoep, eigenaar van het kasteel te Hillegersblerg, die een belangrijk complex wil verwerven onder de meest gunstige voorwaarden n.l. dat het niet behoeft bij te dragen in de onderhoudskosten van de Maasdijk. Maar dit recht kan heer Ghisebrecht niet verlenen, dit kan alleen de graaf, die dit ook alweer niet voor niets doet, zodat de graaf kan verklaren, dat het land (en vrijdom van dijklasten) van heer Ghisebrecht en hemzelf zijn gekócht, zodat wij heep Ghisebrecht in 1242 als ambachtsheer van Bleyswijk mogen zien. In 1281 zien wij weer een heer Ghisebrechf als ambachtslieer, deze blijkt in 1285 een mondige zoon te hebben, eveneens Ghisebrechf genaamd, die dus naar zijn grootvader heet. De opvolging in het zelfde leen, de herhaling van de zelfde naam van de eerste in de derde generatie en de tijd van optreden van Ghijsbrecht I ( 1226-1242), van Ghisebrecht II (1281-1288) en van Ghisebrecht III ( 1285-1301) geven in ieder geval een degelijke grond voor de veronderstelde filiatie. Heer Ghisebrecht stelt zich op 27 oktober 1285 aIs borg tegenover graaf Floris V garant voor de broeders van Aemstel voor de naleving van de zoenverdragen door deze met de graaf gesloten: op 14 juli 1288 komt hij voor het laatst voor.

tr.
met

Catharina van Vianen, dr. van Hubrecht ridder van Vianen en Agniese van Langerak (vermeld 1306-1317/1318)


Herman van West IJsselmonde
Herman van West IJsselmonde.


Catharina van Vianen
Catharina van Vianen.

tr.
met

Gijsbrecht van Bokel, zn. van Gijsbrecht van Bokel, vermoord in 1301, ovl. in mei 1301 vermoord,
, door de moord op Graaf Floris V in 1296 verloor Gijsbrecht Bokel, een belangrijke heer ten westen van de Rotte, zijn rechten, zij gingen over in de handen van de hogere Graaf.
Gijsbrecht Bokel was waarschijnlijk een halfbroer van Gijsbrecht Both van der Eem. Ze worden bijvoorbeeld samen genoemd als borgen voor de heren van Amstel, dezelfde die o.m. verantwoordelijk waren voor de moord op Floris V. Bokel verloor dus zijn rechten. Both van der Eem vreemd genoeg niet. Deze twee schijnen regelmatig samen vermeld te staan in oorkonden. Volgens prof. de Geer was waarschijnlijk de in 1226 voorkomende Gijsbrecht een broeder van Dirk (1200,1216), van welke Gijsbrecht dan de Rotterdamsche Bokels, afkomstig zouden zijn, terwijl Dirk weer een zoon Dirk had (1252, 1280) van wie de Matenesses zouden afstammen. Doch prof. Fruin wijst er terecht op, dat het niet onwaarschijnlijk is dat de stamvader der Matenesses een broer of oom van ridder Gijsbrecht (1285) geweest is, en denkelijk Floris heette, omdat in een stuk van 1296 melding gemaakt wordt van Bokel Florens ambacht (Bijlagen tot de kroniek van rotterdam no XV), dat omtrent Matenesse gelegen schijnt te hebben. Dat dit ambacht nog betrekkelijk laat met die naam wordt aangeduid, is mijns inziens te verklaren, wanneer men aanneemt, dat deze Floris een jongere zoon was, en dus een gedeelte van de vaderlijke, tot dan toe ongescheiden, goederen erfde, welk gedeelte dan naar hem genoemd werd en bleef, ook toen een latere bezitter een andere naam droeg. Dezen Floris zou ik dan het liefst (hoewel het natuurlijk niet meer dan een gissing is) willen plaatsen tussen Dirk van 1200 en Dirk van 1287, daar het mij de jaartallen waarschijnlijker voorkomt dat de laatste een kleinzoon van de eerste was. Om dezelfde reden zou Gijsbrecht van 1226 niet voor een broer, maar voor een zoon van de eerste Dirk gehouden kunnen worden, daar Gijsbrechts zoon, ridder Gijsbrecht, in, 1285 voorkomt, dus in de zelfde tijd als Dirk, kleinzoon van Dirk van 1200. De Dirk Bokel van 1287 had een zoon, die zich Dirk Bokel Uyternesse noemde, en wiens zonen de naam van Matenesse aannamen; naar alle waarschijnlijkheid (op dit punt zijn alle kroniekschrijvers eenstemmig) was het een broer van Dirk, genaamd Philips, die het aanzijn gaf aan het geslacht van der Spangen. Ook prof. de Geer sluit zich bij deze mening aan. Ghisebrecht is in 1281 leenman van de graaf voor de volgende lenen: 6 lb. per jaar uit de lentebede te Monster, het ambacht Bleiswijk met alle tienden, de ambachten Bokelsdijk, Blommersdijk, Middellant en Cool, 16 gaarden en 7 gaarden in Ysselmond’e, land en ambacht in de Broke, 24 morgen op het Trinvelt (tussen Overschie en Delft), ½ hoeve in Abtswoude, een aantal stukken land te Rijswijk en een hoeve grasland te Bleiswijk. Sommige lenen zijn door hem in achterleen uitgegeven. Daar hij binnen de ambachten Bokelsdijk en Blommersdijk heet te wonen, zal hij op het kasteel Wena binnen dit laatste ambacht gezeteld hebben. In 1904 zijn resten van dit kasteel aangetroffen, dat o.a. uit een grote dertiendeeeuwse donjon bestond, opgetrokken van bakstenen van 8½ x 15½ x 31¼ cm. De acte van 1242 is niet zo onduidelijk als men op het eerste gezicht zou zeggen. Heer Ghijsbrecht Bokel heeft van de graaf een ontginningsconcessie gekocht ten noorden van de oudere ontginning Rotta of Hillegersberg. Zoals in deze tijd gebruikelijk, tracht hij het land, te verkopen aan particulieren, waarbij hij zelf het tiendrecht en de lagere jurisdictie aan zich houdt. Nu is er een belangrijke gegadigde gekomen, heer Willem Stope, mogelijk de vader van de in 1269 genoemde heer Vrancke Stoep, eigenaar van het kasteel te Hillegersblerg, die een belangrijk complex wil verwerven onder de meest gunstige voorwaarden n.l. dat het niet behoeft bij te dragen in de onderhoudskosten van de Maasdijk. Maar dit recht kan heer Ghisebrecht niet verlenen, dit kan alleen de graaf, die dit ook alweer niet voor niets doet, zodat de graaf kan verklaren, dat het land (en vrijdom van dijklasten) van heer Ghisebrecht en hemzelf zijn gekócht, zodat wij heep Ghisebrecht in 1242 als ambachtsheer van Bleyswijk mogen zien. In 1281 zien wij weer een heer Ghisebrechf als ambachtslieer, deze blijkt in 1285 een mondige zoon te hebben, eveneens Ghisebrechf genaamd, die dus naar zijn grootvader heet. De opvolging in het zelfde leen, de herhaling van de zelfde naam van de eerste in de derde generatie en de tijd van optreden van Ghijsbrecht I ( 1226-1242), van Ghisebrecht II (1281-1288) en van Ghisebrecht III ( 1285-1301) geven in ieder geval een degelijke grond voor de veronderstelde filiatie. Heer Ghisebrecht stelt zich op 27 oktober 1285 aIs borg tegenover graaf Floris V garant voor de broeders van Aemstel voor de naleving van de zoenverdragen door deze met de graaf gesloten: op 14 juli 1288 komt hij voor het laatst voor


Dirk III van Wassenaer
Dirk III van Wassenaer, geb. Voorschoten circa 1333, burggraaf van Leiden, ovl. tussen mei 1391 en 7 nov 1392 ,
, bewoonde kasteel 't Zandt te Oegstgeest, stond onder voogdij van Jan van Polanen mei 1350 en nam als zodanig op 5 sept. 1350 deel aan het Hoekse verbond, werd na de Kabeljauwse staatsgreep d.d. 24 juni 1351 sterk beperkt in zijn rechten, verzoende zich met de graaf sept. 1351, vervolgens onder curatele van 3 Leidse Kabeljouwen 1351-1355, in dienst van graaf Willem V (1353), door huwelijk heer van Oost-Barendrecht 1354, tot ridder geslagen 1356, maakte gemene zaak met de Hoeken en werd onder curatele gesteld van 27 nov. 1356 tot 2 sept. 1357, nam deel aan het landsbestuur in afwezigheid van hertog Albrecht 1358-1381, verkocht alle erven rondom de Leidse Burcht 5 jan. 1360, werd na de moord op de Kabeljouw Claas Colijn berecht doch vrijgesproken 18 jan. 1384, in gevangenschap (Luik) 1386-1387, speelde geen rol van betenis meer na 1387; had een buitenechtelijke relatie met een onbekend meisje.

tr. op 29 sep 1354 huw. voorwaarden
met

Magteld Gillisdr Oem, dr. van Gillis Heer van Barendrecht Oem en Maria Frederiksdr van Amerongen, geb. circa 1325, erfdochter van Oost-Barendrecht.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Philips IV*1350  †1428 Wijk bij Duurstede 78



Bronnen:
1.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 204)
2.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 205)


Magteld Gillisdr Oem
Magteld Gillisdr Oem, geb. circa 1325, erfdochter van Oost-Barendrecht.

tr. op 29 sep 1354 huw. voorwaarden
met

Dirk III van Wassenaer, zn. van Philips III / IV van Wassenaer en Elisabeth van der Dussen, geb. Voorschoten circa 1333, burggraaf van Leiden, ovl. tussen mei 1391 en 7 nov 1392 ,
, bewoonde kasteel 't Zandt te Oegstgeest, stond onder voogdij van Jan van Polanen mei 1350 en nam als zodanig op 5 sept. 1350 deel aan het Hoekse verbond, werd na de Kabeljauwse staatsgreep d.d. 24 juni 1351 sterk beperkt in zijn rechten, verzoende zich met de graaf sept. 1351, vervolgens onder curatele van 3 Leidse Kabeljouwen 1351-1355, in dienst van graaf Willem V (1353), door huwelijk heer van Oost-Barendrecht 1354, tot ridder geslagen 1356, maakte gemene zaak met de Hoeken en werd onder curatele gesteld van 27 nov. 1356 tot 2 sept. 1357, nam deel aan het landsbestuur in afwezigheid van hertog Albrecht 1358-1381, verkocht alle erven rondom de Leidse Burcht 5 jan. 1360, werd na de moord op de Kabeljouw Claas Colijn berecht doch vrijgesproken 18 jan. 1384, in gevangenschap (Luik) 1386-1387, speelde geen rol van betenis meer na 1387; had een buitenechtelijke relatie met een onbekend meisje.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Philips IV*1350  †1428 Wijk bij Duurstede 78


Philips III / IV van Wassenaer
Philips III / IV van Wassenaer1, geb. Voorschoten in 1307, burggraaf van Leiden en ambachtsheer van Oegstgeest, ovl. voor 5 jan 1348,
, Volgde zijn vader op in diens Wassenaarse goederen 1319, nam deel aan de Slag bij Kassel 1328, kocht het burggraafschap van Leiden van graaf Willem IV 1340, als zodanig ambachtsheer van Valckenburg en Catwijck, nam intrek in kasteel 't Zand tussen Katwijk en Oegstgeest 1340, kreeg te maken met tegenstand van de Leidse Kabeljauwse factie, maakte testament sept. 1343, moest toezien dat Leiden bij privilege van gravin Margaretha mocht uitbreiden tot het Hogheland 1 sept. 1346. Hij wordt met voornaam vermeld in een oorkonde van graaf Willem III d.d. 5 oktober 1307 waarin Dirk III van Wassenaer aan burggraaf Hendrik belooft dat hij zijn zoon Philips verwekt bij diens dochter niet ontgoeden zal aan een aantal met name genoemde goederen. Jonkvrouwe Alveraed, de moeder van Philips IV van Wassenaer,wordt vervolgens op 27 mei 1310 vermeld als ze wordt getocht aan een leengoed van de heer van Voorne.

tr. (1) in 1319 in of voor
met

Goede(line) (Guda, Goda) van Benthem.

tr. (2) tussen 1321 en 1326
met

Elisabeth van der Dussen, dr. van Jan II Heer van der Dussen en Beatrix van der Sluys.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirk III*1333 Voorschoten †1391  58

tr. (3) na 16 okt 1333
met

Catharina Gijzendr Dudinck (Duyck)2.

Bronnen:
1.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 204)
2.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 205)


Elisabeth van der Dussen
Elisabeth van der Dussen.

tr. tussen 1321 en 1326
met

Philips III / IV van Wassenaer1, zn. van Dirck II van Wassenaar en Alveradis van Cuijck van Leyden (erfdochter van Leiden), geb. Voorschoten in 1307, burggraaf van Leiden en ambachtsheer van Oegstgeest, ovl. voor 5 jan 1348,
, Volgde zijn vader op in diens Wassenaarse goederen 1319, nam deel aan de Slag bij Kassel 1328, kocht het burggraafschap van Leiden van graaf Willem IV 1340, als zodanig ambachtsheer van Valckenburg en Catwijck, nam intrek in kasteel 't Zand tussen Katwijk en Oegstgeest 1340, kreeg te maken met tegenstand van de Leidse Kabeljauwse factie, maakte testament sept. 1343, moest toezien dat Leiden bij privilege van gravin Margaretha mocht uitbreiden tot het Hogheland 1 sept. 1346. Hij wordt met voornaam vermeld in een oorkonde van graaf Willem III d.d. 5 oktober 1307 waarin Dirk III van Wassenaer aan burggraaf Hendrik belooft dat hij zijn zoon Philips verwekt bij diens dochter niet ontgoeden zal aan een aantal met name genoemde goederen. Jonkvrouwe Alveraed, de moeder van Philips IV van Wassenaer,wordt vervolgens op 27 mei 1310 vermeld als ze wordt getocht aan een leengoed van de heer van Voorne, tr. (1) met Goede(line) van Benthem. Uit dit huwelijk geen kinderen, tr. (3) met Catharina Gijzendr Dudinck2. Uit dit huwelijk geen kinderen.

Uit dit huwelijk een zoon:

 naamgeb.plaatsovl.plaatsoudrelatiekinderen
Dirk III*1333 Voorschoten †1391  58



Bronnen:
1.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 204)
2.Het goed van Oegstgeest (B 151), F.H. Lugt, Uitgeverij Ginkgo, 978-90-71256-09-7, Leiden, 2009 (blz. 205)